CD-recensie

 

© Maarten Brandt, januari 2024

Delius: Eine Messe des Lebens RT II/4

Roderick Williams (bariton), Gemma Summerfield (sopraan), Claudia Huckle (alt), Bror Magnus Tødenes (tenor), Bergen Philharmonic Choir, Edvard Grieg Kor, Collegium Musicum Choir, Bergen Philharmonic Orchestra o.l.v. Mark Elder
LAWO LWC1265 • 90' •
Opname: sept. 2022, Grieghallen, Bergen

 

Frederick Delius (1862-1934) behoort zonder twijfel tot de meest markante Britse componisten. Hoewel, wat heet Brits? Want hij was - weliswaar op Engels grondgebied - geboortig uit een Duits emigrantengezin, bracht een deel van zijn leven in Florida door, maar was ook geruime tijd in Duitsland, Frankrijk en Noorwegen actief. Over wat hij daar allemaal niet beleefde zijn alleen al boekdelen te vullen, maar zeker is dat deze enorme geografische ‘Werdegang' van onmiskenbaar sterke invloed is geweest op de ontwikkeling van zijn muzikale vocabulaire. Een omstandigheid als gevolg waarvan hij moeilijk voor een gat is te vangen. Hem een eclecticus (dus iemand die allerhande stilistische invalshoeken naar zijn eigen hand zet en daaruit een intrigerende mix vervaardigt) noemen is echter veel te kort door de bocht. Daarvoor is deze klanktaal duidelijk te persoonlijk, getuige een idioom dat men op slag herkent als het geluid van de maker. En dat is een uniek geluid, evengoed getekend door zijn liefde voor Wagner – en met name diens muziekdrama Tristan und Isolde – als van Debussy, van welke componist echo's naklinken in Delius' magistrale opera A Village Romeo and Juliette, en in het bijzonder uit diens Pelléas et Mélisande. Aan de andere kant koesterde Delius evengoed een grote bewondering voor Richard Strauss, wat speciaal in de orkestratie nogal eens naar voren komt. Kortom, de liefde voor de Duitse en Franse toonkunst strijden in zijn oeuvre om het voorste gelid, een feit waardoor hij een zekere verwantschap vertoont met onze landgenoot Alphons Diepenbrock (toeval of niet: ook in 1862 ter wereld gekomen). Opmerkelijk bij deze internationaal georiënteerde Engelsman is ook hoe hij soms diverse elementen van volksmuziek in zijn werk betrekt, zoals bijvoorbeeld in de stukken die hij gedurende zijn verblijf in Florida schreef. Elementen die echter op een allerminst ‘toeristische' wijze in het discours zijn opgenomen, maar volledig omgevormd tot een onvervreemdbaar eigen klankgemiddelde.

Frederick Delius in 1907

Pleitbezorger
In ons land zal men Delius naam niet dikwijls op de concertprogramma's tegenkomen, ook al zijn er enkele belangrijke uitzonderingen, te beginnen met A Mass of Life (de in het Engels gezongen Eine Messe des Lebens), driemaal zelfs, op 23, 24 en 15 april 1992 in achtereenvolgens Den Bosch, Nijmegen en Eindhoven. Dit was dan meteen de Nederlandse vuurdoop, met als uitvoerenden Teresa Cahill (sopraan), Yvonne Minton (mezzosopraan), Justin Lavender (tenor), David Wilson-Johnson (bariton), The Brighton Festival Choir en Het Brabants Orkest o.l v. Richard Amstrong (met dank aan Gerard ten Hoope die mij deze informatie verstrekte).

