CD-recensie

 

© Maarten Brandt, november 2014

 

Mahler: Symfonie nr. 9 in D
(bewerking voor kamerensemble door Klaus Simon)

Camerata RCO o.l.v. Gustavo Gimeno

Gutman Records 82' (2 cd's)

Opname: 27-29-juni 2014, MCO Hilversum

www.camerata.rco.com

www.gutmanrecords.com

 

In 1918 richtte Arnold Schönberg in het nabij Wenen gelegen stadje Mödling de Verein für musikalische Privataufführungen op die tot 1921 heeft bestaan. Het woord 'privat' zegt het al, want wat Schönberg met deze instelling beoogde was het creëren van een vrijplaats voor de toenmalige eigentijdse muziek, en wel in de vorm van een besloten vereniging waar men slechts als lid of genodigde toegang toe had en waaruit critici met strikte hand werden geweerd. Uiteraard valt een en ander niet los te zien van de talrijke in schandalen culminerende uitvoeringen waarop werk van Schönberg en zijn leerlingen werd gespeeld , met als meest sensationele happening het beruchte concert van 31 maart 1913 (ja, u leest het goed hetzelfde jaar als dat waarin Stravinsky's Le sacre du printemps te Parijs zijn vuurdoop beleefde) in Wenen, bij welke gelegenheid Schönberg - naast muziek van Mahler, Webern, Zemlinski en hemzelf - de wereldpremière van twee van Bergs Altenberglieder dirigeerde. Of wat daarvoor doorging, want de uitvoering kon vanwege het ten gevolge hiervan ontstane tumult van de zijde van het publiek niet tot een goed einde worden gebracht en sterker nog: de chaos was dermate compleet dat het niet meer kwam tot de daarna geplande vertolking van Mahlers Kindertotenlieder. Inmiddels was namelijk de politie gearriveerd en werd de zaal volledig ontruimd.

Canon
Hoe het ook zij, met het oog op eerdergenoemde Verein für musikalische Privataufführungen en het feit dat men slechts over karige financiële middelen beschikte en voorts uiteraard niet kon terugvallen op het muzikale establishment, waaronder de symfonieorkesten en gevestigde kamermuziekgezelschappen, werd door Schönberg en zijn geestverwanten menige bewerking van eigentijdse composities vervaardigd voor piano-vierhandig, twee piano's en kleinschalige ensembles. Tevens van stukken die nu al sedert jaar en dag tot de canon van het ijzeren repertoire behoren, want ook muziek van Debussy, Bartók, Ravel en zelfs Bruckner en Mahler behoorde nog allerminst tot die canon. In welk verband het interessant is op te merken dat toen Mahler in 1911 stierf, Schönberg al menige baanbrekende partituur had voltooid, daaronder de Erste Kammersinfonie, opus 9, de Fünf Orchesterstücke, opus 16 en het monodrama Erwartung, opus 17. Bovendien is het allerminst toevallig dat hij in het laatste van zijn Sechs kleine Klavierstucke, opus 19 (geschreven in Mahlers sterfjaar) een ontroerende en verstilde hommage brengt aan zijn (en ook Berg en Weberns) grote idool.

Verschil
Met deze kennis in het achterhoofd heb ik geluisterd naar de net verschenen cd-uitgave met de bewerking door Klaus Simon van de Negende symfonie van Mahler. Ik denk dat de toenmalige Verein - althans, muzikaal gesproken, want de formatie is nu niet bepaald kleinschalig - zeer in zijn sas zal zijn geweest met dit resultaat. Want het opvallende is dat deze transcriptie voor zestien musici (waarbij de strijkers eventueel kunnen worden verdubbeld, wat hier niet is geschied; we horen hier een strijkkwintet) vooral waar het om de tutti gaat (en er, behalve harmonium en piano, spaarzaam slagwerk wordt ingezet: grote trom, bekkens, triangel en klokkenspel) het verschil met de oorspronkelijke versie voor symfonieorkest soms verwaarloosbaar gering is. Wat dat laatste betreft is het boeiend deze adaptatie te vergelijken met de bewerking door de Japanner Kazunori Seo voor 12 musici die via YouTube is te horen en die bij vlagen een heel ander beeld geeft, juist ook door het ontbreken van het slagwerk en niet te vergeten het feit dat de blazers door Seo zijn beperkt tot fluit, hoorn en klarinet, terwijl Simon opteert voor fluit afwisselend piccolo, hobo afwisselend Engelse hoorn, 1 e klarinet afwisselend Es-klarinet, 2 e klarinet afwisselend basklarinet, fagot, trompet en twee hoorns. Met andere woorden, de aanzienlijk soberder uitgevallen editie van Seo spoort qua bezetting en omvang sterker met de mogelijkheden die de Verein destijds tot zijn beschikking had.

Zintuig
Dit neemt allemaal niet weg dat de vertolking van Simons omzetting met de Camerata RCO onder supervisie van Gustavo Gimeno een waar feest voor het oor is. Niet alleen omdat de musici van het RCO zonder uitzondering Mahler diep in hun geestelijk DNA hebben zitten, ook omdat Gimeno een enorm dirigeertalent is, die de kunst verstaat de spanningsbogen over lange afstanden te projecteren en wat het meest belangrijk is: onafgebroken recht overeind te houden. Hij doet dat precies met de vereiste Weense flair en een ultiem open zintuig voor de fin du siècle-geest waar deze muziek tot in haar kern van is doortrokken. Wie het om de verschillen tussen het origineel en Simons bewerking gaat zal het meest worden getroffen door het derde en vierde deel. De polyfonie in de Rondo burleske met al haar scherp getrokken lijnen en weerbarstige botsingen daartussen komt bij Simon heel direct over en wat meer is: heeft iets ongekend genadeloos als gevolg waarvan de afstand tussen Mahlers 'herbe' klanktaal en de vernieuwingen van Schönberg opeens veel kleiner lijkt. In het Adagio trof me de combinatie van een intimiteit en kaalheid, waardoor er soms associaties kunnen ontstaan tussen deze zwanenzang en de late strijkkwartetten van Beethoven. Iets wat nog wordt versterkt door de enorme concentratie die de musici van de Camerata RCO en Gimeno hier weten op te brengen en dat is op zich genomen adembenemend. Samenvattend: als het om de bewerking van een werk als de Negende Mahler gaat zeker niet het laatste woord, maar wel superieur uitgevoerd en opgenomen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links