CD-recensie

 

© Maarten Brandt, september 2012

 

 

Alphons Diepenbrock (1862-1921)
150th Anniversary Edition*

Diverse uitvoerenden. Van vele illustraties voorzien en 172 pagina’s omvattend boek met een uitvoerige inleiding door Leo Samama

Et'cetera KTC 1435 (8 cd's + bonus dvd)

klik hier voor het volledige overzicht in

 


Beweren dat Alphons Diepenbrock, wiens 150ste geboortedag dit jaar wordt herdacht (om precies te zijn op 2 september jongstleden), tot de meest belangrijke componisten uit het einde van de 19 de en het begin van de 20 ste eeuw van Nederlandse bodem behoort, staat gelijk aan het intrappen van een open deur. Althans, dat zou men denken. Want, zoveel is duidelijk, wie meent dat zijn muziek dit jaar, enkele uitzonderingen daargelaten, om die reden vaker op de lessenaars van de symfonieorkesten in ons land prijkt dan normaal het geval is, heeft het bij het verkeerde eind. Sterker nog, in het recente verleden, toen er van onverschillig welke Diepenbrock-herdenking geen enkele sprake was, werd zijn muziek alom heel wat regelmatiger gespeeld dan thans geschiedt. En dat laatste niet alleen bij de landelijke orkesten, tevens in de regio mochten werken als de Elektrasuite en Ouverture ‘De Vogels’, om slechts een paar voorbeelden te noemen, zich in de nodige uitvoeringen verheugen, terwijl nu zelfs een ensemble als het Residentie Orkest – in het verleden dè pleitbezorger voor Nederlandse muziek en ook een van de weinige orkesten dat onder leiding van wijlen Hans Vonk enkele spraakmakende studio-opnames van Diepenbrocks werk voor het Engelse kwaliteitslabel Chandos vereeuwigde – in het thans lopende Diepenbrockjaar geen noot van de meester tot leven wekt.

Extatische en hymnische klanktaal
Toch is de negatieve status van de Nederlandse muziek in het algemeen en die van de klinkende nalatenschap van Diepenbrock in het bijzonder geen nieuw fenomeen. Dat blijkt ook uit het doorwrochte essay van Leo Samama dat valt te lezen in het boekwerk dat de cd-box van Diepenbrocks Anniversary Edition begeleidt. Getuige de hierna door Samama geciteerde uitspraak van Diepenbrock, gedaan in een brief aan een criticus: “Wie hier in Nederland tot componeren gedoemd is, is te beklagen. Wat u enige tijd geleden in De Groene schreef, dat de muziek hier niet thuis behoort, is steeds mijn stelling geweest, waaruit ik echter niet de conclusie trek – zoals veel letterkundigen doen (en het scheen ook de uwe te zijn) – dat wij geheel zonder muziek moeten leven.” En in een december 1891 gewijde verhandeling over de componist Johannes Verhulst in De Gids schrijft Diepenbrock “De muziek heeft niet deel aan de opbloei der jonge Hollandse kunst. Eens is ook zij iets groots geweest in dit land. Maar tot nu toe is die grootheid niet herboren.” Uiteraard verwijst Diepenbrock hier vooral de toonaangevende renaissancepolyfonie componisten uit de Lage Landen, maar wij, anno 2102, zouden – Diepenbrocks uitspraak parafraserend – ook kunnen opmerken dat de grootheid van muziekvinders als Vermeulen, Pijper, Diepenbrock, maar – om ook enkele latere voorbeelden te noemen – tevens die van Ton de Leeuw, Jan van Vlijmen en anderen “niet [is] herboren.” En dan had Diepenbrock uiteindelijk nog niet te klagen, gezien de inspanningen die Willem Mengelberg zich voor zijn componeren heeft getroost en de lofrijke kritieken die Matthijs Vermeulen aan zijn muziek wijdde, een muziek die overigens ook zijn eigen stijl duidelijk heeft beïnvloed: het extatische en hymnische van Diepenbrocks hoogst oorspronkelijke idioom zijn onverkort in menig werk van Vermeulen aanwijsbaar.

