CD-recensie

 

© Paul Korenhof, juni 2024

Cimarosa: L'Olimpiade

Josh Lovell (Clistene), Rocio Pérez (Aristea), Mathilde Ortscheidt (Licida), Maite Beaumont (Megacle), Marie Lys (Argene), Alex Banfield (Aminta)
Les Talens Lyriques
Dirigent: Christophe Rousset
Château de Versailles CV5143 (2 cd's)
Opname: Parijs, 18-22 december 2023

 

Het 39ste theaterwerk in de oeuvrelijst van Domenico Cimarosa (1749-1801) ging op 10 juli 1784 in Vicenza in première en wordt zowel hier als elders gepresenteerd als een drama van de twee jaar eerder overleden Pietro Metastasio. Zelfs vinden we bij deze cd's in plaats van de gebruikelijke synopsis het 'argomento' dat de Italiaanse dichter zelf bij de uitgave van zijn complete werken aan zijn tekst toevoegde. Hoe relatief zo'n toeschrijving echter is, blijkt uit de toelichting in hetzelfde cd-boekje, waarin we lezen dat Metastasio's libretto, daterend uit 1733, door meer dan vijftig verschillende componisten gebruikt is, en dat de tekst daarbij voortdurend aan de praktische behoeften en de gewijzigde smaak werd aangepast.

Zo volgde Metastasio bij het originele libretto de op dat moment gebruikelijke structuur van de opera seria met drie plotlijnen rond zes personages, die zich volgens de toenmalige theaterconventies op het eerste, tweede en derde 'plan' bevonden. Toen Cimarosa een halve eeuw later het werk schreef waarmee het Teatro Eriteo in Vicenza zou worden geopend (waarbij hij insprong voor zijn, de waarschijnlijk door fysieke problemen geplaagde collega Giovanni Battista Borghi), was dat schema echter drastisch veranderd. In de nieuwe opzet draaide het libretto nog vooral om één van die drie lijnen en waren de beide andere op de achtergrond geraakt.

De oorspronkelijke hoofdlijn van L'Olimpiade is een mythe rond koning Clistene van Sicyone (Grieks: Sikuoon) die ooit van het orakel van Delphi gehoord had dat hij door zijn zoon Filinto zou worden gedood, en die deze daarop van zijn hof heeft verwijderd. Kern van Cimarosa's opera is echter de liefde van Aristea, de tweelingzuster van Filinto, voor de Atheense held Megacle, meervoudig winnaar van de Olympische Spelen, maar geen favoriet van Clistene die een hekel heeft aan alles at met Athene te maken heeft. Een bijkomend probleem is de liefde voor Aristea van Licida, zoon van de koning van Kreta, die voor haar zijn eerste geliefde Argene compleet uit zijn gedachten heeft verbannen. Uiteindelijk blijkt Licida echter de verdwenen Filinto te zijn, zodat na de nodige verwikkelingen alles in de finale (een heus sextet) op zijn pootjes kan terechtkomen.

Essentieel voor het ontstaan van Cimarosa's opera was de medewerking van de gevierde (castraat)sopraan Luigi Marchesi, die al in eerdere versies van L'Olimpiade succes had geoogst in de rol van Megacle. Dit moest dus nu ook zijn rol worden, al was het maar om een heel praktische reden: hij hoefde dan geen nieuwe teksten van recitatieven meer uit zijn hoofd te leren. Zoiets komt ons nu merkwaardig voor, maar in het Italië van de 18de eeuw, ging men meestal niet naar het theater voor het drama, maar voor de manier waarop dat op muziek was gezet, en voor de manier waarop die muziek gezongen werd. Dus werden goede libretti soms tientallen malen door evenzovele componisten gebruikt (een enkele keer zelfs meer dan honderd keer) en daarbij was het voor de zangers makkelijker als zij niet steeds andere ellenlange secco recitatieven in hun hoofd hoefden te stampen!

