CD-recensie

 

© Maarten Brandt, maart 2024

Verein für musikalische Privataufführungen - Gruppo Montebello - Volume 7

Busoni: Berceuse élégiaque op. 42 (bew. Henk Guittart 2022) –

Reger: Vioolconcert in A, op. 101 (bew. voor kamerorkest, Henk Guittart 2019)

Kristian Winther (viool), Gruppo Montebello o.l.v. Henk Guittart.
Et'cetera KTC 1797 • 59' •
Live-opname: aug. 2022, Orlando Festival, Parkstad Limburg Theater Kerkrade (Busoni); Orlando Festival, aug. 2019, Sint Janskerk, Maastricht

www.henkguittart.com

 

Componeren en arrangeren, zijn dit twee bezigheden die als identiek mogen worden beschouwd? Ja en nee. Ja, want in beide gevallen gaat het om ‘samenstellen'. En nee, want het vervaardigen van een arrangement vindt per definitie plaats op basis van iets dat er al is, namelijk de compositie in kwestie die men onder handen neemt. Wat beide begrippen hoe dan ook met elkaar gemeen hebben is dat om ze te kunnen realiseren creativiteit een absolute vereiste is. En dat daarnaast uiteraard moet worden beschikt over gedegen musicologische kennis van zaken, historisch besef en – dit allesbehalve in de laatste plaats – een ver ontwikkelde smaak naast een breed referentiekader. Met daarbij vooropgesteld als credo het zo scherp en helder mogelijk boven water zien te krijgen van de bedoelingen die de componist voor ogen zweven, respectievelijk zweefden tijdens het concipiëren van zijn of haar schepping. Waar nog bij komt dat ‘meer' niet per se een voordeel hoeft te zijn, integendeel. Want ten einde dat ‘meer' – puur vanuit het inhoudelijke aspect geredeneerd – tot stand te kunnen brengen is ‘minder' zonder ook maar de geringste twijfel dikwijls noodzakelijk. Alleen door aan bovenstaande eisen te voldoen komt een destillatieproces op gang dat leidt tot het inzichtelijk worden van de essentie, de kern waar het in een bepaald werk om draait.

Erflater
Het zijn precies deze idealen, waardoor Arnold Schönberg, toen hij in 1918 in het in aanleg conservatieve Wenen de Verein für musikalische Privataufführungen in het leven riep, werd gedreven. Idealen die in ons land in 1978 nieuw leven werden ingeblazen door het uit de boezem van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag ontstane Schönberg Ensemble en waarvan Henk Guittart toen de 'auctor intellectualis' was. Als gevolg hiervan kwamen tal van grotendeels onbekende – maar zeer belangrijke! – composities van de Tweede Weense School en hun ‘Umkreis' voor het eerst tot klinken, terwijl deze gedurende de jaren daarna op diverse elpees in omloop werden gebracht. Als ik het op deze plaats heb over het Schönberg Ensemble dan gaat het over het gezelschap dat zich met nadruk profileerde als erflater van die grote Weense traditie van vernieuwing die de nodige tijd later – en zeker na de fusie met het ASKO Ensemble - moest wijken voor karrenvrachten aan nieuw repertoire, waardoor het aandeel van Schönbergs erfenis gaandeweg een steeds marginaler aandeel in de programmering kreeg. Totdat Guittart later een gigantisch cd-project startte voor het Et'cetera-label met het befaamde Gruppo Montebello. Het is de vrucht gebleken van een lange periode waarin deze allround-musicus wereldwijd zijn studie van Schönberg, zijn tijdgenoten en geestverwanten voorzette en als gevolg waarvan hij nu volkomen terecht tot de grootste kenners van de Tweede Weense School in het algemeen en van de nalatenschap van Schönberg in het bijzonder wordt gerekend en die bovendien het (inmiddels helaas ter ziele gegane) Orlando Festival in Zuid-Limburg tot het meest belangwekkende kamermuziekevenement op deze planeet maakte. Het bleek bovendien de bakermat bij uitstek voor dat cd-project voor het Etcetera-label met het befaamde Gruppo Montebello omdat alle opnamen in het kader van dit grootse, veelomvattende kamermuziekgebeuren (kamermuziek wel te verstaan in de ruimste zin van het woord) en waarvan bovenstaande uitgave de zevende aflevering is, werden opgetekend. En daarmee is het verhaal – gelukkig - nog niet ten einde, want – ondanks de teloorgang van Orlando - staan nog producties op stapel met onder meer adaptaties van Bergs Sieben frühe Lieder, diens Kammerkonzert voor piano, viool en 13 blazers, de Drei Orchesterstücke op. 6 en Schönbergs Vioolconcert op. 36. In transcripties die allemaal, zij het vanzelfsprekend nadrukkelijk op basis van de Wiener Verein-traditie, bewaarheid zijn geworden door de enorme bewerkingsijver van Guittart en die zijner tijd tevens in deze fabuleuze cd-reeks van Et'cetera zullen worden uitgebracht. Dit alles uiteraard ook met de fenomenale musici van Gruppo Montebello.

Historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk
Wie zich verdiept in de geschiedenis van de Wiener Verein, waar geen critici werden toegelaten en het publiek tot op het laatste moment onkundig werd gehouden over het ten gehore te brengen repertoire, kan niet alleen vaststellen dat Schönberg en zijn medeorganisatoren - met Anton Webern als ‘Vortragsmeister' (wat zoveel betekent dat hij verantwoordelijk was voor de repetities en de daarbijhorende problemen) – een zeer brede en ver voorbij de waan van de dag liggende smaak had. Bartók, Zemlinski, Debussy, Mahler, Szymanowski, Reger, Skrjabin, Moesorgski, Bruckner, en noem maar op; allemaal waren ze van de partij, waarbij het op z'n minst opmerkelijk was dat de muziek van de oprichter en zijn twee bekende leerlingen daarin allerminst domineerde. Het was dus bepaald niet louter preken voor eigen parochie, maar het onvoorwaardelijk gaan voor de zaak: het vestigen van een verantwoorde en degelijk – om het in onze huidige termen te vatten – historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk voor de (toenmalige) nieuwe muziek, En daar hoorden evengoed de al dan niet grootschalige composities van Bruckner, Mahler en Reger bij als die van Schönberg cum suis. Deze fantastische traditie is inmiddels als het ware tweemaal ‘gereïncarneerd', in beide gevallen in ons land. Namelijk in eerder genoemd jaar 1978 en aanzienlijk later in het kader van het Orlando Festival, met telkens opnieuw (en nu nog steeds) Henk Guittart als het artistieke geweten, danwel de initiatiefnemer. Natuurlijk zijn er inmiddels ook andere gezelschappen die dergelijke bewerkingen vertolken en opnemen, zoals bijvoorbeeld het Linos Ensemble, maar dat doet aan bovengenoemd feit hoegenaamd niets af.