Zoals ook de Nederlandse première van A Village Romeo and Juliette (1901) in december 2018 bij de NTR ZaterdagMatinee (waar anders?) en – zeer recentelijk, namelijk op 10 november 2023 – A song of the High Hills (1911) in het kader van de Utrechtse vrijdagavond- en door de AVRO/TROS georganiseerde concertserie in TivoliVredenburg, uitvoeringen die beide werden geleid door een van de meest belangrijke Delius-interpreten van dit moment, namelijk Sir Mark Elder die tevens bovenstaande opname van Eine Messe des Lebens (1905) voor zijn rekening nam. In het verdere verleden heeft het Concertgebouworkest zich nog wel eens onder Willem Mengelberg, Cornelis Dopper, Edgar Bainton, Eduard van Beinum, Victor Olof en – samen met Eric Fenby – de belangrijkste pleitbezorger voor het oeuvre van Delius: Thomas Beecham, over het werk van Delius ontfermd. En dan hebben we het over twee dirigenten die de componist persoonlijk niet alleen heel goed hebben gekend, maar hem ook regelmatig hebben bijgestaan bij de totstandkoming van zijn werken Tot de meest substantiële partituren die toen tot klinken zijn gebracht behoren Brigg fair (1907), het Pianoconcert (1897/1906) met als solist Marinus Flipse) en Paris, Song of a great city (1899). Laatstgenoemd werk klonk in Amsterdam in 1947 en na dat bewuste jaar heeft ons nationale ensemble nooit meer – als we het artistieke archief (voor iedereen beschikbaar) van het Concertgebouworkest mogen geloven – ook maar één noot van Delius tot leven gewekt. Hoe het met de andere orkesten zit heb ik niet kunnen achterhalen, behalve dat bij oud chef-dirigent Eduard Flipse van het Rotterdams Philharmonisch Orkest bij tijd en wijle werk van Delius op de lessenaars prijkte. Om welke composities het ging, daarover valt in de door Jan Kosten geschreven driedelige Kroniek, uitgegeven ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van dit gezelschap jammer genoeg niets te lezen. Later heeft koordirigent Jos Vranken in het kader van het Internationaal Koorfestival ook werk van Delius uitgevoerd, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik niet heb kunnen achterhalen wat er toen is gezongen.

Friedrich Nietzsche met zijn zuster in 1899

Familie
En dat brengt ons tot het hoofdonderwerp van dit verhaal: Eine Messe des Lebens . Zou dit imposante geheel, gebaseerd op teksten uit Also Sprach Zarathustra van Friedrich Nietzsche (1844-1900), ooit in ons land zijn uitgevoerd? Wie het weet, mag het zeggen. En mocht dat niet zo zijn, en die kans acht ik zeer waarschijnlijk, dan is dat toch wel vreemd. Juist omdat alhier, zij het weliswaar vanwege de enorme bezettingen niet vaak, gigantische werken als Mahlers Achtste symfonie en Schönbergs Gurre-Lieder wel de nodige malen tot klinken zijn gekomen, stukken die men toch in zekere zin – alle stilistische verschillen ten spijt – als een niet eens ‘zo verre familie' van Delius' groots bezette oratoriumachtige Opus Magnum, want dat is zijn Eine Messe des Lebens zonder ook maar de geringste twijfel, zou kunnen opvatten. Hoewel, over ‘familie van' gesproken; het ligt omgekeerd, want Mahlers Sinfonie der Tausend kwam pas jaren na Delius' mis gereed die, als gezegd, in 1905 werd voltooid en Mahlers koorsymfonie pas in 1907. En daarbij kennen we ook in Nederland Eine Lebensmesse. Te weten die van Jan van Gilse die een jaar eerder dan die van zijn Engelse confrater gereed kwam, zij het niet gebaseerd op woorden van Nietzsche, maar van Richard Dehmel.

