CD-recensie

Mariss Jansons, elf jaar als schatbewaarder van het KCO

 

© Niek Nelissen, juni 2015

 

Mariss Jansons Live - The Radio Recordings 1990-2014

Werken van Rossini, Beethoven, Berlioz, Schumann, Brahms, Wagner, Tsjaikovski, Moesorgski, Rachmaninov, Richard Strauss, Bruckner, Mahler, Sibelius, Ravel, Poulenc, Hindemith, Schönberg, Webern, Bartók, Prokofjev, Gubaidulina, Varèse, Martinu, Janàcek, Lutoslawski, Berio, Messiaen, Stravinsky, Wagemans en Louis Andriessen

Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons.

RCO Live (13 cd's + dvd)

   

Op 20 maart 2015 dirigeerde Mariss Jansons zijn laatste concert als chefdirigent van het KCO. De Mahler-liederen (met Thomas Hampson) waarmee het programma openden, kwamen wat langzaam op temperatuur. Beter verging het de liederen van Copland - een verrassende keuze overigens - die door de Amerikaanse zanger en Jansons levendig en met goed gevoel voor humor werden neergezet. Het concert eindigde met een wat zwaar uitgevallen uitvoering van Bartóks Concert voor orkest . Dit optreden was naar mijn smaak niet het beste van de bijna vierhonderdvijftig die Jansons met het KCO heeft gegeven. Na afloop werd de zichtbaar dodelijk vermoeide Jansons in het zonnetje gezet en werd een portret van immense proporties onthuld, dat inmiddels in de dirigentenfoyer hangt. Wie de foyer binnenkomt, deinst onwillekeurig achteruit bij het zien van dit omvangrijke schilderij, dat door het formaat volledig uit de toon valt bij de oudere dirigentenportretten.

De avond deed me terugdenken aan Welcome Mariss , het concert waarmee Jansons op 4 september 2004 aantrad, met zinderende uitvoeringen van Honeggers Vijfde symfonie en Ein Heldenleben van Richard Strauss. Het was lang voor de economische crisis en het publiek werd onthaald op een gratis warm buffet. Er heerste een feestelijke stemming in het gebouw. Jansons liep door de foyers en maakte her en daar een praatje. In de dirigentenfoyer was ik toevallig getuige van een op zichzelf onbeduidend incidentje. Jansons werd aangesproken door enkele studenten, die hem vroegen om beschermheer van hun studentenorkest te worden. Het moment was slecht gekozen. De persman van het KCO die Jansons vergezelde gaf dit de studenten in heldere taal te kennen en verzocht hen het verzoek in een brief aan het KCO kenbaar te maken. Hij legde Jansons uit dat hij zich hierover niet druk hoefde te maken. Vervolgens leidde hij de maestro verder door de zaal. Bij het weglopen bleef Jansons nog lange tijd gejaagd achterom kijken en ik hoorde hem wel twee of drie keer geagiteerd vragen: 'What did they want?', kennelijk toch niet voldoende gerustgesteld. Dit kleine voorval past - terecht of niet - in mijn beeld van een dirigent die de controle wil behouden. Jansons laat weinig aan het toeval over. Voordat hij gaat musiceren heeft hij zich een duidelijke klankvoorstelling gemaakt van wat hij wil horen en tijdens repetities wil hij die tot in detail realiseren.

Voor Jansons' omgang met muziek is het belangrijk om te weten dat hij is gevormd door de vele jaren in Leningrad, waar zijn vader en later ook hijzelf als tweede dirigent werkte onder de grote Jevgeni Mravinski. Het Leningrad Philharmonisch Orkest had in de halve eeuw dat het door Mravinski werd geleid - gedrild is misschien een beter woord - een klankcultuur die ongeëvenaard was. Vooral de strijkers hadden een ongelooflijke precisie en virtuositeit. Een tweede mentor voor Jansons was Herbert von Karajan, die als klankbouwer een vergelijkbare invloed op hem moet hebben gehad. Vanaf 1979 kreeg Jansons een toenemende internationale reputatie door zijn werk in Oslo, waar hij opzien baarde met bijzondere prestaties van een orkest dat tot zijn komst vooral een regionale reputatie had. Met het Oslo Philharmonic Orchestra maakte hij voor Chandos, EMI en Simax talloze plaatopnamen, waarvan vooral de complete Tsjaikovski-cyclus (Chandos) veel lof kreeg. In 2000 stapte Jansons in Oslo op. Inmiddels was hij tevens chefdirigent van het Pittsburgh Symphony Orchestra dat hij nog tot 2004 leidde. Jansons hoorde toen al thuis in het kleine rijtje topdirigenten en het lag al een tijd voor de hand dat hij de overstap zou maken naar een van de wereldberoemde symfonieorkesten. Het werden er twee. In 2003 werd hij chefdirigent van het symfonieorkest van de Beierse Omroep in München en een jaar later trad hij aan als zesde chefdirigent in de geschiedenis van het Concertgebouworkest.

