CD-recensie

 

© Maarten Brandt, maart 2020

Lutoslawski: Symfonie nr. 1 - nr. 4 – Jeux vénitiens

Finnish Radio Symphony Orchestra o.l.v. Hannu Lintu
Ondine ODE 1320-5 • 57• (sacd)

* * *

Lutoslawski: Symfonie nr. 2 - nr. 3

Finnish Radio Symphony Orchestra o.l.v. Hannu Lintu

Ondine ODE 1332-5 • 62 • (sacd)

Opname: Helsinki Music centre, december 2017 (nr. 4); maart 2018 (nr. 1); mei 2018 (Jeux); november 2018 (nr. 2 & 3)

   

Wie bijvoorbeeld geabonneerd is op Spotify zal verbaasd staan over het feit hoeveel cd-producties met werk van wijlen de nestor der Poolse avant-garde Witold Lutoslawski (1913-1994) daarop zijn te vinden. Dit terwijl de laatste tijd in verreweg de meeste concertzalen zijn composities niet dikwijls op de lessenaars prijken, met uitzondering van de Berliner Philharmoniker onder leiding van zijn voormalige chef-dirigent Sir Simon Rattle, toen Lutoslawski's muziek gedurende een van de seizoenen als een rode draad door de programmering was heen geweven. Wat ons land betreft moeten we aanzienlijk verder teruggaan in de geschiedenis, om precies te zijn naar de jaren zestig toen de componist op uitnodiging van de toenmalige artistiek leider van het Concertgebouworkest Marius Flothuis bij herhaling werd uitgenodigd om in ons land eigen werk te introduceren. Iets wat niet zonder gevolgen is gebleven, aangezien Lutoslawski (wat ook het nodige over hem zelf zegt) zich bepaald niet te min voelde tevens zijn opwachting te maken bij regionale ensembles als Het Brabants Orkest en het Noordelijk Filharmonisch Orkest om er programma's met zijn muziek te dirigeren. En vergis u niet, daarbij beperkte het repertoire zich allerminst tot zijn meest bekende opus, het Concert voor orkest (1954), maar klonken tevens stukken als ‘Livre pour Orchestre' (1968), het Celloconcert (1970) en het voor het Concertgebouworkest geschreven ‘Mi parti' (1976). En welke Lutoslawski-fan herinnert zich niet zijn onvergetelijke optreden met het Radio Filharmonisch orkest in februari 1979 in achtereenvolgens Rotterdam en Amsterdam, met onder andere de Nederlandse vuurdoop van het voor bariton Dietrich Fischer Dieskau geschreven (en bij die gelegenheid ook door hem gezongen) symfonische lied ‘Les espaces du Sommeil' en een dusdanig verpletterende uitvoering van de Tweede symfonie dat die zelfs nu nog in mijn geheugen na-ijlt!

Geboren pedagoog
Dat Lutoslawski zowel op enorm veel respect kon rekenen van de zijde van de top-orkesten als bijvoorbeeld van sommige regionale orkesten in den lande en daarbuiten* valt voor een niet onaanzienlijk deel terug te voeren op zijn aristocratische en ontwapenende karakter, waarmee hij vriend en vijand van de toenmalige actuele muziek achter zich wist te krijgen. Dit zodanig dat de musici voor hem door het vuur gingen. Daarbij sprak Lutoslawski smetteloos Frans, Duits en Engels. En wat meer is, bleek hij in staat om allerhande technische details in de eenvoudigst denkbare bewoordingen te kunnen verduidelijken. Ik herinner me nog als de dag van gisteren hoe ik samen met hem gebogen zat over de partituur van zijn toen net gereed gekomen Derde symfonie (1983), waarover ik in verband met de Nederlandse première van dit stuk door het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder leiding van Simon Rattle een inleiding moest verzorgen. Hij loodste mij als een geboren pedagoog door het werk heen en beantwoordde met engelengeduld al mijn vragen, en domme vragen bestonden voor hem eenvoudigweg niet.

Witte raven
Ik zei het al, de discografie van Lutoslawski's componeren liegt er qua omvang allerminst om, waarbij ook wat de symfonieën betreft een behoorlijk ruime keus bestaat. Natuurlijk blijven de EMI- (Symfonieën nr. 1 en 2 ) en Philips (Symfonie nr. 3, we bezitten jammer genoeg geen registratie van de Vierde onder hem) opnamen onder Lutoslawski zelf altijd een verhaal apart, ook al kunnen die zuiver opnametechnisch niet wedijveren met het niveau van wat wij vandaag de dag zijn gewend. Hoe het ook zij, de uitvoeringen onder Esa-Pekka Salonen (Sony) komen me nu toch echt te gelikt over, meer in het bijzonder ook van de Tweede symfonie, waar men helaas de vereiste weerbarstigheid mist. Hoe dan ook, de vergelijking met Antoni Wit (Naxos), Edward Gardner (Chandos) en Ratlle (DG) kan deze Finse dirigent daarom niet meer doorstaan. En dan zijn er nu de vertolkingen door het Finnish Radio Symphony Orchestra en zijn voorbeeldige chef Hannu Lintu die in seizoen 2017/2018 niet alleen alle vier symfonieën plus Jeux vénitiens van de Poolse meester uitvoerde tijdens de gewone abonnementsconcerten – dus precies zoals het hoort en gelukkig niet ondergebracht in ghetto-programma's, hulde! – maar deze tevens voor cd vastlegde. Lintu staat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet op het lijstje van begeerde chef-dirigenten van het Koninklijk Concertgebouworkest, maar behoort zonder meer tot die witte raven op wie onmiskenbaar duidelijk het adagium van Alban Berg van toepassing is en wel dat men klassieke muziek moet spelen of zij modern is en moderne muziek of zij klassiek is.