Te Deum
Over dat idioom gesproken, hoe Diepenbrock – van origine classicus en als componist autodidact - in zijn tijd te plaatsen? Zoveel is zeker, Duitse en Franse invloeden strijden in zijn muziek om het voorste gelid. Zetten in de Concertsuite uit Marsyas Parsifal-achtige wendingen de toon, dit alles nog versterkt door het coloriet van de strijkers, de lyrisch voortstromende fluitcantilene in de doorwerking van OuvertureDe Vogels’ is moeilijk denkbaar zonder Ravels ballet Daphnis et Chloë. Dit, terwijl zijn in verhouding meest bekende werk, zijn in 1902 voltooide en monumentale Te Deum, duidelijk is gemodelleerd naar het voorbeeld van het gelijknamige werk van Bruckner, zij het – en dat is een verschil met Bruckner – dat de opzet bij Diepenbrock monolithisch is. Hoe dan ook: als er een Te Deum is dat zich met dat van de Oostenrijkse symfonicus kan meten, is het wel dat van Diepenbrock. Het is verder uiterst veelzeggend voor de deplorabele staat van de Nederlandse muziek dat van dit werk nog steeds geen volwaardige stereo-opname op cd verkrijgbaar is. Opnieuw is in deze Anniversary Edition de live en vanzelfsprekend mono vastgelegde vertolking uit 1956 door het Koninklijk Concertgebouworkest onder Eduard van Beinum uitgebracht waar artistiek niets op valt af te dingen maar die wat geluidskwaliteit betreft inmiddels enorm achterhaald is (de solisten van deze uitvoering staan in het boekwerk niet vermeld maar zijn door mij in de discografie – zie de pdf-bijlage – opgenomen). In de omroeparchieven zijn – zij het tevens in de vorm van live-opnames – stereoversies beschikbaar onder Gennadi Roshdestvenski en Jan Stulen bijvoorbeeld. Een van die twee had in deze box niet misstaan (eventueel naast die onder van Beinum).

Smeltkroes
Aan de hand van dat Te Deum, maar tevens zijn a cappella koorwerken en niet in de laatste plaats de imposante Missa in die festo krijgt men een gedegen indruk van Diepenbrocks bijzondere en unieke stijlgemiddelde. Een stijlgemiddelde waarbinnen ‘les extrêmes se touchent’. Aan de ene kant zijn er de invloeden van Bruckner, Wagner (alsmede in mindere mate: Mahler en Richard Strauss) alsmede Debussy en Ravel met pal daartegenover die van de door hem zo geliefde meesters uit de late Renaissance met Palestrina voorop en, last but not least, zijn fascinatie voor het Gregoriaans. Speciaal in de Missa in die festo komt deze smeltkroes van sterk uiteenlopende oriëntaties tot een verbluffende eenheid, wat duidelijk valt af te horen aan de fonografische primeur van de integrale versie van dit bijzondere ‘Opus Magnum’ door de tenor Deniz Yilmaz, het Groot Omroep mannenkoor onder supervisie van Sigvards Klava en met instrumentale begeleiding van organist Leo van Doeselaar. Een spraakmakende productie in het kader van de NTR zaterdag-matinee van 25 februari dit jaar. Heel boeiend om de door Diepenbrock georkestreerde versie met vier solisten en koor van het Kyrie en Gloria te ernaast te kunnen leggen dankzij de in deze verzameling opgenomen uitvoering door de jonge Bernard Haitink en de zijnen, opgenomen tijdens het Holland Festival van 1961. De dvd bevat de filmversie van de matinee uitvoering van de Missa en een boeiende documentaire over Diepenbrock in het algemeen in dit stuk in het bijzonder.

“ Symfonisch gedicht met obligate zangstem”
Een van de meest boeiende elementen in het oeuvre van Diepenbrock is het zogenaamde symfonische lied. Kenmerkend voor dit uitgekiende genre, waarin Diepenbrock Mahler ver vooruit was, zijn twee eigenschappen. Ten eerste dat de zangstem ondubbelzinnig ligt ingebed in een rijke en soms uiterst gedifferentieerde orkestklank en voorts dat er sprake is van een melodisch/harmonische ontwikkeling die in hoge mate karakteristiek is voor symfonische muziek. Alleen al de uitvoerige instrumentale inleiding tot Muss immer der Morgen wiederkommen? (Hymne an die Nacht II) maar tevens de daarin voorkomende tussenspelen, maken duidelijk dat het orkestrale discours en het vocale element als volstrekt evenwaardige entiteiten zijn behandeld en dat de rol van het symfonische ensemble zich dus allesbehalve beperkt tot een louter begeleidende. Wijlen de musicoloog en Diepenbrock-kenner bij uitnemendheid, Eduard Reeser, bezigt terecht de omschrijving van “een symfonisch gedicht met obligate zangstem”, zijnde een verschijnsel dat ten tijde van zijn ontstaan zonder precedent was en nadien tot voorbeeld heeft gediend voor Mahlers Das Lied von der Erde en de orkestliederen van Max Reger.

