CD-recensie

 

© Maarten Brandt, augustus 2017

 

Glanert: Requiem for Hieronymus Bosch

David Wilson-Johnson (spreekstem), Aga Mikolaj (sopraan), Ursula Hessen von den Steinen (mezzosopraan), Gerhard Siegel (tenor), Christof Fischesser (bas), Leo van Doeselaar (orgel), Groot Omroepkoor (instudering: Edward Caswell), Koninklijk Concertgebouworkest
Dirigent: Markus Stenz

RCO Live 17005 • 83' • (sacd)

Live-opname: 5 november 2016, Concertgebouw, Amsterdam

www.rcoamsterdam.com

   

Van alle liturgische genres heeft het requiem zich wat betreft een ultiem dramatische profilering van de inhoud door de loop der tijden mogen verheugen in een enorme belangstelling van componisten van diverse pluimage. Dat is geen wonder, immers er valt moeilijk een liturgische tekst te bedenken die dusdanig diep is geworteld in het domein van de oerangsten van de mens, maar ook en vooral in diens hoop op verlossing als die van de Latijnse dodenmis. Niet voor niets krijgen we nog steeds koude rillingen bij de Grande Messe des Morts van Berlioz en het Requiem van Verdi, om twee belangrijke en sterk tot de verbeelding sprekende voorbeelden uit de romantiek te noemen. Twee werken die worden getypeerd door een benijdenswaardige balans tussen muzikale zeggingskracht en bloedstollende effecten zonder dat het geheel ontaardt in effectbejag. In de twintigste-eeuw is het requiem nogal eens gaan fungeren als een kader voor iets wat boven de liturgische context uitstijgt. En dan hoeft men slechts te denken aan het uit 1961 stammende War Requiem van Benjamin Britten, waarbij de requiemteksten op sublieme wijze worden onderbroken en becommentarieerd door de onthutsende oorlogsgedichten van de pal voor het eind van de Eerste Wereldoorlog gesneuvelde dichter Wilfred Owen. Een, overigens zeer ten onrechte, minder bekend voorbeeld is het bij mijn weten nog nooit in ons land uitgevoerde Requiem uit 1982 van de Duitse componist Aribert Reimann, waarbinnen de rode draad op een soortgelijke wijze als in Brittens War Requiem wordt gevormd door delen uit het Boek Job van het Oude Testament.

Gemak
En nu is er dan het uit 2016 daterende Requiem for Hieronymus Bosch van Reimanns Duitse collega Detlev Glanert (1960), die al sedert jaar en dag huiscomponist is bij het Koninklijk Concertgebouworkest. Glanert is een van de meest populaire eigentijdse componisten in Duitsland die opdracht na opdracht in de wacht sleept en ook als operacomponist geducht van zich doet spreken, in welke hoedanigheid hij tot op heden maar liefst dertien titels op zijn naam heeft gebracht. Vooral met Joseph Süss (1999), Caligula (2006) en Solaris (2012) heeft Glanert internationaal de aandacht op zich weten te vestigen. Zijn liefde voor het muziektheater heeft Glanert van geen vreemde, want wijlen Hans Werner Henze – zonder meer de meest productieve operacomponist in het naoorlogse Duitsland - behoorde niet voor niets tot zijn belangrijkste leermeesters. En de bezoeker van de concerten van het KCO kent Glanert natuurlijk van orkestwerken als bijvoorbeeld Theater Bestiarum (2005) en Fluss ohne Ufer (2008). Uit alles blijkt het enorme gemak waarmee Glanert de noten niet alleen volledig naar zijn hand weet te zetten, maar ook in instrumentaal opzicht zodanig weet te belichamen dat alles tot op de vierkante millimeter klopt. Vakgebieden als componeren en instrumenteren zijn voor hem een open boek om niet te zeggen geheel tot een tweede natuur geworden, waarbij het om het even is welke eisen er in het geding zijn.

