CD-recensie

 

© Maarten Brandt, maart 2013

 

 

Pergolesi: Septem Verba a Christo

Konstantin Wolff (bas), Sophie Karthäuser (sopraan), Christophe Dumaux (counter-tenor), Julien Behr (tenor), Akademie für Alte Musik Berlin
o.l.v. René Jacobs

Harmonia Mundi HMC 902155 • 80' •

 

 


Het was de dirigent Hermann Scherchen - destijds niet alleen bekend als een nijver pleitbezorger voor de toenmalige avant-garde in het algemeen en de klinkende nalatenschap van Arnold Schönberg in het bijzonder, maar ook als een bewerker van oude muziek waaronder een instrumentatie van Bach's Kunst der Fuge - die de ondubbelzinnig hoge kwaliteit van bovengenoemd werk, de Septem Verba a Christo ('Zeven laatste woorden van Christus'), onderkende. We hebben het dan over 1930, het jaar waarin twee manuscripten van deze bijzondere compositie boven water kwamen, maar waarvan het auteurschap toen allerminst vaststond, ook al werd het door de kopiisten toegeschreven aan Pergolesi, de schepper van het alom bekende en geliefde Stabat Mater . Een vurig debat bleef niet uit, maar tot een duidelijke slotconclusie kwam het voorlopig niet. Door de loop der tijden bleven echter andere handschriften van het stuk opduiken met als gevolg dat de discussie dikwijls in alle hevigheid oplaaide. Het zou echter tot 2009 duren alvorens het auteurschap van de Septem Verba definitief aan Pergolesi kon worden toegeschreven. In genoemd jaar ontdekte de muziekwetenschapper Reinhard Fehling een verzameling manuscripten in de kloosters van Kremsmünster en Aldersbach die stuk voor stuk onomstotelijk in de richting van deze Italiaanse muziekvinder wezen en, sterker nog, aantoonden dat niet alleen deze handschriften maar tevens de eerder aan het licht gekomen manuscripten uit een en dezelfde bron afkomstig waren. Fehlings tekstkritische editie, die grotendeels berust op de collectie handschriften uit Kremsmünster, werd door Breitkopf & Härtel uitgegeven. Drie jaar na deze belangrijke ontdekking beleefde het werk - dat Pergolesi vermoedelijk tussen 1730 en 1736 (het jaar van zijn overlijden) schreef - zijn vuurdoop in Beaune in een uitvoering door het gezelschap dat tevens voor de onlangs verschenen en hier gesignaleerde fonografische primeur tekende. De leider van het ensemble, de onvermoeibare René Jacobs - zelf behalve musicus ook een vooraanstaand musicoloog - laat geen twijfel over de authenticiteit van de maker bestaan door er op te wijzen dat het stilistisch gesproken evident is dat niemand anders dan Pergolesi de componist van de Septem Verba a Christo kan zijn. Jacobs baseerde zich bij de totstandkoming van zijn versie grotendeels op de Breitkopf-editie van Fehling maar zocht soms ook zijn toevlucht tot andere bronnen, zoals bijvoorbeeld de manuscripten van Metten en Zürich. Dit laatste vanwege interessantere versieringen in de instrumentale partijen voor de strijkers, met als gevolg een rijker klankbeeld.

