CD-recensie

 

© Maarten Brandt, juni 2019

Hans Werner Henze - Heliogabalus Imperator - Works for Orchestra

Henze: Los Capricos – Heliogabalus Imperator – Englische Liebeslieder* – Ouverture zu einem Theater

Anssi Karttunen (cello)*, BBC Symphony Orchestra o.l.v. Oliver Knussen
Wergo 7344 2 • 72' •
Opname: BBC Maida Vale Studio Londen, 7 februari 2014 (live: Los Capricos, Englische Liebeslieder en Ouverture zu einem Theater) en 24/25 februari 2014 (studio: Heliogabalus Imperator)

   

Deze cd mag zonder enige terughoudendheid als een mijlpaal in de Henze-discografie worden beschouwd, aangezien het geheel maar liefst drie fonografische primeurs telt. Maar dat niet alleen, ook mag deze uitgave als een waardige hommage worden beschouwd aan het adres van een van de meest vooraanstaande en helaas veel te jong heengegane pleitbezorgers voor de eigentijdse muziek, de Engelse componist/dirigent Oliver Knussen (1952-2018). Knussen die ook in ons land bepaald geen onbekende was en menigmaal bijvoorbeeld voor het ASKO|Schönberg Ensemble heeft gestaan en ook voor het Residentie Orkest van welk laatste ensemble hij eerste gastdirigent is geweest. Knussen was, anders dan soms zijn kompaan Reinbert de Leeuw, allesbehalve modieus ingesteld en brak vol overtuiging een lans voor om het even welke contemporaine muziek, of die nu in was of niet. Maar als hij dat deed kon je er voor de volle honderd procent zeker van zijn dat die muziek het op en top verdiende om nadrukkelijk onder de aandacht te worden gebracht. In zijn – zeker de huidige maatstaven in aanmerking genomen – korte leven (Knussen werd slechts 66 jaar) heeft hij onnoemlijk veel gedirigeerd, waarvan tot op heden 60 cd's zijn verschenen. En wie weet wat er binnen korte of lange tijd nog uit de archieven komt.

Eclatant succes
De hoogst integere en fijnzinnige benadering die uit zijn compositorische arbeid spreekt, komt tevens overduidelijk tot uitdrukking in zijn talrijke vertolkingen van andermans werk. Het mag daarbij aan de balk dat hij een van de weinige dirigenten was, die zich met een zekere regelmaat over de klinkende nalatenschap van de Duits/Italiaanse componist Hens Werner Henze ontfermde. En dit met eclatant succes, getuige bijvoorbeeld een werkelijk uitmuntende opname voor Deutsche Grammophon van diens schitterende avondvullende ballet ‘Undine'.

Een van de meest bijzondere werken op deze nieuwe Wergo-cd zijn de ‘Englische Liebeslieder', een zes-delig cello-concert als het ware, dat zijn bestaan tussen 1984 en 1985 is begonnen in de gedaante van ‘Sieben Liebeslieder'. In die vorm werd het werk op 12 december 1986 door cellist Heinrich Schiff met het Kölner Rundfunk-Sinfonie-Orchester onder leiding van David Shallon te doop gehouden. Bij dat evenement was tevens de toenmalige algemeen directeur Hans Hierck en een delegatie van de artistieke commissie van Het Gelders Orkest aanwezig. Dit ter voorbereiding van een luisterrijk Henze-festival dat in februari 1988 heeft plaatsgevonden en bij welke gelegenheid zowel Henze's ‘Tristan', diens Vijfde symfonie en de Fandago hun Nederlandse premières beleefden onder supervisie van de toenmalige vaste gastdirigent Jac van Steen en met als solist in de ‘Sieben Liebeslieder' de celliste Karine Georgian. Dat waren nog eens tijden! Want zoiets is anno nu – en zeker bij een regionaal orkest – volstrekt maar dan ook volstrekt ondenkbaar. En alsof dit nog niet genoeg was gasteerde in het kader van dit festival ook nog het Schönberg Ensemble onder Reinbert de Leeuw met Henze's sterk politiek geëngageerde en provocerende liederencyclus ‘Voices'.

