CD-recensie

 

© Maarten Brandt, juni 2009

 

 

Elgar: The Music Makers op. 60.

Rihm: Memoria (Drei Requiem Bruchstücke).

Jane Erwin (mezzosopraan), Vanessa Barkowski (alt), Leonard Sökefeld (jongenssopraan), Groot Omroepkoor (dirigent: Simon Halsey) en Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Jaap van Zweden.

Quattro Live QL 2009


Wat hebben in 's hemelsnaam de Engelse, op en top patriottische en volledig in de traditie van Brahms en Wagner wortelende laatromantische componist Sir Edward Elgar en de compromisloze honderd procent 20ste- en 21ste-eeuwse neo-expressionist Wolfgang Rihm met elkaar te maken? Ziehier een vraag die bij oppervlakkige beschouwing zou kunnen rijzen bij hen die bovenstaande cd-productie uit de schappen vissen. Maar wie de moeite neemt even verder te kijken en beseft dat de befaamde Zaterdagmatinee en de Vrijdag van Vredenburg de leverancier zijn van de opnamen in kwestie zal al minder verbaasd zijn over deze intrigerende 'double bill'. Immers, als er al concertreeksen in den lande zijn die bekend staan om hun dikwijls grensverleggende, pionierende en confronterende programma's zijn het deze wel, waarin men uitgekiende combinaties van op het eerste gezicht weinig voor de hand liggende stukken tegenkomt die dankzij dergelijke kruisbestuivingen een totaal nieuw licht werpen op zowel het bekende als onbekende repertoire. dit indachtig de - en door de Duitse dirigent Hans Zender to credo verheven - nieuwjaarswens van John Cage: "Happy New Ears!"

'Splendid isolation'

Elgar leefde in een tijd waarin onder meer vernieuwers als Debussy, Webern, Stravinsky en Schönberg hun experimenten botvierden, maar die daardoor niet werd aangeraakt dankzij zijn onbedwingbare hang naar nostalgie en de staat van 'splendid isolation' waarin hij op het Britse continent verkeerde, een continent vol 'Hope' en 'Glory' tegen de verdrukking van het tijdsgewricht in. Zijn monumentale uit zes naadloos in elkaar overgaande delen opgetrokken en uit 1912 daterende cantate voor mezzosopraan, koor en orkest The Music Makers getuigt daar in alle toonaarden van. Deze compositie, waarin Elgar - getuige tal van citaten uit andere stukken van zijn hand als de Enigma variations, het Vioolconcert, het oratorium The dream of Gerontius en de Eerste symfonie - als het ware "voorleest uit eigen werk", heeft de maker nogal wat hoofdbrekens gekost. Vooral als gevolg van de door Elgar gekozen tekst van Arthur O'Shaughnessy, zijnde het gedicht We are the Music Makers waarop een auteursrecht rustte. En dan te bedenken dat Elgars eigen partituren te hooi en te gras werden gekopieerd en verkocht zonder dat hij daar ook maar een cent wijzer van werd. Hoe het ook zij, toen hij 1912 eindelijk toestemming kreeg om O'Shaughnessy's gedicht te gebruiken, was het leeuwendeel van de muziek al gereed.

Het werk laat zich beluisteren als een verheerlijking van het kunstenaardom in het algemeen en de componisten ('Music Makers') in het bijzonder. Optimisme en pessimisme omtrent de mogelijkheid van het triomferen van de grote muziektraditie strijden erin om het voorste gelid, maar uiteindelijk lijkt het pessimisme het pleit te winnen, blijkens de gedurende de aangrijpende slotfase overblijvende melancholieke hunkering naar, om met wijlen de bekende Oostenrijkse auteur Stefan Zweig te spreken, 'Welt von gestern' die definitief verleden tijd is geworden. Ook al wil de muziek zelf daar tot en met de allerlaatste maat maar niet in geloven.

Eenvoud en peilloze diepgang

Bij Wolfgang Rihm ligt de zaak precies omgekeerd. Qua origine ingebed in dezelfde traditie als die Elgar maar niet wil of kan opgeven, ziet hij zich voor het onvermijdelijke geplaatst: deze is in diepste wezen niet meer levensvatbaar te maken voor de problemen waar de moderne mens, geteisterd door geweldvormen zonder precedent en allerhande andere rampspoed, die hem verweesd hebben achtergelaten, voortdurend mee in aanraking komt. De subtitel van Rihms tussen 1994 en 2004 ontstane Memoria - waarvan de vuurdoop in 2005 niet ontoevallig klonk tijdens de opening van het Berlijnse Holocaustmonument - voor alt, jongenssopraan, gemengd koor en orkest is uiterst veelzeggend: Drei Requiem-Bruchstücke. Het intrigerende is nu dat in deze hoogst suggestieve drie miniaturen de boodschap van de onmogelijkheid van de traditie is belichaamd via diezelfde traditie. Met dien verstande dat die inderdaad slechts via brokstukken wordt gereflecteerd, brokstukken die met geen mogelijkheid meer zijn te lijmen. Een en ander komt duidelijk naar voren door onder meer de wijze waarop soms strikte atonaliteit en onverhulde tonaliteit schaamteloos gecombineerd worden gebruikt. En over suggestiviteit gesproken; die wordt dankzij de poëzie van Nelly Sachs (afkomstig uit de bundel Fahrt ins Staublose) nog in hevige mate versterkt. Eenvoud en een peilloze diepgang vullen elkaar daarin naadloos aan, zoals bijvoorbeeld in zinsneden als:

"für die Fische alles im Grab der Luft"

of:

"Das Kind malt im Sarg mit Staub den Nabel der Welt."

Alles in dit drieluik is er in feite op gericht te verduidelijken dat de beproevingen waar de mensheid gedurende de bijna honderd jaar die er tussen Elgars The Music Makers en Rihms Memoria gaapt aan is blootgesteld uiteindelijk niet te verwoorden is. Dat laatste wordt in het bijzonder onderstreept in het middendeel (Communio: Lux aeterna) waarin de vocaliserende klanken van het koor, de alt en de jongenssopraan worden afgewisseld door akkoorden voor de blazers en het hamerende geweld van het slagwerk (bij machte waarvan Rihm, net als Elgar, ook citeert uit eigen werk, namelijk Dis Kontur, waarin soortgelijke slagwerkfiguren centaal staan).

Met andere woorden, uit het voorgaande moge duidelijk zijn dat de combinatie van deze twee werken een hoogst zinvolle is en dat zij, hoewel zij uit twee verschillende producties afkomstig zijn, wel degelijk heel goed op een en hetzelfde programma hadden kunnen staan, bijvoorbeeld voorafgegaan door Brahms' Tragische Ouverture en voortgezet door achtereenvolgens Rihm en Elgar.

Wat deze luisterrijke en puik klinkende uitgave - de opnamen werden op 23 maart 2007 in Muziekcentrum Vredenburg (Elgar) en op 22 maart 2008 in het Amsterdamse concertgebouw (Rihm) gemaakt - opnieuw demonstreert is de ongekende veelzijdigheid van dirigent Jaap van Zweden wiens affiniteit met Elgar even eclatant is als die met Rihm. Beide uitvoeringen, met sublieme solistische bijdragen van Jane Erwin in Elgar en Vanessa Barkowski in Rihm, maar tevens van het in optima forma verkerende Groot Omroepkoor, munten uit in spanning, dramatiek, optimale concentratie en helderheid. Ze verdienen (ondanks de concurrentie wat Elgar betreft van Sir Adrian Boult en Richard Hickox op EMI) zonder reserve het predicaat definitief.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links