CD-recensie

 

© Maarten Brandt, december 2008


 

Mahler: Symfonie nr. 5 in cis.

Koninklijk Concertgebouworkest
o.l.v. Mariss Jansons.

RCO Live 08007 • 71' • (sacd)

 

 

 

 


Op deze site is meer dan eens geschreven over de plussen en vooral de minnen van de uitgaven op het RCO-label van het Koninklijk Concertgebouworkest, speciaal bezien vanuit opnametechnisch standpunt Zo verdient de uitgebrachte vertolking van Mahlers Zesde symfonie door dit gezelschap onder zijn chefdirigent Mariss Jansons in laatstgenoemd opzicht bepaald geen prix d'excellence. Heel anders liggen de papieren bij de verklanking van (Richard) Strauss Eine Alpensinfonie (klik hier voor de bespreking) door dezelfde combinatie. Naast de studio-opname van het KCO onder Bernard Haitink (Philips) van dit symfonische gedicht bestaat er geen registratie van dit opus waarin de gulden, om niet te zeggen fraaie ouderwets eikenhouten sonoriteit van het lage koper zo ongekend mooi uit de luidsprekers komt.

Redenen temeer dus om de live tijdens concerten in oktober 2007 en januari 2008 vereeuwigde uitvoering van Mahlers Vijfde symfonie met Jansons en de zijnen met grote belangstelling tegemoet te zien. En het resultaat mag er zijn, ook al wordt het superieure niveau van de Strauss-cd net niet gehaald. Maar† in vergelijking met de Zesde komt deze uitvoering van de Vijfde op je over als een weldadig warm bad, hetgeen trouwens helemaal strookt met Jansons' kijk op deze, naast de Eerste en de Vierde, meest populaire Mahler-symfonie. Opmerkelijk is bovendien dat het KCO met zijn enorme Mahlertraditie, deze nieuwe uitvoering inbegrepen,† maar liefst vier als een huis recht overeind staande lezingen van dit werk het licht heeft doen zien. In chronologische volgorde zijn dat die onder Kubelík (jaren '50 uitgebracht op Tahra), Haitink (1970, Philips later in SACD/multichannel formaat heruitgebracht op Pentatone), Chailly† (jaren 90, Decca) en nu dus Jansons. Lezingen die hemelsbreed van elkaar verschillen, - wat bij Mahler gezien niet alleen zijn muzikale maar tevens ook expressieve gelaagdheid geenszins mag verbazen - maar ieder voor zich bestaansrecht hebben. Sloot Kubelík sterk aan bij de lyrisch-bewogen en klassiek/strakke opvatting van Bruno Walter (Sony, de eerste volledige commerciŽle opname van de symfonie in kwestie), Haitink zocht het vooral in een scherpgeŽtste en soms ongekend stoere (hoornsolo van de onlangs overleden Jan Bos in het Scherzo!) benadering, terwijl Chailly de noten op een objectieve, onderkoelde maar daarom niet minder ongenaakbare wijze tot leven wekte.

Jansons' opvatting levert met de al genoemde Haitink-vertolking, die op zich (zeker in de Pentatone-versie, waardoor de bedoelingen van opnameleider Jaap van Ginneken voorbeeldig tot hun recht komen) onovertroffen blijft, een enorm contrast op en komt dankzij de in de goede zin des woords Mercedez-Benz achtige luxueuze sonoriteit nog het dichtst in de buurt van de fameuze Karajan vastlegging (DG, zijn eerste commerciŽle Mahleropname), zij het dan voorzien van een nog ruimere dynamisch spectrum. Jansons laat de muziek binnen een dikwijls brede stroom - in tegenstelling tot het Adagietto dat bij hem onder de tien minuten blijft, als gevolg waarvan hij het door Mahler bedoelde tempo dichter benadert dan veel (de meeste!) van zijn collega's - voor zichzelf spreken en verliest zich nooit in de holle vaten aanpak die bijvoorbeeld Gergiev met zijn zevenmijls laarzen Mahler-cyclus op LSO live ten toon spreidt.

Nee, alles wat we hier horen is van een zeldzaam hoog en in de meest positieve zin des woords gecultiveerd niveau. Met name het rijke contrapunt waar deze symfonie van is doordesemd (tweede deel) komt in de interpretatie van Jansons haarscherp naar voren, zonder dat het geheel kil of analytisch wordt, want de vervoerende onderstroom is onafgebroken aanwezig. Zij het dat Jansons niets moet hebben van bovenaf opgelegde en laat staan geforceerde gebaren en die houding siert hem en maakt hem in dat opzicht bovendien verwant met Haitink, ook al is zijn klankideaal duidelijk anders en veeleer op versmelting ingesteld dan bij zijn voorganger.

Een verhaal apart is de schitterend gerealiseerde hoornsolo, waarbij dankzij de uitstekende - en mooi natuurlijk gespreide stereofonische - weergave de plaatsing van hem ten opzichte van zijn medekompanen ideaal is: alsof je er in de zaal bij bent.† Mijn enige kritiek geldt het laag van de opname waar dit het slagwerk (grote trom, tamtam) betreft, waardoor de zaak een enkele maal weleens uit balans dreigt te geraken zoals bij de slotclimax van het tweede deel, waar een te resonerende klank de overhand heeft. Daar staat tegenover dat het verzadigde (maar nooit dikke) en warmbloedige geluid van het strijkercorps van een oorstrelende allure is. Ondanks mijn kleine kanttekening is dit een uitgave waarmee het Koninklijk Concertgebouw Orkest en zijn huidige chef andermaal bewijzen tot de crŤme de la crŤme te behoren waar het gaat om het koesteren van de mondiale Mahlercultuur


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links