CD-recensie

 

© Maarten Brandt, december 2014

 

Alphons Diepenbrock - Orchestral Songs

Diepenbrock: Hymne voor orkest - Hymne an die nacht - Der König in Thule - Es war ein alter König - Im grossen Schweigen - En sourdine

Hans Christoph Begemann (bariton),
Sinfonieorchester St. Gallen o.l.v. Otto Tausk

CPO 777 836-2 65'

Opname: april en oktober 2013, Tonhalle, Sankt Gallen

 

De Nederlandse, uiterst veelzijdige - en in eigen land vanzelfsprekend zo goed als volledig genegeerde - dirigent David Porcelijn zei eens tijdens een feestje het volgende tegen me: "Ik kan overal Nederlandse muziek dirigeren. Overal. behalve in Nederland." Nederlandse muziek is kennelijk ondermaats en jaagt het publiek de stuipen op het lijf. Althans dat is de mening van de meeste aan onze symfonieorkesten verbonden zijnde managers. Vandaar dat het hoogst opmerkelijk is dat het in toenemende mate buitenlandse en minder bekende - maar om die reden niet per se minder goede - orkesten zijn die zich over onze nationale orkestrale trots ontfermen en dit bovendien met verve. En het Duitse pionierende label cpo heeft hierin een voortrekkersrol, onder andere met Porcelijn die zo langzamerhand heel wat cd's op zijn naam heeft gebracht met symfonieën van Henk Badings, concerten en symfonieën van Julius Röntgen alsmede symfonieën van Jan van Gilse. Ook is cpo met Porcelijn inmiddels gestart met een vastlegging van het orkestrale oeuvre van Hendrik Andriessen en nam Antony Hermus een pracht van een cd op met ouvertures van Johan Wagenaar, terwijl een volgende productie onder laatstgenoemde dirigent met orkestwerken van Diepenbrock - en nog wel met de Bamberger Symphoniker, een van de betere orkesten van onze oosterburen - binnenkort de schappen zal verrijken.

Fonografische primeur
Maar deze keer is het Otto Tausk, die sinds seizoen 2012-2013 als chefdirigent aan het symfonieorkest van het Zwitserse Sankt Gallen is verbonden. En Zwitserland is ook een naam om te onthouden wanneer het over Nederlandse muziek gaat. Immers in 2007 leidde de voormalige chef van het Musikkollegium Winterthur, de in Nederland ten onrechte zeer verguisde Jac van Steen, een imposant en van begin tot eind aan Nederlandse muziek gewijd festival, met als titel Holland Panorama, waarbij onder andere werk van Van Wassenaer, Flothuis, Röntgen, Jeths, De Raaff, Wagemans, Otto Ketting en Diepenbrock tot klinken kwam. Dat de Nederlandse muziek goed aardt in de alpinistische bodem, dat maakt deze cd met orkestraal/vocaal werk van Diepenbrock andermaal haarscherp duidelijk. Voor mij een grote ontdekking is de kennismaking met de Hymne voor orkest, de tweede versie van de in 1898 voltooide Hymne voor viool en piano, die hier bij mijn weten haar fonografische primeur beleeft. Dit werk, waarvan de orkestversie uit hetzelfde jaar dateert als die voor viool en piano, is echter het meest bekend geworden in de, zij het gecoupeerde, instrumentatie voor viool en orkest die uit 1905 stamt (en nog eens in 1917 werd herzien). Die versie is vooral enigszins populair door de - voortreffelijke - opname van violiste Emmy Verhey en het Residentie Orkest onder wijlen Hans Vonk (Chandos).

Euforie, melancholie en geëxalteerdheid
Hoe het ook zij, Tausk en 'zijn' orkest tonen een eclatante affiniteit met deze halverwege euforie, melancholie en soms een onverhulde geëxalteerdheid balancerende toonkunst, en het lijkt wel of het gezelschap uit Sankt Gallen dit repertoire al dikwijls heeft gespeeld, wat in werkelijkheid uiteraard niet het geval is. En dat zegt wat over zowel de fabuleuze kwaliteiten van Tausk als die van het ensemble in kwestie. De op een tekst van Novalis stoelende 'Hymne an die Nacht' "Muss immer der Morgen wiederkommen" is relatief het meest bekend in de ligging voor alt- of mezzosopraansolo. Ook in de bariton-versie weet dit grootse, om Diepenbrock-kenner Eduard Reeser aan te halen, "symfonische gedicht met zangstem" ten volle te overtuigen. Legden Linda Finnie en Hans Vonk (Chandos) vooral de nadruk op het mystieke karakter van het geheel, Begemann en Tausk gaan voor in een benadering die vooral wordt getypeerd door een - bewust nagestreefde - onrust. Om daarmee als het ware tot uitdrukking te brengen dat het bereiken van die eeuwigheid via de nacht en de "heilige slaap" voor stervelingen nauwelijks lijkt te zijn weggelegd. De gedrevenheid waarmee de Begemann zijn aandeel tot leven wekt, kan niemand onberoerd laten.

Xylofoon
Dat geldt eens te meer voor het monumentale 'Im grossen Schweigen' waarin Diepenbrock tegen het slot de xylofoon uit het orkest laat opklinken, een instrument dat natuurlijk vooral bekend is geworden door Saint-Saëns' 'Danse macabre' maar dat verder nog niet echt dikwijls op het symfonische toneel was te horen, behalve in Mahlers uit dezelfde tijd als 'Im grossen Schweigen' daterende Zesde symfonie en (Richard) Strauss' muziekdrama Salome. Trouwens, over Strauss gesproken, diens invloed is onmiskenbaar sterk aanwezig in 'De König von Thule', terwijl over 'Es war ein alter König' de geest van Wagner en meer in het bijzonder (aanhef!) die van zijn Wesendonklieder lijkt te waren. Daar staat weer tegenover dat wie naar 'En sourdine' (gebaseerd op het gelijknamige gedicht van Paul Verlaine) luistert, meent een onbekend lied van de Duits/Engelse componist Frederick Delius te horen, iemand die, evenals Diepenbrock, een meertalig liedoeuvre op zijn naam heeft gebracht. Begemann verstaat hier opnieuw de kunst het idioom van Diepenbrocks idioom tot in de kern te treffen, maar excelleert daarnaast ook nog eens in een perfecte uitspraak van het Frans, daarbij uiterst verfijnd en geraffineerd begeleid door het zonder meer sensueel en hemels opererende Zwitserse ensemble onder Tausk.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links