Dat Jansons nóg een toporkest leidde, gaf in Nederland wat scheve ogen, maar dat werd weer een beetje goed gemaakt toen het KCO onder zijn leiding in 2008 eindigde op de eerste plaats in een lijst die het Britse platenblad Gramophone samenstelde van de beste symfonieorkesten ter wereld. Het orkest uit München belandde op de zesde plaats. Jansons leidde op dat moment dus twee van de tien beste symfonieorkesten ter wereld, althans volgens de rangorde van de Gramophone . Overigens blijft Jansons na zijn vertrek bij het KCO (om gezondheidsredenen) wel aan in München. In de jaren in Amsterdam bleek Jansons' perfectionisme tegelijkertijd zijn kracht en zijn zwakte. Met Jansons op de bok wist je dat er gedegen zou worden gemusiceerd. Dat kon resulteren in fraaie concerten, maar ook in uitvoeringen die te gecontroleerd en te gepolijst klonken. Op zijn best was hij in orkestwerken van Richard Strauss. In dat repertoire stelde hij zelden teleur en leverden zijn klankperfectionisme en goed gevoel voor timing niet alleen de cosmetische glans, maar ook vrijwel altijd een spannend resultaat op. Ook met Gustav Mahler, eveneens een componist uit het kernrepertoire van het KCO, heeft Jansons een bijzondere affiniteit. In de Mahler-serie van het KCO tijdens de seizoenen 2009-2011 waren zijn interpretaties van de Tweede en de Derde symfonie spraakmakend. Behalve met Strauss en Mahler hield hij zich veel bezig met Beethoven, Brahms, Dvorák, Tsjaikovski, Rachmaninov en Sibelius. Anders dan Riccardo Chailly, zijn directe voorganger, is Jansons bepaald geen vernieuwer van het repertoire geweest.

Dat zou je niet zeggen na een blik op de inhoud van de box met live-opnamen die ter gelegenheid van Jansons' afscheid is uitgebracht. Lodewijk Collette en Daniël Esser, de samenstellers van de imposante Anthology of the Royal Concertgebouw Orchestra , hadden de taak om uit de vele honderden radio-opnamen een selectie te maken voor de CD-box die een overzicht biedt van de elf jaar van Jansons' chefdirigentschap en het gastdirigentschap dat eraan vooraf ging. Vermoedelijk met het oog op een prikkelende inhoud selecteerden zij - naast stukken uit het IJzeren repertoire - ook muziek van Varèse, Schönberg, Webern, Gubaidulina, Martinu, Janàcek, Lutoslawski, Stravinsky, Wagemans en Louis Andriessen. Wie uitsluitend afgaat op deze box zou kunnen denken dat Jansons' programma's avontuurlijk waren en naar verhouding veel twintigste-eeuws repertoire boden. In werkelijkheid lag de nadruk op de meesterwerken uit het Centraal- en Oost-Europese romantische repertoire. Daarbij had Jansons een voorkeur voor de meest toegankelijke van die meesterwerken. Zo dirigeerde hij in Amsterdam van de symfonieën van Dvorák alleen de Achtste en de Negende, van Tsjaikovski uitsluitend de Vierde, Vijfde en de Zesde en bij Sibelius beperkte hij zich tot de eerste twee. Ook Frans repertoire kwam bij Jansons regelmatig aan bod, maar bij Debussy bleef het bij La Mer en de Images en van Ravel voerde hij voornamelijk La Valse en de Tweede suite uit Daphnis et Chloé uit. Afgezien van incidentele uitvoeringen van andere composities richtte zijn belangstelling voor Stravinsky zich, enigszins voorspelbaar, op de Sacre , Petroesjka en de suite uit de L'Oiseau de feu .

