CD-recensie

 

© Maarten Brandt, juni 2013

 

Sjostakovitsj: Symfonie nr. 10 in e, op. 93

Koninklijk Concertgebouworkest
o.l.v. Mariss Jansons.

RCO live RCO 13001 • 53' • (sacd)

Live-opname: 29 januari, 1 en 4 februari 2009,
Grote Zaal, Concertgebouw, Amsterdam

   

Sjostakovitsj, Sjostakovitsj en nog eens Sjostakovitsj, mag het misschien zo langzamerhand een onsje minder zijn (en wat mij betreft: een paar onsjes)? Hoe dan ook, tevens het huislabel van het Koninklijk Concertgebouworkest laat zich in deze allesbehalve onbetuigd. Wat heet! Onlangs verscheen op dit label een van de meest spraakmakende vertolkingen door het Amsterdamse keurensemble onder supervisie van hun eredirigent Bernard Haitink van de Vijftiende symfonie en ditmaal betreft het een al even imposante verklanking van de Tiende symfonie onder de scepter van de onvolprezen chef Mariss Jansons.

Het is een productie geworden die alleen al omwille van de interessante en uitvoerige toelichting door Onno Schoonderwoerd een aanschaf dubbel en dwars waard is. We wisten reeds dat een van de meeste bekende motieven in deze symfonie – en niet alleen in dit werk, integendeel – het d-es-c-b gegeven is (in het Duits: D.SCH, dus bestaande uit de eerste letter van de voornaam van de componist, gevolgd door de eerste drie letters van diens achternaam). Maar aan de hand van een reeks in de jaren ’90 van de vorige eeuw opgedoken brieven valt aan te tonen dat het in het derde deel van Sjostakovitsj’ Tiende optredende en uit de noten e-a-e-d-a bestaande motief een verwijzing is naar de naam van de pianiste Elmira Nazarova (E-L(a)-Mi-R(e)-A), met wie de componist een intense relatie had. En dit feit is veel minder algemeen bekend. Hetzelfde motief, dat in de hoorn optreedt en dat sterk verwant is met het hoofdthema van het eerste deel (Das Trinklied von Jammer der Erde: ook hier gezet voor de hoorns) uit Mahlers Das Lied von der Erde.

Niettemin is deze wetenschap, hoe informatief in anekdotisch opzicht ook, niet iets dat wat mij betreft nu veel bijdraagt aan de waarde van deze muziek. Want zoveel is – althans naar mijn mening – duidelijk; dat derde deel is nu niet bepaald het meest tot de verbeelding sprekende onderdeel van deze symfonie, dat wil zeggen in muzikale zin. Het voortdurend opnieuw opklinken van het Elmira-motief werkt al snel verveling in de hand. Iets dat ook Jansons en het superieur spelende KCO niet weten te voorkomen en wat dus onomstotelijk op conto van Sjostakovitsj zelf moet worden bijgeschreven.

Hoe het ook zij, men kan van Sjostakovitsj houden of niet (en ik houd er niet van, dat zij eerlijk toegegeven), zijn Tiende behoort zonder twijfel tot zijn, samen met de Eerste, de Vierde en de Vijftiende, meest geslaagde symfonieën. Speciaal het wijds geproportioneerde en bol van de beurtelings onderhuids en onverhuld manifeste dramatiek staande openingsdeel, wekt bij vriend en vijand bewondering. Zeker als er op dermate uitmuntende wijze wordt gemusiceerd als hier door het KCO en Jansons. Er is nogal eens – en terecht – gemopperd over de soms tegenvallende geluidskwaliteit van de bij dit label verschenen superaudio-cd’s, maar ditmaal verdient ook de technische staf alle lof. Want de opname klinkt over de gehele linie weldadig sonoor, met een schitterende definitie in de laagte (contrabassen eerste deel) die ik in deze symfonie zelden zo fraai uit de luidsprekers heb horen komen.

Als er al iets valt af te dingen op deze uitvoering dan is het dat het resultaat me bij vlagen net een fractie te gecontroleerd voorkomt, zeker in het korte, venijnige en martiale tweede deel, waarin Stalin heet te zijn geportretteerd en waarvan het verloop een bijna gelikte indruk wekt. Wel wordt hieruit duidelijk dat het KCO onder leiding van Jansons een precisie heeft weten te bereiken die aan het ongelooflijke grenst en die – in combinatie met de hoogontwikkelde en glansrijke klankcultuur – de hoogtijdagen van wijlen Herbert von Karajan (die Sjostakovitsj’ Tiende tweemaal voor DG vastlegde) in herinnering roept. En dat laatste is niet helemaal toevallig, aangezien Jansons zijn licht indertijd tevens bij Von Karajan heeft opgestoken. Wie het echter om de handenwringende tragiek en de weerbarstigheid van dit werk is te doen, kan het niet zonder de verbluffende uitvoeringen door het City of Birmingham Symphony Orchestra onder Rattle (EMI) en het Royal Philharmonic Orchestra onder Askenazy (Decca) stellen. En, als u bereid bent een matige en door de ouderdom achterhaalde opnametechniek voor lief te nemen en het u louter om het artistieke resultaat is te doen, dan blijven de pionierende, ongerepte en verschroeiende vertolkingen uit de oude school onder Mravinski en de Leningraders (Erato en Melodia) en die van Kondrashin met het Moskou’s Philharmonisch Orkest (Chant du Monde en Melodia) absolute aanraders.

 


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links