Dat en talloze andere wetenswaardigheden rond het ontstaan van L'Olimpiade zijn te lezen in een tien pagina's lange toelichting die op zich al de moeite waard is. Zo blijken de evolutie van Metastasio's drama en de door Cimarosa daarbij geschreven muziek behalve structureel ook op diverse andere punten illustratief voor de ontwikkeling die de opera seria in een halve eeuw had doorgemaakt. Het belangrijkste daarbij is - mede onder invloed van de toenemende aandacht voor het dramatische element (in het bijzonder het acteren) - de ontwikkeling van de driedelige da capo-aria als centraal element naar een op emotioneel contrast gebaseerde, tweedelige aria, met name het 'rondo'.

Daarmee zien we hoe zich in de werken van Cimarosa al de overgang aandient naar de 'solita forma' die na de napoleontische periode zo'n belangrijke rol in de Italiaanse opera zou gaan spelen. Bij Bellini en Donizetti vinden we die al terug in aria's (of beter: soloscènes) die gebaseerd zijn op het contrast cantabile-cabaletta, maar ook in de ensembles, zoals de concertato-achtige sextet-scène in Lucia di Lammermoor! Het oeuvre van Verdi lijkt er zelfs van doortrokken met als laatste grote voorbeeld het duet van Aida en Radames in de derde akte van Aida (1872).

Voor de gemiddelde operaliefhebber van nu is Cimarosa een randfiguur, alleen nog bekend van Il matrimonio segreto (1792) en zelfs die opera, die lange tijd alle werken van Mozart in populariteit overtrof, wordt nu nog slechts zelden opgevoerd. Zijn bijna tachtig andere theaterwerken lijken vergeten, ook L'Olimpiade, dat indertijd zo'n succes had dat het tien jaar lang tot het internationale repertoire behoorde met zelfs uitvoeringen in Londen, een opmerkelijk feit in een periode waarin de meeste opera's na twee of drie seizoenen (of al veel eerder) onder het stof verdwenen.

Vermoedelijk heeft de gedachte aan de Olympische Spelen van dit jaar meegespeeld bij de herleving van deze opera in Versailles en de opname in de Parijse Salle Colonne die nu in de reeks Château de Versailles werd uitgebracht. Een sterk muziekdrama is het niet en ik kan me voorstellen dat men zich beperkt heeft tot concertante uitvoeringen, maar als we even voorbijgaan aan de weinig opwindende recitatieven blijft er een flinke hoeveelheid uitstekende muziek over die niet alleen maar historisch en musicologisch interessant is.

Dat ook de onbekende werken van Cimarosa meer aandacht verdienen blijkt uit de talloze expressieve aria's in deze opera, waaronder de ooit bejubelde solo 'Se cerca, se dice' van Megacle en enkele fraaie aria's van Aristea. Een vocaal hoogtepunt is het slot van hun duet 'Ne'giorni tuoi felici' in het eerste bedrijf (track 18)waar bij perfecte samenzang van de ervaren Spaanse mezzosopraan Maite Beaumont en haar jongere landgenote Rocio Pérez de vonken af vliegen. De aanloop ernaartoe mist echter de perfectie en de verfijning waar deze muziek om vraagt.

Dat over de gehele linie door alle solisten goed (althans naar moderne maatstaven) en met inzet gezongen wordt, is verder een feit, maar de individualiteit en het karakter waar deze muziek om vraagt, hoor ik toch alleen af en toe bij Beaumont en Pérez, bij de veelbelovende en technisch goed getrainde tenor Josh Lovell en bij de jonge mezzosopraan Mathilde Ortscheidt. Het staat echter allemaal een beetje in de grondverf, hetzij door gebrek aan ervaring (behalve Beaumont zijn het allemaal solisten aan het begin van hun carrière), hetzij door gebrek aan coaching - of beide. Dat Christophe Rousset en Les Talens Lyriques een feestje maken van de orkestpartijen met enkele opmerkelijk obligaatpartijen (onder meer voor de hobo in de aria van Megacle), spreekt bijna voor zich, maar jonge solisten zijn meer gebaat bij dirigenten die zich minder op het instrumentale element concentreren en stemmen dus ook niet als instrumenten behandelen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links