Ethos
Ziehier een ethos dat je iedere dirigent, jong of oud, van harte zou toewensen en dat in niet geringe mate kan bijdragen tot een verbreding van het symfonische repertoire dat door allerlei en al dan niet commerciële omstandigheden steeds beperkter wordt. Lintu is een uitermate veelzijdige dirigent die een ongekend breed repertoire beheerst en dit op het hoogst denkbare niveau voor het voetlicht weet te brengen. Zowel voor de klinkende nalatenschap van zijn landgenoten als de internationale eigentijdse muziek breekt hij een lans en, wat méér is, alsof dit laatste de meest vanzelfsprekende zaak van de wereld is. En dat zou het elders ook moeten zijn.

Maar nu terug naar Lutoslawski. Aan de hand diens het integrale symfonische oeuvre valt zijn creatieve ontwikkeling haarscherp te volgen. Wat alle werken, naast een dikwijls bruisende vitaliteit en een perfect sluitende dramaturgie met elkaar gemeen hebben is de extreem sterk tot de verbeelding sprekende instrumentatie. Simon Rattle zei het in een interview heel treffend: “His music jumps from the pages!” In de Eerste en nog uit zijn neoklassieke fase daterende symfonie (1947) is het al meteen raak. Natuurlijk is het duidelijk hoezeer Roussel, Bartók, Szymanovski (en af en toe een vleugje Prokovjev) deze meeslepende en virtuoze muziek hebben beïnvloed, maar niettemin is de toon onmiskenbaar eigen, met een schitterend langzaam deel waarin de ernst van het door het communisme opgelegde isolement zeker een factor van belang moet zijn geweest. Net zoals de tragiek die in de voorlaatste episode van de Derde symfonie doorklinkt ook associaties zou kunnen wekken met de politieke omstandigheden van dat bewuste moment, want ook in 1983 was alles in Polen geenszins koek en ei. Aan de andere kant heeft Lutoslawski er tijdens menig gesprek dat ik met hem mocht voeren altijd met klem op gewezen – en daarin is hij verwant met Stravinsky die meende dat muziek niets kan uitdrukken dan zichzelf – dat muziek voor hem juist door haar abstractie het toevluchtoord bij uitstek voor hem is, maar ook dat het de luisteraar volstrekt vrijstaat er bij te denken wat hij of zij wil.

Overrompelende ervaring
De Tweede symfonie (1966/67) is, zoals u ook elders op onze site kunt lezen, zijn meest radicale werk. Een geheel waarin het verticale en horizontale verloop volstrekt inwisselbaar is en er op een non-seriële wijze gebruik wordt gemaakt van het totale chromatische arsenaal. Een geheel bovendien, waaruit thematisch-melodische operaties met strikte hand zijn geweerd. Met dien verstande dat bepaalde motiefkernen bepalend zijn voor de belangrijke harmonische kantenpunten binnen het verloop. Daarnaast is deze Tweede symfonie naast het Strijkkwartet (1964) het werk waarin het geleide toeval het verst is doorgevoerd, ook al ligt de notentekst van A tot Z vast. De grootste troef echter die Lutoslawski hier uitspeelt is dat het op basis van een op zich genomen extreem radicale vormopvatting mogelijk is een muziek te schrijven die dermate dramatisch is dat – gesteld dat men zich daar onbevooroordeeld voor wil openstellen – het resultaat niet minder dan een overrompelende ervaring is. Om het anders uit te drukken wat de Tweede symfonie in het oeuvre van Vermeulen is en de Drei Orchesterstücke in dat van Berg is deze Tweede symfonie in het componeren van Lutoslawski. Dit is echt zo'n werk dat maar eenmaal geschreven kan worden en daarom een unieke plaats in de muziekgeschiedenis inneemt, net zoals dat, om nog een opus met een vergelijkbare status te noemen, ondubbelzinnig opgaat voor Ligeti's ‘Atmosphères' met zijn hallucinerend mooie klankwolken waarop Lutoslawski in ‘Direct' (het naadloos bij het eerste aansluitende tweede deel van deze symfonie) op een niet-citerende manier naar verwijst.