Van ‘Sieben' naar ‘Englische Liebeslieder'
Henze heeft er tijdens de première er de aperte voorkeur aan gegeven de identiteit van de gedichten, die de aanleiding hebben gevormd tot zijn ‘Liebeslieder' niet prijs te geven. Dankzij de Duitse Henze-specialist en musicoloog Peter Petersen, die in zijn boek ‘Hans Werner Henze – Werke der Jahre 1984-1985' (1995, Schott Musik International, Mainz ISBN 3-7957-1894-5, bestelnummer: ED 8313) aan de ‘Sieben Liebeslieder' een uitvoerig hoofdstuk wijdt, weten we voor het overgrote deel door welke gedichten de componist zich heeft laten inspireren. Maar ook dat hij in tweede instantie het oorspronkelijke vijfde deel ‘Thema und Variationen' heeft geschrapt, om het materiaal voorts te verbinden met een in 1977 voltooid zeer kort ‘Konzertstück für Violoncello und kleines Ensemble' en aldus uit te breiden tot ‘Introduktion, Thema und Variationen für Violoncello, Harfe und Streichorchester' dat sinds 1992 als zelfstandige compositie door het leven gaat. De titel ‘Sieben Liebeslieder' werd eerst gewijzigd in ‘Liebeslieder' en vervolgens ‘Englische Liebeslieder für Violoncello und Orchester'. Wat niet wegneemt dat ook het geschrapte vijfde deel op een gedicht is gebaseerd, namelijk ‘O my luv is like a red, red rose' van Robert Burns.

Hieronder de teksten van de gedichten waarop de ‘Englische Liebeslieder' zijn gestoeld, want ze zijn – merkwaardig genoeg - niet in het begeleidende booklet van de cd opgenomen. Met dien verstande dat Henze zich niet meer wist te herinneren om welk gedicht het bij de Tango ging, een van de meest speelse onderdelen van dit zesluik:

I. Ruhig, verhalten

She tells her love while half asleep
She tells her love while half asleep,
In the dark hours,
With half-words whispered low:
As Earth stirs in her winter sleep
And puts out grass and flowers,
Despite the snow,
Despite the falling snow.
(Robert Graves)

II. Kwartnoot = 72

Love and Life – A song
All my past life is mine no more,
The flying hours are gone,
Like transitory dreams giv'n o'er,
Whose images are kept in store
By memory alone.

The time that is to come is not;
How can it then be mine?
The present moment's all my lot;
And that, as fast as it has got,
Phyllis, is only thine.

Than talk not of inconstancy,
False hearts, and broken vows;
If I, by miracle, can be
This life-long minute true to thee,
‘Tis all that Heav'n allows.
(John Wilmot, Earl of Rochester)

IIII. Bewegt, heftig, stürmisch

Blow, blow, thou winter wind (As you like it)
Blow, blow, thou winter wind
Thou art not so unkind
As man's ingratitude;
Thy tooth is not so keen,
Because thou art not seen,
Although thy breath be rude.
High-ho! Sing, heigh ho! unto the green holly:
Most friendship is feigning, most loving mere folly:
Then heigh-ho, the holly!
This life is most jolly .

Freeze, freeze thou bitter sky,
That does not bite so nigh
As benefits forgot:
Though thou the waters warp,
Thy sting is not so sharp
As a friend remembered not.
High-ho! Sing, heigh ho! unto the green holly:
Most friendship is feigning, most loving mere folly:
Then heigh-ho, the holly!
This life is most jolly.
(William Shakespeare)

 IV. Ernst, getragen

Sleep now, o sleep now
Sleep now, oh sleep now,
You unquiet heart!
A voice crying “sleep now”
is heard in my heart.

The voice of the winter
Is heard at the door.
O sleep, for the winter
Is crying: “sleep no more.”

My kiss will give peace now
And quiet to your heart - --
Sleep on in peace now,
O you unquiet heart!
(James Joyce)

V. Tango (gedicht onbekend)

VI. Sonett

Sonnet 128
How oft when thou, my music, play'st,
Upon that blessed wood whose motion sounds
With thy sweet fingers when thou gently sway'st
The wiry concord that my ear confounds,
Do I envy those jacks that nimble leap,
To kiss the tender inward of thy hand,
Whilst my poor lips which should that harvest reap,
At the wood's boldness by the blushing stand!
To be so tickled, they would change their state
And situation with those dancing chips,
O'er whom my fingers walk with gentle gait,
Making dead wood more bless'd than living lips.
Since saucy jacks so happy are in this
Give them thy fingers, me thy lips to kiss
(William Shakespeare)

Hoe boeiend het ook moge zijn voorkennis van de gedichten in kwestie te hebben, een ding is zo duidelijk als wat en dat is dat het hier allerminst om programmamuziek gaat en laat staan: een instrumentale zetting die tot de op vierkante millimeter precies de structuur van de teksten volgt, want niets is minder waar. Vandaar waarschijnlijk ook Henze's reserves ten aanzien van de bekendmaking van zijn inspiratiebronnen. De gedichten vormen dus een aanleiding, terwijl het bij de muziek om een sfeerduiding gaat waarbij het de luisteraar volstrekt vrijstaat er van alles bij te denken (of helemaal niets te denken, een even goed idee).