V.l.n.r. Willem Mengelberg, Gustav Mahler en Alphons Diepenbrock op de hei tussen Hilversum en Laren (27 oktober 1906)

Intimiderende schoonheid
Dit lied maar tevens Die Nacht, Im grossen Schweigen en niet te vergeten Gehoben ist der Stein (Hymne an die Nacht I) is – behalve de Missa in die festo en zijn toneelmuziek – toont Diepenbrock op het toppunt van zijn kunnen. Een alles-verterende melancholie alsmede een duistere, soms naar het ronduit mystieke neigende geheimzinnigheid gaan hand in hand met een gloedvolle, hymnische en extatische toon welke die aan Diepenbrocks stijl zo onvervreemdbaar eigen inslag verlenen. Daarbinnen is soms sprake van intrigerende herhalingen van een beperkt aantal motieven tegen de achtergrond van een extreem weelderig harmonisch decor, waardoor de muziek bij vlagen iets hypnotiserends en hallucinerends krijgt. De in deze collectie opgenomen uitvoeringen door de onvergetelijke sopraan Arleen Auger (Gehoben ist der Stein) met het KCO onder leiding van Chailly en Janet Baker (Die Nacht) met hetzelfde orkest onder Haitink zijn van een intimiderende schoonheid en op zich al een reden om deze set onverwijld aan te schaffen. Dat geldt onverminderd voor Linda Finnie en het Residentieorkest onder Vonk (Muss immer der Morgen wiederkommen) plus Robert Holl en het KCO onder Chailly (Im grossen Schweigen). Maar ook voor Eva Maria Westbroek, het Omroepkoor en het alweer vele jaren geleden opgedoekte Radio Symfonieorkest onder leiding van Ed Spanjaard in de prachtige Hymne aan Rembrandt.

Vocale coryfeeën
Uiteraard betreft het in deze box bijna allemaal opnames die eerder in omloop zijn geweest, maar die nu voor de eerste maal in een anthologie bijeen zijn gebracht. Zoals ook de verzameling liederen met pianobegeleiding met grote vocale coryfeeën als Jard van Nes, Roberta Alexander, Christoph Prégardien en Robert Holl, die eerder op NMclassics werden uitgebracht. Zeer onder de indruk was ik van Jard van Nes in bijvoorbeeld een uiterst doorleefde interpretatie van dat prachtige en vol tristanneske harmonische accenten stekende Mignon (Kennst du das Land wo die Zitronen blühen?). Aanzienlijk moeilijk verkrijgbaar is de reeks door Diepenbrock georkestreerde liederen die tevens uit diverse opnamebronnen- en locaties afkomstig zijn en waarvan de kwaliteit van de uitvoering soms varieert (vooral het aandeel van de – erg lijzig – zingende Lode Devos valt me niet mee).

Klinkende erfenis
Uiteraard is deze collectie niet te beschouwen als Diepenbrocks ‘Opera omnia’. Jammer is wel dat composities als Lydische Nacht (door Eduard Reeser bewerkt tot symfonisch gedicht en door het Residentie orkest onder Spanjaard ooit op Olympia vastgelegd; een cd die helaas niet meer verkrijgbaar is) het fraaie en, evenals de beide Hymnen an die Nacht op een tekst van Novalis gebaseerde, geestelijke lied Wenn ich Ihn nur habe, Vondels vaart naar Agrippine voor bariton en orkest en Carmen saeculare voor mannenkoor a cappella niet in deze verzameling konden worden ondergebracht. Maar dat laat onverlet dat deze zeer aantrekkelijk geprijsde cd-box (en waarbij het boekwerk is voorzien van alle gezongen teksten) een must is voor een ieder die met het fascinerende oeuvre van “de belangrijkste Nederlandse componist sinds Sweelinck” wil kennismaken. Laat ons tenslotte vurig hopen dat het daar niet bij blijft en dat de klinkende erfenis van Diepenbrock binnen afzienbare tijd een structurele plaats zal krijgen binnen het reguliere muzikale aanbod. Net zoals dat onder andere al sedert jaar en dag met componisten en tijdgenoten van Diepenbrock als, om slechts twee voorbeelden te noemen, Zemlinski en Delius het geval is.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links