De box bevat twee Nederlandse composities, Moloch van Peter-Jan Wagemans en Mysteriën van Louis Andriessen, en biedt daarmee het grootste deel van Jansons' repertoire aan Nederlandse muziek. In de 127 jaar van zijn bestaan heeft het Concertgebouworkest niet eerder een chefdirigent gehad die zo weinig heeft gedaan voor de Nederlandse muziek als Jansons. Vóór het jubileumseizoen rond het 125-jarig bestaan, dus toen hij al zo'n negen jaar chefdirigent was, had hij aan Nederlands repertoire niet meer op zijn naam staan dan twee uitvoeringen van Moloch van Peter-Jan Wagemans en vier van de Aankomst van Otto Ketting. Geen noot van Diepenbrock, Pijper, Badings, Escher of Hendrik Andriessen. Tijdens het jubileumconcert op 3 november 2013 dirigeerde hij de première van Mysteriën van Louis Andriessen, dat speciaal voor deze gelegenheid was gecomponeerd. Het aantal uitvoeringen bleef beperkt tot zegge en schrijven één! Het had voor de hand gelegen dat het KCO Andriessens werk of een ander belangrijk Nederlands stuk mee zou hebben genomen op een van de vele reizen rond het jubileumseizoen. Dat was eerder wel gebeurd met Otto Kettings Aankomst , die onder Jansons leiding is uitgevoerd in Los Angeles en New York. Voor de wereldtournee werd echter gekozen voor het flauwste excuusstuk als het gaat om de export van Nederlandse muziek: Ouverture De getemde feeks van Johan Wagenaar. Wellicht heeft de leiding van het KCO gedacht dat Jansons zich geen buil zou vallen aan Wagenaars briljante orkestratie, zo verwant aan die van Richard Strauss. Dat de uitvoering van Andriessens Mysteriën meer voeten in aarde heeft dan Wagenaars muziek, bleek uit de documentaire Imperfect Harmony , die een fascinerend inkijkje geeft van de problemen tijdens de repetities. De film toont de confrontatie tussen een componist, die gewend is te werken met ensembles die vertrouwd zijn met hedendaagse muziek, en een zeer traditionele orkestdirigent. De radio-opname van de eenzame uitvoering van Mysteriën werd overigens terecht wel opgenomen in de box, want als historische document hoort die er uiteraard bij.

Meer plezier dan aan Andriessens noten zal Jansons hebben beleefd aan de romantische symfonieën. Wat deze uitvoeringen vooral duidelijk maken is dat Jansons gretig gebruik heeft gemaakt van de volle en diepe klank van het KCO. Daarbij lijkt zijn stijl in Amsterdam wat zwaarder geworden. Dat is goed af te horen aan de opname van Prokofjevs Vijfde symfonie uit september 2014. De speelduur is ruim vijf minuten langer dan in Jansons' plaatuitvoering uit 1987 met het Leningrad Philharmonisch Orkest voor Chandos, een van de betere. De Chandos-uitvoering is niet alleen beduidend slanker, maar heeft meer drive en aandacht voor de venijnige kant van deze oorlogssymfonie. Het KCO laat een prachtig volle klank horen, maar tegelijkertijd lijken de scherpe kantjes er een beetje afgevijld. Zo klinkt het tweede deel wat logger en met minder bite dan bij de Leningraders. Het is zeker geen slechte uitvoering, maar een minder massieve en gepolijste klank spreekt mij in deze muziek meer aan. Positiever voor het KCO valt de vergelijking uit in Rachmaninovs Tweede symfonie, opnieuw met het orkest uit Leningrad, dat inmiddels (de opname is uit 1992) weer de naam Sint Petersburg droeg. De uitvoeringen uit St. Petersburg en Amsterdam zijn aan elkaar gewaagd, maar bij deze symfonie heeft het KCO juist veel voordeel van de somptueuzere klank. Het Adagio is van een nauwelijks te overtreffen klankschoonheid en de klarinetsolo wordt schitterend gespeeld.

Behalve Rachmaninovs Tweede zijn er meer opnamen die er in positieve zin uit springen. Neem de bijzonder fraaie uitvoeringen van Brahms' Eerste symfonie, de Zesde van Tsjaikovski's en de Eerste van Sibelius. Deze drie werken nam Jansons lang geleden op met het Oslo Philharmonic Orchestra, respectievelijk voor Simax, Chandos en EMI. In de tussenliggende tijd heeft Jansons' stijl zich uiteraard verder ontwikkeld. Hij lijkt wat bezadigder geworden en zijn tempi zijn doorgaans wat langzamer. Zo is de uitvoering uit 2004 met het KCO van de Pathétique bijna drie minuten langzamer dan de befaamde Chandos-opname uit Oslo. De orkestklank is ook hier wat zwaarder geworden en soms iets minder fel, zoals in het derde deel van Pathétique . In de Eerste symfonie van Brahms heeft Jansons' aanpak nog meer grandeur. De imposante openingsmaten wijzen al op een uitvoering in grootse stijl. Bij Sibelius' Eerste symfonie valt op dat Jansons' interpretatie nog heeft gewonnen aan expressiviteit. Met de EMI-opname uit Oslo legde Jansons de lat al hoog, maar de KCO-uitvoering , vastgelegd in de zomer van 2009 tijdens een Proms-concert in de Royal Albert Hall in Londen, wint het op alle fronten. Het langzame deel heeft bijvoorbeeld meer impact dan de in dat deel wat prozaïsche studio-opname. De opname van Sibelius' Eerste is een mooie pendant van de eerder door RCO Live uitgebrachte opname van de Tweede. Jammer dat Jansons met het KCO niet meer symfonieën van Sibelius heeft uitgevoerd.