Veel interessanter is de constatering dat deze tot puur instrumentale dimensies getransformeerde liefdesliederen, geschreven niet lang na de voor de Berliner Philharmoniker geschreven exuberante en donkere Zevende symfonie, ondanks de behoorlijk grote orkestbezetting, niettemin vooral intimiteit uitstralen. Een intimiteit die het uitzicht verhult op de ook hier onmiskenbaar duidelijk gelaagdheid als gevolg waarvan het voor de solist een hele toer is om in de juiste balans met het orkest te verkeren. Want celloconcert of niet, solist en ensemble vormen in dit werk zonder meer gelijkwaardige partners.

Gesprek met het verleden
Daar komt nog bij dat Henze bij tijd en wijle ook – een eigenschap die wij in meerdere werken van zijn hand aantreffen – ‘in gesprek' is met het verleden, de grote traditie van weleer. Soms gaat het daarbij om stijlcitaten. Zo heeft het derde deel ‘Bewegt, heftig, stürimisch' qua opzet (en soms zelfs het karakter) wel iets weg van een Mahleriaans scherzo met twee trio's. In het tweede deel daarentegen komt Henze's intense verknochtheid met de oude muziek treffend tot uitdrukking, waarmee het verband met de Engelse dichtkunst nog eens extra wordt benadrukt. Het betreft een letterlijk citaat uit een van de klavecimbelstukken uit het befaamde Fitzwilliam Virginal Book. De melodie is weliswaar anoniem, maar werd nadien door Gillis Farnaby uitgebreid bewerkt. Henze echter baseert zich op de oerversie van dit gegeven waarvan elementen in de cello duidelijk zijn te horen. De episode waar het om gaat passeert de revue na een korte en vrij stormachtige passage van het orkest en de melodie kent als titel ‘Why ask you?' Gaandeweg raken ook andere stemmen uit het orkest bij de verwerking – die steeds vrijer wordt – van deze ontlening betrokken, waarbij het totaal steeds dansanter wordt (niet voor niets staat op een zekere plek ‘tanzend' bij de partijen van de cello en de piano genoteerd).

Een verhaal apart is Sonett, dat een extatisch hoogtepunt kent, maar uiteindelijk culmineert in een verstilde apotheose; het laatste woord is aan de cello en een strijkkwartet. Voor mij persoonlijk echter is het openingsdeel (Ruhig, verhalten) met zijn donkere melancholisch ondertonen van de meest ontroerende schoonheid. Maar dat prachtige en korte gedicht van Robert Graves liegt er dan ook niet om.

Knussen en Karttunen verrichten over de gehele linie ware wonderen en dan te bedenken dat dit een live-opname is. Dat zegt ook iets over de oren van alle musici, waarbij het vermeldenswaard is dat Knussen (blijkens een radio-interview, klik hier): tijdens de repetities met elke groep uit het orkest afzonderlijk heeft gerepeteerd alvorens de puzzelstukken in elkaar te schuiven. Een vergelijkbare aanpak huldigde Von Karajan tijdens de registratie voor DG van Schönbergs Orkestvariaties, opus 31 en wat Knussen en niet te vergeten de hemels mooi spelen Karttunen hier hebben bereikt is van een vergelijkbaar en al even onomstotelijk hoog niveau. Er is namelijk geen seconde dat de solist in het orkest kopje ondergaat.

Hedonistische genotzucht
Als het over meerdere versies gaat dan moet ook het orkestwerk Heliogabulus Imperator worden genoemd. Het in eerste instantie tussen 1971 en 1972 ontstane stuk werd op 16 november 1972 door het Chicago Symphony Orchestra onder supervisie van Sir Georg Solti ten doop gehouden en voor het eerst in Den Haag door het Concertgebouworkest op 29 januari 1977 onder leiding van Henze in ons land gespeeld. In 1986 werd het door de componist grondig op de schop genomen. Met name de aleatorische passages – en hierin valt een link te bespeuren met de in 1969 voltooide eerste versie van de Zesde symfonie – werden door Henze geschrapt, mede omdat hij die te generatiegebonden vond. Een vergelijkbare mening waren Henze's – zij het verder totaal anders georiënteerde –vakbroeders Pierre Boulez en Jan van Vlijmen toegedaan, die eveneens schoon schip maakten met de toevalsgerichte episodes in sommige van hun werken (zoals Boulez in ‘Don', het openingsdeel van ‘Pli selon pli'). In zijn herziene vorm duurt Henze's Heliogabalus Imperator dan ook de nodige minuten korter en maakt het werk een duidelijk geconcentreerdere en meer evenwichtige indruk. Wie het verschil wil horen kan bij YouTube terecht waarop een uitvoering van de oorspronkelijke versie door het Radio-Sinfonieorchester-Saarbrücken onder leiding van Dennis Russel Davies kan worden beluisterd op YouTube.

