CD-recensie

 

© Maarten Brandt, oktober 2021

Messiaen: Huit préludes – Fantaisie burlesque – Pièce pour le tombeau de Paul Dukas – Rondeau – Cantéyodjayâ – Quatre études de rythme – La fauvette des jardins

Ciro Longobardi (piano)
Piano Classics PCL 10202 • 149' • (2 cd's)
Opname: september 2020 en februari 2021, Artesuono Recording Studios, Cavallico, Udine (I)

   

Olivier Messiaen (1908-1992) mag zo langzamerhand wel tot de meest klassieke componisten van de afgelopen twintigste eeuw worden gerekend. Klassiek in de zin van een boven om het even welke twijfel verheven en daardoor onaantastbare statuur. Een figuur die onlosmakelijk met de grote traditie is verbonden en die, om ons nu tot diens pianomuziek te beperken, als een waardige erflater kan worden beschouwd van voorgangers van onbetwiste reputatie als Chopin, Liszt, Debussy en Ravel. En die het daarom ook op en top verdient – om niet te zeggen dat dit de meest vanzelfsprekende zaak van de wereld zou moeten zijn – om broederlijk met de hiervoor genoemde grootmeesters te worden geprogrammeerd, opdat zowel vriend als vijand van deze muziek met de klinkende nalatenschap van deze eminente ‘musicien Français' in aanraking komen. En dit liefst met een even vaste regelmaat als dit anno tegenwoordig met de composities van Beethoven, Schubert en Schumann, om slechts enkele andere grote voorbeelden te noemen, het geval is. In diepste wezen was Messiaen natuurlijk een romanticus van het zuiverste water en niet voor niets noemde de ongekroonde koning van onze vaderlandse muziekjournalistiek (een discipline die inmiddels grotendeels ter aarde is besteld) Hans Reichenfeld hem in het Algemeen Handelsblad ooit terecht ‘een Bruckner van de twintigste eeuw'. Dit naar aanleiding van een uitvoering van Messiaens Et exspecto ressurectionem mortuorum (1964) voor blazers en slagwerk door het Concertgebouworkest onder leiding van Bernard Haitink (jawel tijdens een gewoon abonnementsconcert en geflankeerd door Haydns Symfonie nr. 104 en Beethovens Vijfde pianoconcert).

Revolutie
En dan hebben we het over dezelfde Messiaen bij wie de grote voormannen van de avant-garde, te weten Pierre Boulez, Karlheinz Stockhausen en Iannis Xenakis hun licht hebben opgestoken en sterker nog, die onbedoeld de aanzet heeft gegeven tot het serialisme. En wel door de tweede van zijn Quatre études de rythme met de benaming Mode de valeurs et d'intensités. Nu was Messiaen al geruime tijd voor de periode 1948-50 - toen hij deze pianostukken schreef - met modale reeksen in de weer, te weten de zogenaamde ‘modes à transposition limitée' en waarbij het geheel zich tot het verschijnsel toonhoogte beperkte. Zulks met als resultaat een soort verwijde messiaense tonaliteit van een op slag herkenbaar karakter, waardoor een groot deel van zijn oeuvre, de vroege werken allerminst uitgezonderd, wordt bepaald. Maar voor de aardigheid wilde de componist het modale beginsel ook eens op andere parameters loslaten, door het reeksen-principe van het muzikale discours toe te passen op fenomenen als dynamische sterktegraden, toonduren, aanslagmanieren en wat dies méér zij. Dit bracht een weliswaar kortdurende, maar daarom niet minder vergaande revolutie teweeg die zou culmineren in Boulez' Structure nr. 1A pour deux piano's (1951/52), waaraan de reeks van die tweede Messiaen étude mede ten grondslag ligt en tot op het bot is doorgestructureerd. Wie enigszins thuis is in het reilen en zeilen in Darmstadt gedurende de aldaar jaarlijks lange tijd gehouden Ferienkurse weet maar al te goed waarover het gaat. En hoe op den duur hieruit, doordat nogal wat tegenstanders - en niet in de laatste plaats die in ons land (en dit tot op de dag van vandaag) – een heuse mythologie in het leven riepen met als uitkomst bijvoorbeeld het beeld van Boulez als een schepper van een dorre en steriele toonkunst. En dan te bedenken dat het uitgerekend laatstgenoemde was die er bij herhaling op heeft gewezen dat de reeksmatige fase in zijn leven – door hem ‘Stunde Null' genoemd – in feite maar heel kort heeft geduurd. Of om met oud muziekscribent Ernst Vermeulen te spreken in formele zin “slechts één nacht”, om precies te zijn die waarin Boulez zijn 1A voltooide.