Optimale verwezenlijking
Wie aan een mis denkt krijgt vanzelfsprekend snel associaties met godsdienst, maar als het in het geval van Delius ergens niet over gaat, dan is het dat wel. Christelijke elementen zal men in Eine Messe des Lebens vergeefs zoeken. Wat niet betekent dat dit muzikale bouwwerk van begin tot eind niet wordt geschraagd door een enorme spiritualiteit, iets waaraan niet alleen de teksten van Nietzsche alle aanleiding geven, maar bovenal de wijze waarop de componist diens woorden heeft getoonzet. Daarbij is Delius niet over een nacht ijs gegaan, want alvorens aan deze mis te beginnen heeft hij zo goed als alles van deze filosoof doorgespit. Zoals Andrew Mellor terecht in zijn commentaar bij bovenstaande riante cd-uitgave – waarop de Noorse première valt te beluisteren! - niet verzuimt te vermelden, beschouwde de componist Nietzsche eigenlijk als zijn geestelijke vader als dankbaar alternatief voor het christendom waarmee hij niets op had, om niet te zeggen dat hij de uitgangspunten daarvan verafschuwde. Wat hem in diens filosofische publicaties aansprak was het idee van de Übermensch, in Delius' visie op te vatten als het menselijk individu dat in volledige onafhankelijkheid van wie of wat ook streeft naar de optimale verwezenlijking van zijn of haar idealen. Toegegeven dit zijn ook de thema's die we in alle denkbare mythen en godsdiensten tegenkomen. Met dien verstande dat het – volgens Nietzsche en dus ook Delius – slechts de mens zelf is die deze queeste, en dit in alle vrijheid, kan ondernemen: het is het ultieme doel van zijn leven. In het hier en nu. Uiteraard is het Zoroastrisme van huis uit ook een zij het niet perse formeel godsdienstige stroming, maar toch in ieder geval een religieuze beweging, die echter door Nietzsche is omgevormd tot een metafoor voor het Leven geschreven met een kapitale letter dat tot in zijn grootste toppen en dalen moet worden ervaren.

Poëtische kracht
De gedachte van de integrale mens die door zijn teleurstellingen heen zowel de afgrondelijke diepe en vol geheimen stekende duisternis van de nacht als de meest fenomenale Mount Everest-achtige hoogten vermag te bereiken; dat is zo eenvoudig mogelijk uitgedrukt het onderwerp van deze in muziek gevatte reis. Waarbij bovendien met nadruk te bedenken valt dat het Delius er niet om te doen was een brok filosofie op muziek te zetten, maar integendeel de in de woorden van deze grote denker opgesloten zijnde poëtische kracht tast- en voelbaar te maken. Met andere woorden, het beleven – of beter wellicht: doorleven – van klank en woord is van aanzienlijk meer belang dan het begrijpen er van. Het werk, bestaande uit twaalf en over twee delen uitgecomponeerde episodes, culmineert in het befaamde ‘Mitternachtslied' – heel bekend dankzij het gelijknamige onderdeel uit Mahlers Derde symfonie – waarop gaande het verloop van het stuk bij herhaling wordt geanticipeerd, maar dat ook al eerder compleet en wel de revue passeert:

O Mensch! Gib acht!

Was spricht die tiefe Mitternacht!

Ich schlief, ich schlief.

Aus tiefen Traum bin ich erwacht:

die Welt is tief.

Und tiefer als der Tag gedacht:

tief ist ihr Weh,

Lust tiefer noch als Herzeleid.

Weh spricht: Vergeh!

Doch alle Lust will Ewigkeit,

will tiefe, tiefe Ewigkeit!

O Mensch! Gib acht! in het handschrift van Friedrich Nietzsche

Het is diezelfde nacht waarin de meest verheven, erotische en melancholiek/ extatische impressies tot volle wasdom komen. Eigenlijk op een wijze die verwant is te noemen aan de teksten van Novalis, die zo meesterlijk in muziek zijn belichaamd door Diepenbrock. Dit getuige onderstaande strofe uit Delius' monumentale kunstwerk en gezongen door het koor en de bariton die in dit werk de hoofdrol van de vier solisten is toebedeeld en Zarathustra verbeeldt:

Ach! Das ich Licht sein muss! Nun bricht

wie ein Born aus mir mein Verlangen!

Nacht ist es: nun reden lauter alle

springenden Brunnen. Und auch meine

Seele ist ein springender Brunnen!