‘From scratch'
Ruwweg gesproken zijn er twee soorten bewerkingen. Ten eerste die waarbij een vertaalslag plaatsvindt van het symfonische origineel naar een doorgaans kleinschalig ensemble en vervolgens een aanpak waarbij tijdens de totstandkoming van de transcriptie zoveel mogelijk wordt gepoogd de symfonische opzet van de te bewerken partituur te benaderen. Deze cd biedt van dit laatste een zeer indrukwekkend staaltje, want het geheel opent met Busoni's Berceuse élégiaque die Guittart ook op eerste cd van zijn Montebello-serie vastlegde (hier besproken), waarbij hij zich toen baseerde op de binnen de Wiener Verein ontstane adaptatie van Erwin Stein, die hij, Guittart dus, in 2015 op punten herzag. Dit overigens zonder het karakter van Steins arrangement aan te tasten. Wat we in die versie horen is typisch de klank van een klein ensemble waarin met name de strijkers en de klarinet zowel het coloriet als het karakter bepalen. Met andere woorden, Busoni's klaagzang komt echt als een stuk kamermuziek tot ons, en dit door Guittart binnen een zeer uitgebalanceerd tempo tot leven gewekt. Het geval wil echter dat na de nodige jaren Guittart tot de elegie terugkeerde en dit ‘from scratch'. Het minst belangrijke is nog dat hij er nu plusminus een minuut korter over doet. Waar het echter om gaat is dat hij de bezetting van het geheel grondig wijzigde door instrumenten als celesta, hobo, basklarinet, hoorn en een diep resonerende gong toe te voegen. Dusdoende is een totaal ontstaan dat de symfonische opzet (Busoni schreef het stuk voor klein symfonieorkest) zeer dicht nadert. Om slechts één voorbeeld te noemen: de gongslagen. Zowel in Busoni's origineel als Guittarts fascinerende omzetting markeren deze het slot. Wanneer we ons bovendien realiseren dat de componist Berceuse élégiaque in 1909 voltooide en Guittart een dankbare rol heeft toegekend aan instrumenten als hobo en basklarinet, handelde laatstgenoemde daarmee geheel in de geest van die periode, gedurende welke Mahler aan bijvoorbeeld zijn Das Lied von der Erde schaafde. Een werk immers, waarin van vergelijkbare klankkleuren sprake is en dergelijke instrumenten tevens een doorslaggevende rol vervullen. En nu het wonderlijke, Guittart neemt het tempo nu dan wel een fractie gaander dan tijdens de opname van de Stein-versie, juist ten gevolge van die andere, meer duistere en ook gedifferentieerde texturen lijkt het eerder omgekeerd en komt de langzaam wiegende cadans nog imposanter over dan op die oudere cd. Guittart, niet in naam maar wel in praktijk een wetenschapper waarbij menigeen op zijn vakgebied het nakijken heeft, is er wonderwel in geslaagd als musicoloog ín, om niet te zeggen: onder de huid van die emotionele tijd door te dringen.

Reger: een van de grote voorbeelden
En dan last but not least Max Reger, een componist die op cd en via publicaties aanzienlijk meer bekendheid geniet dan in de concertzaal van dit moment, want daar is hij anno nu doorgaans de grote afwezige. In Duitsland is het niet anders. De laatste decennia lag zijn muziek bij de Berliner Philharmoniker – overigens een van de best programmerende orkesten ter wereld, maar dat is weer een ander verhaal – slechts op één concert, gegeven op 24 september 2022 waarop zijn Pianoconcert in f, op.114 en diens Humoreske, op. 20 nr. 1, op de lessenaars. Met een heel klein beetje geluk wil men elders nog wel eens een uitvoering van Regers Mozart-variaties tegenkomen. Zoals Guittart in de toelichting bij deze cd schrijft was dat voorheen wel even anders. Dirigenten van grote faam uit het verleden als Arthur Nikisch, Willem Mengelberg, Felix Mottl en Frits Busch zetten werk van Reger regelmatig op de lessenaars en nadien hebben ook Willem van Otterloo, Karl Böhm, Eduard van Beinum en niet te vergeten Joseph Keilberth en Neeme Järvi diens oeuvre bepaald niet links laten liggen. Maar, geloof het of niet, ook de regionale orkesten in Nederland deden soms mee. Het Gelders Orkest bijvoorbeeld – ik was er als piepkleine jongen bij, daarom herinner ik mij de dirigent niet meer, maar vermoedelijk was het de toenmalige chef Carl von Caraguly – speelde ooit de Romantisch Suite. Nu lijkt de muziek van Reger, geheel ten onrechte overigens, voor menig symfonieorkest eerder een curiositeit. Zoveel is echter wel duidelijk en dat is dat hij voorheen tot de grote canon werd gerekend. Niet voor niets stelde Schönberg naast Bach, Beethoven, Brahms, Wagner en Mahler ten overstaan van zijn leerlingen Reger als een van dé grote voorbeelden nadrukkelijk aan de orde. En net als Brahms was het niet in de laatste plaats Reger die een enorme invloed op de oervader van de Tweede Weense School heeft uitgeoefend. Misschien niet altijd letterlijk of puur stilistisch, maar wel degelijk waar het de omgang met het materiaal betreft. Die invloed is bijvoorbeeld heel goed navoelbaar in Schönbergs Ein Stelldichein (1905) voor hobo, klarinet, viool cello en piano, waarbij echt sprake is van de soort ‘durchbrochene Arbeit' die ook Regers omgang met het vocabulaire zozeer kenmerkt. Het is een in wezen klassieke techniek die in de Romantiek – en dus ook bij Reger – een hoge vlucht nam en waarbij verschillende instrumenten elkaar binnen de articulatie van een melodielijn afwisselen. Een lijn, die op haar beurt ook weer uit kortere melodische frasen of zelf motieven kan zijn samengesteld, en waar doorheen – en dat is mede heel regeriaans – een hoofdstem heen is gevlochten, en uiteindelijk – zij het op een niet-wagneriaanse wijze – nogal eens de indruk van een ‘unendliche Melodie' ontstaat. Heel karakteristiek, althans in mijn beleving, is dit het geval in Regers uit 1908 stammende Vioolconcert op. 101, zijnde een van de meest grootschalige composities in dit genre. Ik heb de originele orkestrale versie nooit in de concertzaal gehoord, maar wel de gedenkwaardige uitvoering van het arrangement dat violist Rudolf Kolisch (primarius van het befaamde Kolisch Quartett die zijn transcriptie in 1922 ten doop hield) voor de Wiener Verein van deze compositie maakte. En wel in de Arnhemse concertzaal Musis Sacrum in 1990 door het Schönberg Ensemble onder leiding van Reinbert de Leeuw en met als solist de legendarische Rainer Kussmaul (het werk was toen 46 jaar lang niet in ons land verklankt! Ongelooflijk maar waar!).