Symboliek
Hoe het ook zij, voor Fehlings argumentatie pleit dat deze unieke verzameling van zeven naadloos op elkaar betrokken zijnde cantate's een uiterst coherente indruk maakt en wat meer is: een muziek van een onbetwiste originaliteit bevat die niet alleen typerend is voor de hoogbarok, maar bij vlagen qua dramatiek zelfs vooruitwijst naar de grote opera's van Mozart. Duidelijk is wel dat hier een andere Pergolesi aan het woord is dan die van het Stabat Mater , waarin een fraaie, ronde en door een warmbloedige sensualiteit omfloerste sonoriteit domineert. De klank is in de Septem Verba dikwijls veel rechtlijniger, terwijl het verloop is ingekaderd in een structuur die maakt dat men het totaal bijna als een onafwendbaar muzikaal ritueel ervaart, een effect waaraan het getal zeven - niet voor niets het mystieke getal genoemd - nog een extra dimensie toevoegt. Van kardinaal belang is de centrale gedachte van een uitgebalanceerde dialoog tussen Christus en de ziel van de mens, Anima genoemd. Deze dialoog krijgt per cantate gestalte in twee - in sommige gevallen door recitatieven voorafgegane - en soms behoorlijk uitvoerige da capo aria's van achtereenvolgens Christus en de Anima. Eerstgenoemde wordt door een bas gezongen, met uitzondering van de tweede cantate, waar deze voor rekening komt van de tenor. Wellicht deed de componist dit met de bedoeling om extra te onderstrepen dat hierin naar het Paradijs wordt verwezen en een hoge stem als het ware het onbelast zijn door de zwaarte van de stof beter verzinnebeeldt dan een lage. Althans dat zou de meest waarschijnlijke verklaring zijn, zeker gezien het feit dat het werken met naar theologie en esoterie verwijzende symboliek in de muziek van Bach, Pergolesi en andere tijdgenoten aan de orde van de dag was. De rol van de Anima valt afwisselend toe aan de counter-tenor, tenor en sopraan, teneinde verschillende aspecten van de ziel emotioneel te kunnen belichten. Iedere cantate wordt voorafgegaan door het eigenlijke kruiswoord, gezongen in 'recto tono' (reciteertoon zoals gebruikt in de praktijk - gregoriaans - van de Romeinse liturgie) door de bas. Opvallend in het kamerensemble is het overwicht van strijkers en continuo, met daarin een dankbaar en soms, tijdens de overgangen tussen sommige onderdelen, bewerkelijk aandeel voor harp en luit. Een enkele maal doen twee blaasinstrumenten van zich horen, de hoorn en de trompet, waarmee de componist ongetwijfeld de waardige en koninklijke signatuur van de Christusfiguur heeft willen onderstrepen.

Instrumentaal raffinement
Het karakter van de SeptemVerba maakt dat men het geheel ondergaat als een klank geworden meditatie over de grote universele thema's en levensvragen die zijn verbonden met leven en dood, goed en kwaad, lijden en verlossing en - last but not least - zonden en vergeving. Thema's die niet alleen in het christendom centraal staan maar in elke wereldreligie of geestelijke stroming, het boeddhisme bijvoorbeeld allerminst uitgezonderd. Dat dit stuk mede didactische bedoelingen zal hebben gehad, blijkt uit de aperte voorkeur voor de da capo vorm, waardoor het belang van de over te brengen boodschap extra wordt geaccentueerd. Dit nog afgezien van andere woordherhalingen als gevolg waarvan bepaalde teksten, dan wel tekstdelen echt als een soort 'mantra' gaan werken. De kwaliteit van de uitvering is door de bank genomen zeer goed, vooral bezien vanuit de optiek van het ensemble dat onafgebroken klinkt om door een ringetje te halen. Jacobs is er opnieuw in geslaagd zijn zintuig voor instrumentaal raffinement optimaal in te zetten en dat op zich maakt elke vertolking onder zijn hand tot een juweel. Wat me enigszins verbaasde is het over de gehele linie nogal naar een wat eendimensionaal vibrato en monochroom neigende stemgeluid van de bas/Christus Konstantin Wolff, een geluid dat in een romantische en niet historiserend-georiënteerde vertolking beter had gepast. Het aandeel van de drie andere vocalisten vind ik aanzienlijk overtuigender en meer in lijn liggen met zowel het karakter van als de aanpak door het ensemble. Hoe dan ook, een belangrijke aanwinst voor het paasrepertoire deze pionierende plaatpremière die in termen van weergavekwaliteit in het topklassement thuishoort.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links