Eresaluut
Met dit alles in het achterhoofd was het opnieuw boeiend een gloednieuwe vertolking van die vier études te horen en speciaal die tweede. Ciro Longobardi speelt ze kraakhelder en heel analytisch, maar toch mis ik – hoe fraai op deze cd vastgelegd ook – met name in Mode de valeurs et d'intensités iets van de fascinatie van die oude verklanking door Messiaens tweede echtgenote Yvonne Loriod (Vega) die er niet alleen een iets sneller tempi op nahoudt, maar waar bovendien ook het enerverende van het tijdsgewricht duidelijker in doorklinkt en dit met een zekere ruigheid zelfs. De overige drie études klinken onder de handen van Longobardi heel wat opwindender. Maar wat die tweede étude betreft; hoe doordacht en berekend ook, voor wie het horen wil bezit ook deze muziek dus wel degelijk de nodige passie, en die ontbreekt ietwat in het spel van Longobardi. Veel meer tot de verbeelding sprekend ervoer ik diens pleidooi van La fauvette des jardins uit 1970 waar de vervoering in de aanpak van deze pianist wel degelijk aanwezig is. Hoewel het in dit geval een soort late toevoeging betreft aan de Catalogue d' oiseaux (1956-58) hoeft men niet ornithologisch geschoold te zijn om door dit maar liefst ruim 28 minuten durende brok muziek gefascineerd te raken. Hadden we het net over de invloed van Messiaen op Boulez, in La Fauvette dat uit 1970 dateert, is het omgekeerde het geval, althans in mijn beleving. Bij herhaling kreeg ik tijdens het beluisteren ervan associaties met Structures II pour deux piano's (1961), waarin op een gegeven moment in de discant van een van de pianisten halsbrekende cascades optreden. Niet dat in het geval van Messiaen van een letterlijke ontlening sprake is, maar wel degelijk van een stijlcitaat. Of dit bewust dan wel onbewust is geschied is en blijft natuurlijk een open vraag, maar het heeft wel iets van een eresaluut van de ene meester naar de andere. Waar nog bij komt dat de wereldpremière van Boulez tweede boek Structures voor rekening kwam van hemzelf en…Yvonne Loriod!

Affiniteit met Debussy, Ravel en Fauré
Voor het overige bevat deze productie ouder werk van de meester, waaronder de weinig bekende Fantaisie burlesque  (1932), Pièce pour le tombeau de Paul Dukas (1935) en Rondeau (1943), werken die bij mijn weten slechts zelden zijn opgenomen – maar wel door Yvonne Loriod - en waarin en waarin de affiniteit met niet alleen Debussy en Ravel, maar ook die met Fauré zonneklaar doorklinkt. Longobardi heef hoorbaar veel op met deze kant van Messiaen, zoals tevens blijkt uit zijn weergave van de Huit préludes (1928-29)waarvan de melancholieke ondertoon heel raak is getroffen.

Cantéyodjayâ (1948) is weer een ander verhaal. Een intrigerend ritmisch gegeven staat in het middelpunt van een collageachtige opzet van bonte en contrasterende ideeën. Dit alles levert een meeslepende om niet te zeggen hartstochtelijke en door Longobardi riant tot leven gewekte muziek op, waarin zowel westerse Indiase als hindoestaanse ingrediënten, hoe geabstraheerd ook, een fundamentele rol spelen. Het is een klanktaal die niet zelden verwant is te noemen met de Turangalîla-symfonie (1946-48) waarin ook delen zijn, die een vergelijkbare opzet kennen als Cantéyodjayâ. De opname van deze productie is schitterend, mede ook vanwege het gebruikte instrument, zijnde de Fazioli F278 mk III, die bekend is om zijn helderheid en enorme dynamische bereik, maar gevrijwaard is van onverschillig welke wolligheid. Door dit alles ontgaat de luisteraar niets van het ultiem rijke klankpalet van Messiaen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links