Referentie voor toekomstige opnamen
Regers Vioolconcert is een heidens moeilijk werk dat ooit door niemand minder dan de, let wel, 17-jarige Adolf Busch uit het hoofd in aanwezigheid van de componist is gespeeld. Dezelfde Busch die naam zou maken met het naar hem vernoemde Busch Quartett. Ik herinner me nog hoe ik toen in de Gelderse hoofdstad met name diep onder de indruk was van het langzame deel, geschraagd door een ondefinieerbaar soort melancholie die lichtjaren ver is verwijderd van de zich op het hart van de tong bevindende tragiek van Mahler. Want ook zoveel is zeker, Mahler en Reger waren weliswaar tijdgenoten, maar hun taal verschilde wezenlijk van elkaar. Hoe het ook zij, Guittart zou Guittart niet zijn als hij Kolisch' bewerking niet opnieuw aan zijn zowel stoffelijke als spirituele oog de revue zou laten passeren. En daarbij kwam hij tot de conclusie dat, naast enkele andere wijzigingen, de hobo niet mocht ontbreken. Zo ontstond een fantastische adaptatie, waarin de beste elementen van Kolisch' en Guittarts eigen inzichten naadloos met elkaar zijn verbonden en opnieuw de indruk ontstaat dat hier echt sprake is van een symfonisch concert. Een geheel dus waarin solist en orkest op een volstrekt evenwaardige wijze in het doorwrochte discours zijn betrokken en men de grotere orkestbezetting van wat Reger ons heeft nagelaten geen seconde mist. Dat dit vioolconcert niet enorm populair is valt in zoverre te begrijpen dat men, om het even welke versie men uitvoert, wel van zeer goeden huize moet komen om deze complexe partituur recht te doen. Maar in het bereiken van dit hoog gestelde doel slaagden alle executanten in 2019 wonderwel en dit zodanig dat het lijkt alsof we met en op en top repertoirestuk te maken hebben. Mede dankzij de opname en de ambiance waarin deze werd vastgelegd komen alle noten van deze partituur kraakhelder voor het voetlicht: elke frase is niet alleen gekend, maar bovenal ook doorleefd. En Kristian Winther is de gedroomde protagonist voor dit werk. Zijn zilverachtige en toch nooit aan kracht inboetende toon staat garant voor een betoog dat je de adem doet inhouden. Tel daarbij op dat de leden van Gruppo Montebello van A tot Z onder Guittarts soevereine leiding in een voorbeeldige balans verkeren met de solist en het is duidelijk dat we deze vastlegging van Regers wonderbaarlijke en raadselachtige concert gerust als de definitieve mogen beschouwen en als zodanig als de referentie bij uitstek voor toekomstige opnamen, gesteld dat die er nog zullen komen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links