Versmelting
In de Derde symfonie komt het tot een hoogst originele versmelting van de hiervoor kort aangestipte aanpak en een gebruik van niet alleen polyfone elementen maar ook een vrije parafrase over het sonatevorm-principe. Hoewel het werk uit meerdere episodes is opgebouwd wordt de grote middenmoot van het totaal geschraagd door een drieledig geheel waarin onmiskenbaar duidelijke melodische ingrediënten een vitale rol spelen. Kenmerkend is ook een tragisch getinte episode, die vlak voor de vol grandeur stekende coda de revue passeert en die als een soort catarsis fungeert na het dramatische hoogtepunt van de middelste en langste geleding van de symfonie. Hoewel aleatorische elementen soms nog duidelijk manifest zijn, vervullen ze een minder dominerende rol dan in de Tweede symfonie. Dankzij dat middengedeelte met die – overigens allesbehalve neoklassiek getinte – toespeling op dat sonate- of hoofdvormidee, is de Derde symfonie de relatief de meest geprogrammeerde van het viertal en behoort dit werk terecht tot de canon van het grote 20ste-eeuwse repertoire, ook al zou dit stuk nog veel meer uitvoeringen verdienen dan nu het geval is.

Gewichtloosheid
In de Vierde symfonie (1992) is de aleatoriek nog meer naar de achtergrond verdwenen. Met haar speelduur van ruim 20 minuten is zij de kortste van Lutoslawski's symfonische oeuvre. Het werk kent een elegische grondstemming en het melodische polyfone element treedt hier minstens zo sterk op de voorgrond als in de Derde. De prachtige klarinetsolo waarmee de symfonie begint zal zelfs de meest verstokte eigentijdse muziekhaters weten te ontroeren. In een bepaald opzicht grijpt de componist in de voorlaatste sectie terug op de passacaglia uit de finale van zijn Concert voor orkest, zij het dat het hier draait om een buitengewoon ingenieus geheel dat uit drie ritmische lagen is samengesteld en waarvan de notenwaarden in een steeds meer vergrote vorm aan de dag treden als opmaat tot de grote climax van de symfonie, die echter plotseling afbreekt. Wat dan volgt is een geheimzinnige alsmede op en top verstilde bijna dood ervarings-muziek, een klinkende belichaming van een volledig ontheven zijn aan het aardse, een ondefinieerbare gewichtsloosheid, totdat de ultiem korte en markante coda ons weer met beide benen op de grond doet aanbelanden.

Wonderen
Ik had het reeds eerder over enkele aspecten wat deze symfonieën bij alle evidente verschillen met elkaar delen: een perfecte timing van alle gebeurtenissen (of ‘events' zoals Lutoslawski dat zou noemen) hoort daar nadrukkelijk ook bij. Dit is hét kenmerk van de dramaturgie die als basis dient voor al zijn werken. Lintu en zijn formidabel spelende Finse Omroeporkest voelen dit helemaal aan en verrichten van begin tot eind ware wonderen. Neem de Tweede symfonie waarvan het eerste deel niet voor niets ‘Hésitant' (aarzelend) is gedoopt en de dirigent voor sommige eleatorische passages (vooral tijdens de refreinen voor houtblazers tussen de episodes) soms opvallend de tijd neemt, terwijl zulks wat de aanpak in ‘Direct' betreft eerder omgekeerd ligt. Kortom, hier is sprake van een uitgekiende strategie. Natuurlijk, het kan ook anders, getuige de uitvoering onder de componist zelf, maar dat maakt niet uit omdat dit de vrijheid is die in het totaal is verdisconteerd. Hoe dan ook, de spanning is in deze lezingen onafgebroken om te snijden. En niet in het minst ook in ‘Jeux vénitiens' dat ik – met uitzondering van de vertolking onder Lutoslawski zelf – nog nooit zo uitmuntend heb gehoord. Daar komt dan nog de exemplarisch hoge kwaliteit van de opname bij. Ik ben niet in het bezit van een surround-installatie (wat overigens naar mijn inschatting voor de meeste muziekliefhebbers geldt), dat zij eerlijk toegegeven, maar het beluisteren van deze voorbeeldige interpretaties bezorgde me een bijna lijfelijke sensatie. Niet alleen in termen van die al dikwijls genoemde dramaturgie, maar ook in die van kleur, timbe, raffinement en een bijkans onbegrensde dynamiek van een ongelooflijke dieptewerking. Dit met als resultaat een geheel dat oneindig veel meer is dan de som van de delen en dat zelfs bij verstek van de surround-modus haast meerdimensionaal op de toehoorder overkomt. Doodjammer dat uitgaves als de onderhavige in ons land niet in de prijzen kunnen vallen.

___________________
*) Het feit dat ‘Livre pour orchestre' voor het Philharmonisches Orchester Hagen - een regionaal symfonieorkest in het Roergebied - en een van zijn chefdirigenten Berthold Lehmann die met Lutoslawski was bevriend, is geschreven spreekt in deze natuurlijk boekdelen. Tijdens de viering van het 100-jarig bestaan van dit orkest in 2007/2008 maakte eerstgenoemde compositie onder supervisie van zijn toenmalige Generalmusikdirektor, de Nederlandse dirigent Antony Hermus, dan ook terecht deel uit van de programmering en wel broederlijke verenigd met de Negende symfonie van Anton Bruckner.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links