CD-recensie

 

© Paul Korenhof, april 2016

 

Donizetti: Le Duc d'Albe

Angela Meade (Hélène d'Egmont), Michael Spyres (Henri de Bruges), Laurent Naouri (Le Duc d'Albe), Gianluca Buratto (Daniel Brauer), David Stout (Sandoval), Trystan Llyr Griffiths (Carlos), Robin Tritschler (Balbuena), Dawid Kimberg (Un Tavernier), Opera Rara Chorus, The Hallé
Dirigent: Mark Elder

Opera Rara ORC54 (2 cd's)

Opname: Manchester, juni 2015

   

Welke moderne operabezoeker realiseert zich bij een voorstelling Les Vêpres siciliennes nog dat Verdi ons al in de eerste maten van de ouverture de ritmische anapest laat horen die in de 19de-eeuwse opera gold als aankondiging van de dood? Het was in die tijd een van de bekendste muzikale 'topoi', al terug te vinden in de drama's van Lully en vooral Rameau, en door Verdi met grote voorliefde gebruikt in bijvoorbeeld het 'Miserere' in Il trovatore en de slotscène ('Prendi, quest'è l'imagine') van La traviata.*)

Deze opname van Le duc d'Albe van Donizetti, gebaseerd op het libretto van Scribe dat deze later omwerkte tot de beruchte literaire rammelkast die hij Verdi als Les Vêpres siciliennes in de maag splitste, begint met een vergelijkbare ritmische anapest en dat moet bijna wel toeval zijn. Donizetti heeft weliswaar de eerste twee bedrijven voor 95% voltooid, maar pas in 1882, zeventien na de première van Les Vêpres siciliennes, vond in Rome de eerste uitvoering plaats en tot dat moment was het materiaal alleen in manuscript voorhanden. Het lijkt heel onwaarschijnlijk dat Verdi daar ooit inzage heeft willen hebben, laat staan dat hij erdoor geïnspireerd zou zijn.

Daarmee zitten we overigens midden in de problemen. De opname van Le duc d'Albe door Opera Rara volgt namelijk niet de versie die de Romeinen op 22 maart 1882 voorgeschoteld kregen. Voor die eerste uitvoering had de componist Matteo Salvi niet alleen de eerste twee bedrijven voltooid, maar gebruik makend van enkele losse aantekeningen van Donizetti had hij er zelfs twee complete bedrijven aan toegevoegd.
Terechte kritiek op Salvi's versie leidde tot andere bewerkingen, onder meer van Thomas Schippers, die zich meer hield aan Donizetti's eigen muziek. In diens versie heb ik het werk ook leren kennen, eerst bij een uitvoering in Gent in 1976, later ook via enkele live-opnamen, maar helemaal overtuigd werd ik nooit. Het bleef een dramatisch zwakke opera die dankzij een aantal mooie muzikale bladzijden vooral fragmentarisch overkwam.

In 2012 gaf de Vlaamse Opera de première van een editie van Giorgio Battistelli die het werk weer presenteerde als een Franse grand opéra, Donizetti's tweede na Les Martyrs, en die bij zijn werk baseerde op het onderzoek van Roger Parker, een van de artistieke breinen achter Opera Rara. Ook daarin bevond zich nog het nodige giswerk en daarom besloot dirigent Mark Elder om zich voor deze opname - en de daaraan voorafgaande concertante uitvoering - te beperken tot de eerste twee, vrijwel geheel door Donizetti zelf uitgeschreven bedrijven.
Tot de ontbrekende delen behoorde het voorspel, waarvan Donizetti wel nauwkeurig heeft laten weten hoe het op basis van materiaal uit de opera zelf geconstrueerd zou moeten worden en dat brengt ons bij de maten die wij nu als 'Verdi-reminiscentie' kunnen opvatten. Die vinden we in alle versies in de openingssectie, maar alleen hier fungeert een sterk gepuncteerde versie daarvan ook als de feitelijke opening.

Navraag bij Opera Rara leerde mij dat Donizetti en Verdi hier inderdaad op één lijn hebben gezeten. Weliswaar heeft Donizetti geen voorspel nagelaten, maar hij heeft wel laten weten dat hij muziek uit het derde bedrijf met dit motief in de openingssectie van het voorspel wilde verwerken. De beslissing om dit aan te scherpen met een streng ritmische versie in de eerste twee maten blijkt afkomstig van Martin Fitzpatrick, de assistent van Mark Elder, die verantwoordelijk was voor de definitieve versie van de partituur en die daarmee een opmerkelijk effectieve opening heeft gecreëerd.

