CD-recensie

 

© Maarten Brandt, mei 2024

Bruckner: Symfonie nr. 9 in d, WAB 109

Gürzenich-Orchester Köln o.l.v. François-Xavier Roth
Myrios Classics MYRO34 • 53' •
Live-opname: juni 2022, Philharmonie, Keulen

 

De Franse dirigent François-Xavier Roth behoort zonder ook maar de geringste twijfel tot de meest veelzijdige musici van dit moment. Om het even of het nu muziek uit de barok betreft - waaraan zij toegevoegd dat hij de kneepjes van de historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk tot op de kleinste vierkante millimeter beheerst - dan wel de meest extreme uitingen van de avant-garde en alle repertoiregebieden daartussen in; in alles staat hij geducht zijn mannetje. Kortom dit is zo'n dirigent, daarmee in de voetsporen tredend van wijlen Hans Rosbaud en Michael Gielen, voor wie werkelijk geen zee te hoog gaat en bevlogen artistiek directeuren (hoeveel zijn het er nog? Het is een uitstervend ras) van orkesten mijns inziens in de rij zouden moeten staan. En met zijn Franse orkest Les Siècles heeft Roth natuurlijk geschiedenis geschreven door de legendarische wijze waarop hij de stofkam - over historische geïnformeerd gesproken! - heeft gehaald door de partituren van de Russische balletten van Stravinsky alsmede de nodige Franse bekende, maar ook minder bekende componisten, daarmee een schat aan nieuwe inzichten ontvouwend die zonder precedent is. Overbodig te zeggen dat daar op onze site de nodige aandacht aan is besteed. Kortom als er iemand is die zijn bronnen kent, om het even betreffende welk repertoire hij ten gehore brengt - althans dat is toch (en op het eerste gezicht volkomen terecht) de overheersende indruk - is het Roth wel.

Verbazing
En juist daarom, het hoge woord moet er meteen maar uit, wekt deze heet van de naald verschenen opname van Bruckners Opus Ultimum, zijn Negende , de nodige verbazing. Wat lezen we in de toelichting van Volker Hagedorn?

"Jeder kennt die Adresse, jeder kennt Bruckner - was der sich freilich nicht hätte träumen lassen, als er vor mehr als drei Jahrzehnten von Linz nach Wien zog. Und jeder kann der Neue Freien Presse entnehmen, das sich im Nachlass "Skizzen zum vierten Satz seiner Neunten Sinfonie" befinden, von der nur drei Sätze fertig geworden seien. Am Dienstag, das Sterbezimmer ist noch nicht versiegelt, kommen die Andenkenjäger. "Befügte und Unbefügte" stürzen sich "Wie die Geier", so Bruckners entsetzter Arzt, auf die Papiere. Zahlreiche Manuskripte werden gestohlen. Als sechs Tage später der Rest gesichtet wird, sind vom Finale der 9. Sinfonie noch 75 Partiturbögen vorhanden - und selbst die bleiben nicht beieinander. Der Satz lag wohl zumindest in einem ersten Stadium - von einer abschließende Lösung weit entfernt - mit Streichern in Tinte und Instrumentationshinweisen schon vollständig vor, und bis 2012 konnten von 653 Takten immerhin 557 wieder zusammengetragen werden. So gesehen har Bruckner die Vollendung der Sinfonie doch knapp geschafft - obwohl er sich schon 1894 "unheilbar" wusste und seit 1892 aufgrund einer Aortenklappen-Insuffizienz an Atemnot litt."