Vooral in zijn jaren in Amsterdam en München heeft Jansons zich ontwikkeld tot een Mahler-interpreet van formaat. Ik refereerde al aan de uitstekende bijdragen aan de Mahler-Serie van 2009-2011. Tijdens de Kerstmatinee van 2014, dus in zijn laatste seizoen als chefdirigent, voegde hij nog de Vierde symfonie toe aan zijn Amsterdamse Mahler-repertoire. Alleen de Negende en Das Lied von der Erde heeft hij nooit uitgevoerd met het KCO. In de box is een dvd opgenomen met de geslaagde televisieregistratie van Mahlers Vierde tijdens die laatste Kerstmatinee. Daarnaast biedt de box een uitvoering op cd van Mahlers Zevende symfonie uit 2000. Jansons gaf van deze symfonie ook uitvoeringen met zijn orkest in München. Het eigen label van de Beierse Omroep legde Jansons visie op Mahlers Zevende vast in maart 2007 tijdens concerten in de Philharmonie im Gaststeig (BR Klassik). De verschillen tussen de beide uitvoeringen bevestigen mijn indrukken. Opnieuw is het verschil in speelduur frappant. De uitvoering uit München beslaat ruim 77' en past dus één CD, terwijl de Amsterdamse uitvoering bijna vijf minuten meer nodig heeft en over twee cd's verdeeld moest worden. Ook hier klinkt het KCO zwaarder. Het orkest uit München laat slanker en technisch eveneens hoogwaardig spel horen, maar het KCO overtuigt toch meer door een resultaat dat idiomatischer klinkt. Neem bijvoorbeeld het Scherzo, waarin de diabolische kanten indringender over het voetlicht komen.

De box biedt twee overlappingen in repertoire met Jansons' overige opnamen uit Amsterdam. Zo is de uitvoering van Bruckners Derde symfonie niet identiek aan die op de cd die is uitgebracht door RCO Live. De oudere CD was gebaseerd op opnamen van meerdere concerten in 2007 en 2008. De box bevat een Duitse radio-opname gemaakt in de Philharmonie in Berlijn op 5 september 2008. De verschillen zijn overigens niet erg groot. Anders ligt het met de live-opname van Berlioz' Symphonie fantastique uit 1990 in de box en de studio-opname die Jansons in 1991 heeft gemaakt van dat werk voor EMI. Toen de EMI-CD begin jaren negentig verscheen, verbaasde ik me over de uiterst positieve reacties van sommige critici. Eerlijk gezegd vond ik het een nogal bloedeloze plaatuitvoering, waarbij de bepaald niet heldere EMI-opname niet meewerkte. De live-uitvoering uit april 1990 laat pas goed horen wat de EMI-technici een jaar later hadden willen vastleggen in Amsterdam. Het is van begin tot einde een ongelooflijk opwindende uitvoering. De radio-opname komt bovendien aanzienlijk beter uit de speakers dan de soft focus -opname van EMI.

Lodewijk Collette en Daniël Esser zijn er opnieuw in geslaagd een fraaie en gevarieerde box samen te stellen. Aan de zeven delen van de Anthology en de vier uitgaven rond de chefdirigenten voegden zij deze twaalfde box toe. Het is een klankportret geworden, dat niet alleen alle recht doet aan de kwaliteiten van de zesde chefdirigent maar ook aan de somptueuze klank die het KCO onder zijn leiding ontplooide. De box is een mooie herinnering aan zijn chefdirigentschap. Hopelijk krijgt het onlangs aangeboden geschilderde portret nog eens een geschiktere plaats, in een ruimte waar deze verhoudingen beter tot hun recht komen, en komt er in de dirigentenfoyer een beter op het interieur afgestemd schilderij, dat ons op even plezierige en overtuigende wijze als deze box herinnert aan de positieve kanten van elf jaar chefdirigentschap van Mariss Jansons in Amsterdam.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links