Nacht ist es: nun erst erwachen alle

Lieder der Liebenden und auch meine

Seele ist das Lied eines Liebenden.

En wat te denken van het slot, waarin alle solisten, koor en orkest zich verenigen:

Alle Lust will aller Dinge Ewigkeit! Was

will nicht Lust! Sie ist dürstiger, herzlicher,

hungriger, schrecklicher, heimlicher als

alles Weh: sie will Liebe, sie will Hass, sie

ist überreich, so reich is Lust, dass sie

nach Wehe dürstet.

Nach Welt, ihr höheren Menschen,

nach euch sehnt sie sich, die Lust, die

unbändige, selige.

O Glück! O Schmerz! O brich Herz!

Lust will Ewigkeit! Lust will aller Dinge

Ewigkeit! Will tiefe, tiefe Ewigkeit!

Een meesterzet van Delius (over ‘timing' gesproken!) is om na deze overrompelende episode en de indruk ontstaat dat alles voorbij is, het koor te laten naresoneren met een schitterend ingehouden gezongen ‘Ewigkeit'. Op een andere manier bijna even aangrijpend als de laatste maten van Mahlers Das Lied von der Erde.

‘Orgasme'
Wat Delius in navolging van Nietzsche zo schitterend in dit stuk tot uitdrukking brengt is het feit dat wat in de godsdiensten aan de orde wordt gesteld in beginsel niet iets van buitenaf is, maar schuilt in het wezen van de mens zelf. De mens die voortdurend balanceert halverwege vertwijfeling en hoop en – gedreven door zijn wil om te leven – per definitie streeft (en hier raken we ook aan Sigmund Freud) naar lust, de lust die hij in de eeuwigheid bezegeld wil zien en waarvoor hij alles op het spel zet. De tragiek is alleen, om een uitspraak van een goede vriend van ondergetekende te parafraseren, dat de mens niet bij machte is op deze wereld “in een orgasme te wonen”, terwijl het verlangen daarnaar (waarbij ‘orgasme' ruim moet worden opgevat en meer in termen van ‘zielsverrukking' dan in die van het louter seksuele), hetzij bewust dan wel onbewust, een van de meest wezenlijke drijfveren van zijn bestaan is. En dan hebben we het over hetzelfde verlangen als dat wat doorklinkt in Tristan und Isolde. Het is dus beslist geen toeval dat er diverse momenten zijn waarop, zij het nog zo subtiel, op Wagners gelijknamige muziekdrama wordt gezinspeeld, meer in het bijzonder op die ogenblikken waarop Delius dicht tegen het Tristan-akkoord aanschurkt zonder het letterlijk en volledig te citeren. Een aanpak die overigens ook in tal van zijn andere werken bespeurbaar is, zoals onder andere in zijn fabuleuze Songs of Sunset (1907).

Dat fameuze Tristan-akkoord:

‘Vollendung'
Typerend voor het karakter van deze Messe, die met een zeldzaam overdonderende fortissimo-passage voor koor en orkest opent die nog lang blijft nazinderen, is het naadloos samengaan van momenten – vooral die, en dat zijn er nogal wat, welke gelieerd zijn aan het dansaspect en waarover in de tekst herhaaldelijk wordt gerept – die haast frivool overkomen met episodes die van een zeldzame fijnzinnigheid blijkgeven en beurtelings gestalte verlenen aan een mild-omfloerste lyriek en een onverbloemd extatische euforie. Dit met als onderliggende grondtoon dat typisch laatromantisch eschatologische, dat gericht zijn op het finale gevoel van het doorleven van een traject naar een onbestemde eindbestemming, ja het bereiken van iets wat onze oosterburen zo mooi omschrijven met het in het Nederlands moeilijk sluitend te vertalen woord: ‘Vollendung'. Dat eschatologische in de meest universele zin van dit begrip, zoals dat ook tot uitdrukking komt in eerder genoemde werken van Mahler en Schönberg. Wat daar ook van zij, zoveel staat zo vast als een huis: Delius was met zijn Eine Messe des Lebens zijn tijd beslist vooruit en voelde op zijn manier de ‘Zeitgeist' haarscherp aan.