De titel heeft betrekking op Romeinse Keizer Marcus Aurelius Antoninus, die na zijn dood als Heliogabal of Elagabal bekend is geworden vanwege zijn aanbidding van de God Baal. De reputatie van deze vorst was op z'n zachtst gezegd twijfelachtig. Hij stond vooral bekend om zijn hedonistische genotzucht, maar ook om een onmiskenbare rebellerende instelling. Volgens Henze moet de keizer ook in breder verband als een sterk tot de verbeelding sprekend symbool worden gezien van wat de componist zelf ook in de Romeinse cultuur bewonderde: het dierlijke, ruwe, maar ook sensuele en erotische in de ruimste zin van het woord; eigenschappen die niet naast elkaar bestonden, maar elkaar tot in het merg doordrongen. En dan hebben we het over een cultuur waarin en zinnelijke en spirituele geen tegenstellingen waren, maar in diepste wezen naadloos in elkaars verlengde lagen. De vorst kon echter niet tot in lengte van jaren op bewondering van zijn volk in het algemeen en de soldatenstand in het bijzonder rekenen. Niet voor niets werd hij door de Pretoriaanse garde – lees: de militaire elite – op gruwelijke wijze om het leven gebracht.

Bonte pracht - hoe kan het ook anders gezien het onderwerp! - en passages van een sublieme en niet zelden subtiele vervoering wisselen elkaar in dit ongeveer een half uur durende opus af. Met name een strijkerscantilene van een intense en soms zelfs ronduit verschroeiende lyriek blijven lang in het geheugen nazinderen. En Knussen is precies de juiste man om niet alleen die episode maar ook de vehemente passages het volle pond te geven, daarbij door de leden van het BBC Symphony Orchestra zo voorbeeldig bediend dat men haast meent dat het om een repertoirestuk gaat, terwijl ‘Heliogabalus Imperator' tot de minst uitgevoerde werken van Henze behoort.

Landschappelijkheid
Dat laatste geldt tevens voor dat andere orkestwerk, ‘Los Capricos', dat in 1963 werd voltooid, maar pas op 6 april 1967 door het Kölner Rundfunk-Sinfonie-Orchester onder de scepter van Christoph von Dohnányi voor het eerst werd uitgevoerd. Dit stuk kent, evenals de ‘Englische Liebeslieder', een boeiende geschiedenis. De kiem ervan moet worden gezocht in de aria ‘Come per me sereno' uit de opera ‘La Sonnambula' van Vicenzo Bellini die voor Henze als vertrekpunt diende voor een reeks stukken voor klavecimbel of piano, getiteld: ‘Lucy Escott Variations'. Deze dateren eveneens uit 1963 en hebben, naar maker heeft aangegeven, als uitgangspunt gediend voor ‘Los Capricos', dat op zijn beurt is geïnspireerd op de gelijknamige reeks etsen van de schilder Francisco de Goya (wiens ‘El sueno del razon produce monstruos'* een van de inspiratiebronnen was voor Henze's tien jaar later gereed gekomen ‘Tristan' voor piano, orkest en elektronica).

Net zoals in de ‘Englische Liebeslieder' geen sprake is van een letterlijke verbeelding van de gedichten is dit het geval in ‘Los Capricos' met de etsen van Goya. Ook hier gaat het namelijk om sfeerbepalingen. Het palet is weliswaar rijk, maar net als in eerstgenoemd werk ligt het accent – op een enkele uitzondering na – op het intieme en introverte. Als er aan ‘Los Capricios' een karakter zou moeten worden gegeven, dan is het eerste dat mij voor de geest komt: landschappelijkheid. Henze's ultieme liefde voor het mediterrane en speciaal Italie is to alle poriën van deze verfijnde en ten onrechte nooit ten gehore gebracht partituur doorgedrongen. Zonder dat de muziek ook maar bij benadering illustratief wordt, bespeurt men onwillekeurig de ‘geur' van de meer zuidelijke breedtegraden. Opnieuw tekenen het BBC Symphony Orchestra onder Knussen voor een uitvoering die de muziekliefhebber op de punt van zijn of haar stoel brengt, een verklanking die niets noordelijks heeft en volop ademt.

Deze voorbeeldige productie wordt afgesloten met de enige niet fonografische primeur: de ‘Ouverture zu einem Theater' uit 2012 (het laatst voltooide werk van Henze), die verder alleen door Markus Stenz, een van Henze's andere grote pleitbezorgers, werd opgenomen (Oehms Classics). Het verschil tussen hem en de benadering van Knussen betreft niet alleen die ene minuut minder die de Engelsman voor dit stuk nodig heeft, maar de ongekende vitaliteit en ‘Schwung' van deze vertolking. Een bewijs te meer dat Henze's geestkracht tot op het laatste moment ongebroken is gebleven. Hoe dan ook, een onwijs mooie productie deze Wergo-cd, die ons beeld van een van de meest veelzijdige componisten van de 20 e en 21 e eeuw weer wat completer maakt.

_____________________
*) “De slaap van de rede brengt monsters voort”


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links