CD-recensie

Opera uit een verwaarloosd tijdperk

 

© Paul Korenhof, september 2012

 

 

Catel: Sémiramis
Maria Riccarda Wesseling (Sémiramis),
Gabrielle Philiponet (Azéma), Mathias Vidal (Arzace), Nicolas Courjal (Assur), Andrew Foster-Williams (Oroès), Nicolas Maire (Cédar), Choeur et Orchestre du Concert Spirituel o.l.v. Hervé Niquet

Glossa GCD 921625 (2 cd's)

Opname: Montpellier, 25 juli 2011

 


Woelige tijden belemmeren dikwijls het zicht op veel van wat in cultureel opzicht gebeurt. Dat geldt ook voor Frankrijk in de decennia tussen de val van de Bastille en het moment waarop Napoleon weer wat rust bracht in de straten van Parijs. Wat die periode aan Franse literatuur, beeldende kunst en architectuur heeft voortgebracht, is inmiddels algemeen bekend, maar over het theater hangt nog een grauwsluier die slechts bij vlagen even wordt opgelicht. Waar het de opera betreft, geldt dat vooral de niet-Franse componisten die in die periode in Parijs actief waren, en meestal danken wij dat dan vooral aan hun niet-Franse thuisfront. Zo zouden bijvoorbeeld de Parijse activiteiten van Piccini, Sacchini, Cherubini en Spontini - om maar een paar voorbeelden te noemen - waarschijnlijk minder bekend zijn geworden, als hun naam niet in Italië, Wenen en Berlijn levend was gebleven.

Anders lag de situatie voor Franse componisten, zeker als zijzelf of hun muziek op de een of andere manier geassocieerd kon worden met het 'ancien régime', en voor hun tegenstanders of concurrenten - die waren er in Parijs altijd wel - bleek dat meestal niet zo moeilijk. Heel jammer, want terwijl de Italiaanse opera dramatisch verzandde in het 18de-eeuwse bel canto, waren in het Franse muziektheater de aandacht voor het woord en de dramatische spanning levendig gebleven, zoals Gluck kon ervaren toen ook hij zijn heil zocht in Parijs. Niet alleen werd het Franse operatoneel niet gedomineerd door castraten en andere virtuozen, maar nog belangrijker was de ondergeschikte positie de 'die aria' daar innam. Het Franse muziektheater draaide om het drama en daarin namen het woord en theatrale spanning eveneens centrale plaatsen in.

Waartoe dat alles rond 1800 geleid had, wisten we vooral uit de opera's van Cherubini, hoewel die toch altijd nog een mengeling vormden van de Italiaanse en de Franse stijl. Hoe Franse componisten zelf met de materie omsprongen, blijkt uit deze Sémiramis van Charles-Simon Catel, die volgens het cd-boekje leefde van 1770 tot 1830, maar die volgens alle andere mij bekende bronnen werd geboren in Laigle (Normandië) op 10 juni 1773. In Parijs werd hij leerling van Gossec, lid van het muziekkorps van de Garde National de Paris en leraar aan het Conservatoire, en ondertussen componeerde hij revolutionaire hymnes, marsen en kamermuziek. Daarnaast schreef hij tussen 1802 en 1819 een tiental werken voor het operatoneel, waarvan Sémiramis (première: Opéra, 4 mei 1802) een goed voorbeeld is van zijn streven de oude 'tragédie lyrique' te verbinden met de eisen van de nieuwe tijd. In een bewerking van Philippe Desriaux werd de bij operaliefhebbers welbekende tragedie van Voltaire onder zijn handen tot een energiek brok muziektheater, zeker in vergelijking met wat op dat moment in Italië op het gebied van de opera seria nog gebruikelijk was.
De tragische liefde van de Babylonische koningin voor haar eigen zoon wordt verteld in drie bedrijven met een totale tijdsduur van honderd minuten (voor ruim zeventig 'nummers'!) in een flitsende aaneenschakeling van recitatieven, aria's, koren, dansen en een paar ensembles. Zijn muzikale taal kunnen we zien als een overgang van de late Rameau naar de vroeg 19de-eeuwse opéra-comique van Cherubini, Méhul en Lesueur, terwijl de opbouw en de soms overdadige instrumentatie lijken te wijzen op zijn banden met de Garde National. Voor de solisten schreef hij overwegend expressieve muziek, ver verwijderd van het Italiaanse bel canto en met een sterk declamatorische inslag die alle ruimte geeft aan de tekst, zelfs in die mate dat de hoofdrolzangeres van de eerste voorstellingen, Mme Maillard, haar stem erop geforceerd lijkt te hebben. (Dat laatste moet overigens meer haarzelf dan de componist verweten worden; niet voor niets stond zij bij de Parijzenaars bekend als Mme Braillard, vrij vertaald: 'mevrouw Brulboei'.)
De uitvoering die op 25 juli 2011 plaats vond in het kader van het jaarlijkse Festival de Radio France et de Montpellier Languedoc-Rousillon, vonkt en spettert van het enthousiasme, maar een beetje meer precisie had geen kwaad gekund. Onduidelijk is overigens of dat helemaal te wijten is aan dirigent Hervé Niquet, of dat de voor dit werk wel erg grote zaal van de Opéra Berlioz ook zijn tol eist. Geen kwaad woord echter over de de solisten met op de eerste plaats een zinderende titelrol van de mezzosopraan Maria Riccarda Wesseling. Minder bekend maar niet minder opmerkelijk zijn de sopraan Gabrielle Philiponet als Azéma en de jonge tenor Mathias Vidal, die met zijn welluidende Arzace een belofte voor de toekomst lijkt neer te zetten.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links