Detlev Glanert

‘Geografie van de uitvoering'
Ook uit het Requiem for Hieronymus Bosch van 2016 komen Glanerts soevereine beheersing van het metier en zijn gevoel voor theater haarscherp naar voren. Want we hebben hier van doen met een werk dat onmiskenbaar duidelijk balanceert halverwege oratorium en muziektheater. Met een speelduur van 83 minuten bezit het opus vrijwel exact dezelfde lengte als het War Requiem van Britten. En net als in het geval van laatstgenoemde is sprake van een boven de liturgie uitgaande inhoud en een ‘geografie van de uitvoering'. Want het onderwerp van dit stuk is de terechtstelling van de kunstschilder Hieronymus Bosch die telkens opnieuw wordt aangeroepen door de aartsengel Michael (David Wilson-Johnson) om zich te verantwoorden voor de Zeven Hoofdzonden. De ‘geografie' komt tot uitdrukking in de opstelling van de diverse uitvoerenden op het podium: aan de ene kant een door het orgel begeleid ‘Fernchor' dat zich bij deze uitvoering vooraan op het rechter zijbalkon ophoudt en aan de andere zijde het symfonieorkest, het grote koor en de solisten. Met uitzondering van Wilson-Johnson, die zich vooraan op het linker zijbalkon bevindt. Over het hoe en waarom laat Glanert zich in het booklet als volgt uit: “het kleine koor met orgel maken oudere muziek die zou kunnen stemmen uit de periode rond 1500. Middeleeuwse muziek (deze term laat ik voor de componist, want in 1500 zitten we al ruimschoots in de renaissance) maar dan natuurlijk in mijn eigen stijl. Het koor en orkest herbergen weer meer muzikale invloeden uit onze tijd (…) Gedurende het werk groeien het kleine en grote koor qua samenklank meer naar elkaar toe. “ Dat laatste gebeurt heel duidelijk in het afsluitende ‘In te Paradisum' en dan ligt opnieuw, niet zozeer muzikaal als wel wat de opzet betreft, de vergelijking met Britten voor de hand. Voor de niet liturgische teksten heeft Glanert zijn toevlucht gezocht tot de middeleeuwse handschriftenverzameling Carmina Burana, daarbij zorgvuldig die gedichten vermijdend die Carl Orff voor zijn gelijknamige ‘tophit' gebruikte. Toeval of niet, het eerste onderdeel (‘De Demonibus') deed me door die sterk geritmiseerde en homofone manier van zingen onwillekeurig aan Orff denken.

Luilekkerland
Hoe dan ook, aan – een dikwijls zeer bonte – afwisseling in contrasten bepaald geen gebrek, wat op zich geen verbazing hoeft te wekken. Immers Bosch' vier grootse panelen omvattende Visioenen van het hiernamaals vormden de inspiratiebron voor de componist. Al luisterende bekroop mij meer en meer het gevoel dat die schilderijen van Bosch voor Glanert als een soort snoepwinkel moeten hebben gefungeerd tijdens het neerschrijven van de noten. Als een soort Luilekkerland dat degene die ermee wordt geconfronteerd voor het dilemma plaatst wat in hemelsnaam te kiezen. U kent dat wel, het lopende buffet waarop allerlei gerechten staan opgedist, waarbij de vraatzuchtige bezoeker gaandeweg door de bomen het culinaire bos niet meer ziet en dus zijn bord ongecontroleerd met van alles vol laadt. Glanert is, overdrachtelijk gesproken, zo'n omnivoor. Hij schroomt allerminst om alles uit de kast te halen ten einde zijn luisterschare te overbluffen en omdat hij het metier tot in de puntjes beheerst blijf je, pak weg, de eerste twintig à vijfentwintig minuten geboeid luisteren. Ook al omdat wat Stenz en zijn troepen hier laten horen – live en tijdens bovenstaand ZaterdagMatinee-concert opgetekend zonder ook maar enige retake! – aan het ongelooflijke grenst, ja alsof het werk al sedert jaar en dag bij het repertoire is ingelijfd.

Stereotype gebaren
Maar daarna slaat de vermoeidheid toe, beginnen bepaalde stereotype gebaren op te vallen en ontstaat de indruk dat Glanert zich wel erg makkelijk tot het sorteren van effecten heeft laten verleiden. Effecten die onder de noemer vallen van wat onze oosterburen treffend ‘plakativ' noemen, waarmee ‘er dik bovenop of voor de hand liggend' wordt bedoeld. Wellicht dat hier ook het te grote gemak waarmee Glanert componeert aan ten grondslag ligt, waardoor hij minder wordt gedwongen te worstelen met de materie. Ruwweg gesproken zijn er – althans vanuit bovenstaande optiek bezien – twee soorten componisten, zij die zonder al teveel inspanning heel gelikt schrijven en zij wier gedachtegoed oneindig veel interessanter en diepgaander is dan van eerstgenoemde categorie, waarbij ik onder andere denk aan iemand als onze landgenoot Matthijs Vermeulen bij wie het juist schortte aan voldoende handigheid zijn ideeën handen en voeten te geven. Daartussenin bevindt zich een uitgestrekt gebied van wisselende kwaliteiten. Dit zowel in positieve als negatieve zin. Glanert bevindt zich ondubbelzinnig aan de andere kant van het spectrum en kan – Vermeulen nu even terzijde gelaten – qua fijnzinnigheid en zeggingskracht in de verste verte niet worden vergeleken met Britten, maar al evenmin met Rihm, Widmann (getuige diens fenomenale en onlangs concertant in de ZaterdagMatinee uitgevoerde muziekdrama Babylon*) of zijn leraar Henze. Ook al zijn er enkele uitzonderingen in het Bosch Requiem, en dat zijn niet ontoevallig die paar momenten waar de componist het niet zoekt in de effecten maar in ingetogenheid, waarbij ik in het bijzonder denk aan het weldadig uitgebalanceerde Agnus Dei. Maar, wie over mijn bezwaren heenstapt haalt een schitterende productie in huis. Een mooi vormgegeven uitgave, die ook in opnametechnisch opzicht (83 minuten op 1 cd is een waar record - en dit is bovendien zonder ook maar enig probleem gelukt!) geen wens onvervuld laat en tot de beste behoort uit de stal van RCOlive.

*) Ook Widmann stak zijn licht bij onder meer Henze op!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links