Een ander opvallend fenomeen is het feit dat, ondanks dat het om een immens koorwerk gaat, het werk evengoed – zeker in het tweede deel – betoverende, hoogst evocatieve en uitgebalanceerde puur instrumentale episodes bevat. Deze hebben over het algemeen een al dan niet mysterieus pastoraal karakter, waarin onder meer bij machte van fraaie passages voor de hoorn al een ruim voorschot wordt genomen op eerder genoemde A Song of the High Hills. Met andere woorden, het symfonische element is in Eine Messe des Lebens soms heel sterk vertegenwoordigd.

Van het werk bestaan enkele spraakmakende opnamen. Daarbij denk ik niet alleen aan de liveregistratie met de keurtroepen van de BBC onder Norman del Mar uit 1971 met als grote ster de jonge Kiri te Kanawa (Intaglio), de studio-opname uit datzelfde jaar (EMI, eveneens met de BBC ensembles) geleid door Sir Charles Groves of de Chandos-vastlegging onder Richard Hickox uit Bournemouth (vereeuwigd in 1997) dan wel die onder supervisie van David Hill op Naxos, maar meer in het bijzonder aan die ‘goude oude' uit mijn geboortejaar 1953, die met het Royal Philharmonic Orchestra en het London Philharnomic Choir onder Sir Thomas Beecham (Sony). Hoe fraai de bijdragen van de diverse betrokkenen in die andere opnamen ook zijn, niemand heeft – althans tot voor kort – de geest van dit bijzondere en enerverende brok muziek raker getroffen dan Beecham destijds en dit ondanks de inmiddels qua weergavetechniek natuurlijk behoorlijk achterhaalde uitgave. Alle karakteristieken, zoals ik die hiervoor heb trachten te omschrijven komen onder de baton van deze boezemvriend van Delius volledig tot hun recht. Het extatische, beschouwende, poëtische, het zorgvuldig balanceren op het snijvlak van sentimentaliteit, het pompeuze en het beheersen van de vorm; alles komt in die oude vertolking fenomenaal uit de verf. Geen wens blijft artistiek onvervuld, ook niet bij de solisten Rosina Raisbeck, Monica Sinclair, Charles Graig en Bruce Boyce.

Onderzoek
Beter kan niet, denk je dan, totdat Mark Elder een reeks concerten met dit werk op het programma in Bergen dirigeerde en het geheel vervolgens in de studio vastlegde op een wijze die alle uitvoeringen, met uitzondering van die onder Beecham, ver achter zich laat. Daarbij bovendien geholpen door een technische team dat elk detail, het kleinste niet uitgezonderd, minutieus zorgvuldig vastlegde, zonder dat de muzikale en spirituele vervoering daar ook maar een seconde onder heeft geleden. En het wonderlijke is dat, zonder dat de enorme climaxen die dit geheel telt tekort worden gedaan (wat heet!), niet zelden de indruk ontstaat van een soort wijdvertakte vorm van kamermuziek, waarbij een balans ontstaat waar Beecham cum suis alleen nog maar van konden dromen, maar wat ook de uitkomst is van het onderzoek dat Elder heeft gedaan, alvorens dit werk uit te voeren. Laten we hem zelf aan het woord:

“It is often over-scored (…) Strauss was a big influence on Delius which can result in occasional over-exuberance that can drown out words.”

Waar nog bij komt dat Delius nauwelijks expressieve aanwijzingen in de partituur heeft genoteerd, wat hoe dan ook betekent dat iemand die zich aan een opus als het onderhavige wil wagen voor de opgave komt te staan zelf keuzes te maken. Zoals ook en vooral Beecham heeft gedaan, die bovendien in zijn edities heeft vastgelegd en op wiens uitgaven van Delius' klinkende nalatenschap door menige dirigent wordt teruggegrepen. Elder vervolgt:

“Beecham made many decisions for us in his editions but I feel some of these are gilding the lily. I found myself stripping back, taking away expression markings that Beecham had put in, going for something more transparent and simple.”