De keuze van Opera Rara om de opname te beperken tot de twee bedrijven die vrijwel geheel door de componist voltooid zijn, maakt verder dat wij een betrouwbaar beeld hebben van Donizetti's aanleg voor dit genre, en die was blijkbaar niet gering. Na Les Martyrs vormen deze bedrijven het tweede bewijs dat Donizetti, was hij niet door een fatale ziekte geveld, in de geschiedenis van de 'grand opéra' een rechtmatige plaats had kunnen innemen tussen aan de ene kant Rossini's Guillaume Tell en aan de andere kant de werken die Meyerbeer en Verdi.
Opvallend daarbij is ook de in die zin 'verdiaanse' aanpak, dat het lijkt of Donizetti er duidelijk naar streefde ieder bedrijf tot een afgerond dramatisch geheel te maken en niet tot een opeenvolging van 'nummers' die soms alleen maar leken te dienen 'pour épater le bourgeois'. Het zou de zoveelste indicatie zijn van een toch opmerkelijk cultuurverschil dat maakte dat vooral buitenlandse componisten zich thuis voelden in de 'grande boutique', terwijl hun Franse collegae kennelijk meer op hun plaats waren in de intiemere opéra comique.

Evenals in zijn vorige opnamen voor Opera Rara betoont Elder zich hier een dirigent die toewijding, gevoel voor drama en liefde voor de menselijke stem combineert met een toenemende specialisatie in het bel canto. Bij het trekken van lijnen en het opbouwen van climaxen zijn het duidelijk de solistische partijen die voor hem als leidraad dienen, wat overigens niet wil zeggen dat het orkest een ondergeschikte rol speelt. De uitmuntende bijdragen van het Hallé staan echter voortdurend in dienst van de zang, niet als louter begeleiding van de stemmen, maar in een streven naar een totaal klankbeeld dat de dramatische kracht van Donizetti's muziek het volle pond geeft. En dat is opera!

Bij de solisten is het wederom de Amerikaanse tenor Michael Spyres die met de meeste eer gaat strijken. Nu de Franse zangcultuur sinds het Parijse regime van Solti en Liebermann volledig 'geïnternationaliseerd' is, lijken de VS het land waar de meeste specialisten voor het Franse repertoire vandaan komen. Spyres' klankvorming is niet altijd helemaal idiomatisch, maar zijn vocale kwaliteiten staan buiten kijf zijn tot in de hoogste regionen heldere en stralende timbre heeft precies de kwaliteiten die vereist zijn voor bijvoorbeeld Raoul in Les Huguenots en dus ook voor Donizetti's Henri de Bruges (in Les Vêpres siciliennes simpelweg Henri genaamd).
Hélène d'Egmont (bij Verdi een Oostenrijkse hertogin met dezelfde naam) is toevertrouwd aan de sopraan Angela Meade, voor sommigen Amerika's grote hoop als lirico spinto, misschien zelfs als Norma. Van dat laatste ben ik zeker nog niet overtuigd, maar ondanks een wat scherpe hoogte verdient haar bijdrage aan deze opname warme bijval en hetzelfde geldt voor Gianluca Buratto, een jonge Italiaanse bas die nog iets mist van de autoriteit van de echte Franse basse chantante, maar die hier wel zorgt voor een fraai gezongen Daniel Brauer, leider van de Vlaamse opstandelingen en voorloper van Verdi's Jean Procida. (Dat deze 'brouwer' werd getooid met de achternaam Brauer is weer zo'n typisch voorbeeld van gemakzucht annex slordigheid waar de libretti van Scribe berucht om zijn.)

Interessant als altijd is Laurent Naouri als 'de hertog van Alva' (Guy de Montfort in Les Vêpres siciliennes), hoewel hij kennelijk meer moeite heeft met het specifieke bel canto dan de niet-Fransen onder de protagonisten. De overige solisten en het koor van Opera Rara staan op het niveau dat we van dit label gewend zijn en hetzelfde geldt voor de als altijd uiterst verzorgde presentatie met een gedegen toelichting van Roger Parker, een van de artistieke breinen achter dit label. Alleen jammer dat Opera Rara met twee cd's van nauwelijks drie kwartier niet ook nog wat laat horen van de overgeleverde muziek voor de beide andere bedrijven, bijvoorbeeld van de muziek voor het derde bedrijf waarop de opening van het voorspel gebaseerd is.

________________________
*) Geïnteresseerden verwijs ik naar The musical figure of death in The signifier and the signified van Frits Noske met wellicht de meest verhelderende hoofdstukken over opera's van Mozart en Verdi ooit door een Nederlander geschreven:
Frits Noske: The signifier and the signified - Studies in the operas of Mozart and Verdi - uitg. Martinus Nijhoff, Den Haag 1978.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links