En over de tegenstellingen tussen de meer ingetogen episodes en de tutti:

“The strenght of the contrasts. I try to make the most of these: the quiet passages really tender and beautifully sustained, combined with agression and drama where possible.”

Wat Elder eigenlijk heeft gedaan is het toepassen van een subtiele historiserende uitvoeringspraktijk. En wel door terug te gaan naar de meest betrouwbare bron, namelijk niet meer en niet minder dan louter de noten van Delius zelf. Mede dat maakt dit schitterende en ook nog om een andere reden uiterst verrassende pleidooi* tot een uitgave van eminent historisch belang, wat geen kritiek betekent aan het adres van Beecham, maar veeleer iets zegt over hoe wij anno nu met muziek om gaan, althans om zouden moeten gaan. En zoveel is onmiskenbaar zonneklaar, de ondubbelzinnig hoge kwaliteit van deze partituur komt zodoende alleen maar meer tot haar recht. Zeker in een uitvoering als deze uit Bergen. De koren leggen een enorme homogeniteit aan de dag en inderdaad: zelfs tijdens de meest extreme fortissimi blijft alles volkomen doorzichtig en sterker nog: is er zelfs nog een ruime reserve over alvorens het plafond wordt bereikt.

Bijna-legato
Over het solistische team ook niets dan de hoogste lof. En speciaal natuurlijk voor de bariton Roderick Williams die in deze lezing van Delius' unieke mis in zijn rol van Zarathustra naast Elder als geen ander het gebeuren draagt. Wat een dictie spreidt deze fameuze zanger ten toon! Dat is echt een verhaal apart. Een ander verhaal apart is de sopraan Gemma Summerfield. Luister en raak ontroerd hoe zij onderstaande strofe zingt:

“Und sie sahen sich an und blickten auf die grüne Wiese, über welche eben der kühle Abend lief und weinten mit einander.”

Vooral bij dat werkelijk subliem gerealiseerde bijna-legato op de woorden ‘Abend' en ‘lief' is het bijna onmogelijk de ogen droog te houden en wordt men haast automatisch herinnerd aan de sopraan Rosina Raisbeck van de legendarische Beecham-opname. En zo wemelt het van de meest fenomenale momenten zonder dat de grote lijn er aan hoeft te geloven. Want dat is ook een van de geheimen van Elder, de enorme greep die hij op alle executanten heeft zonder dat de vrij-stromende adem waar de voortgang het van moet hebben ook maar bij benadering onder druk komt te staan. En dan te bedenken dat het de eerst maal was dat Eine Messe des Lebens in Noorwegen klonk, uitgerekend een van de landen waarin Delius zoveel voetstappen heeft achtergelaten. Maar beter laat dat nooit zullen we maar zeggen, want voor het resultaat past slechts één woord: uitmuntend!

______________
*) Tijdens een van de live-uitvoeringen die de opmaat vormden tot deze studio-registratie werd samengewerkt met een virtueel koor samengesteld uit – na een auditie toegelaten – gedegen amateurzangers vanuit alle windstreken van de wereld, het zogenaamde ‘Choir of the Earth', ontstaan op initiatief van Ben England, de leider van dit gezelschap. Met andere woorden alle leden van dit gigantische koor zongen thuis mee met de uitvoerenden in Bergen onder de onvolprezen dirigent Sir Mark Elder. Kan het mooier en symbolischer in een tijd waarin zoveel oorlogen en conflicten woeden mensen met elkaar via Eine Messe des Lebens met elkaar worden verbonden, dus over alle grenzen en tegenstellingen heen? Wel te verstaan op een wijze waarop deze mis nooit heeft geklonken in welke zin hier dus met recht van een wereldpremière kan worden gesproken. Wie een indruk wil krijgen van dit unieke evenement zij verwezen hier naar YouTube.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links