Musicologische werkelijkheid
Dit verhaal is zo oud als de weg naar Rome en het is mij volstrekt onbegrijpelijk waarom er met geen woord ook maar bij benadering wordt gerept over de serieuze pogingen die inmiddels zijn ondernomen om de finale te reconstrueren door onder anderen William Carragan (meerdere versies), het viertal Nicole Samale, John Phillips, Benjamin Gunnar Cohrs en Giuseppe Mazzuca (idem) alsmede Sébastien Létocart. Elders op deze site valt daar veel wetenswaardigs over te lezen. Uiteraard heeft een dirigent het volste recht om - op emotionele gronden en eindeloos lang zijn we natuurlijk opgegroeid met een werk dat met een zeer aangrijpend adagio eindigt - voor de driedelige versie te opteren, zij het dat hij of zij daarbij niet wordt ondersteund door de musicologische werkelijkheid van dit moment. Want zoveel is zeker, het vierde deel van Bruckners Negende is op de kop af voltooid; het materiaal is voor 98 procent compleet. Iets wat men van Mozarts Requiem moeilijk kan beweren, terwijl geen dirigent er moeite mee heeft dit werk waar ook ter wereld ook te vertolken. En wat te denken van de diverse uitvoeringsversies van de Tiende van Mahler? Waarbij het voor het overgrote deel gissen is van wat de componist - behalve inzake het openingsadagio en het Purgatorio - voor ogen stond. Zeker, de muziek is prachtig - in het bijzonder wat de versie van Deryck Cooke betreft - maar er zit toch veel in de uitspraak van Marius Flothuis die de realisatie van eerstgenoemde bestempelde als "De Eerste symfonie van Cooke, gebaseerd op de schetsen van de Tiende symfonie van Mahler." Toch is met name die Cookeversie een niet meer weg te denken repertoirestuk geworden en loopt de overgrote meerderheid van de dirigenten, en speciaal de internationaal gereputeerde maestro's, met een wijde boog om de finale van Bruckners Negende heen. Hulde dus voor Simon Rattle die het avontuur met de Berliner aandurfde (en voor EMI vereeuwigde) en Riccardo Chailly die Bruckners zwanenzang wel serieus nemen in haar vierdelige vorm - in beide gevallen die van de reconstructie van Cohrs et al - waardoor het Concertgebouworkest het tweede internationale topensemble zal zijn dat hier (op 6 februari 2025) een lans voor breekt. En uiteraard valt vurig te hopen dat Decca hier een opname van zal uitbrengen.

Tegendraads
Maar nu terug naar Roth die met het Gürzenich-Orchester Köln onderweg is met een complete Bruckner-cylus en waarvan de Negende welgeteld de vierde aflevering is. Het goede nieuws is dat hij een voor mij totaal nieuw licht op het scherzo werpt door het ritme van de tutti slagakkoorden op een wijze te laten klinken zoals ik dat nog nooit eerder heb gehoord. Zeer tegendraads, met uitgekiende dynamische contrasten en vol van een zeldzame demonie. Dit met als gevolg een geheel dat in zekere zin als een voorafschaduwing kan worden beschouwd van de martiale en agressieve aanhef van l'Adoration de la terre uit Stravinsky's Le sacre du printemps . Dankzij die aanpak verliest het trio ook veel meer van zijn onschuld dan onder andere dirigenten. Met andere woorden Roths ervaringen als interpreet van 20 e eeuwse en eigentijdse muziek werpen in deze zonder twijfel hun vruchten af.

Klinkende eschatologie
Maar over de delen 1 en 3 ben ik weinig te spreken. Niet zozeer omdat de tempi aan de wel zeer vlotte kant zijn. Deel 1 neemt bij Roth bijvoorbeeld 22'37 in beslag. Op zich hoeft dat geen bezwaar te zijn, zeker indachtig een uitspraak van Hartmut Haenchen die er terecht op wijst dat aanduidingen als 'feierlich' en 'misterioso' niet als tempo- maar karakteraanduidingen dienen te worden opgevat. Bovendien, Eugen Jochum zit met zijn opnamen van dit werk wat dat openingsdeel betreft altijd op ongeveer ruim 23 en een halve minuut, maar wat een grandeur en monumentaliteit straalt de muziek daar uit! Echter zowel in het eerste deel als het adagio,dat hier in 20'34 minuten voorbij waait, ontbreken juist die eigenschappen welke deze symfonie - om het even of deze nu met of zonder finale wordt uitgevoerd - tot zo'n enorm hoogtepunt in de symfonische literatuur maken: het somptueuze, de enorme 'Sehnsucht' en 'Weltschmerz' (Vestdijk beschouwde de Zesde van Mahler eerder als hyperextatische muziek dan tragisch, maar Bruckners Negende , die was volgens hem pas echt vervuld van smart, zeker wat het eerste deel betreft) en last but not least: het eschatologische. En juist dit werk is bij uitstek op te vatten als klinkende eschatologie, en dit in de meest nadrukkelijke zin wanneer we het over het adagio hebben, dat tot de meest verheven langzame delen behoort die er ooit zijn geschreven.

Voorschot
Voorts neigen de strijkers bij vlagen wel heel sterk naar het non-vibrato en is het alsof er te ver door wordt geslagen naar de historiserende uitvoeringspraktijk, een eigenschap die men tevens bij Roger Norrington in dergelijk repertoire tegenkomt. De uitkomst is dat het eigentijdse wat in het scherzo zo fenomenaal naar voren komt in de hoekdelen juist - en helaas - schittert door afwezigheid. Neem opnieuw dat adagio waarin al een ruim voorschot wordt genomen op Schönbergs Erwartung, Ligeti's Lontano en bij vlagen ook de muziek van Messiaen (door Hans Reichenfeld in het aloude Algemeen Handelsblad ooit 'De Bruckner van de 20ste eeuw' genoemd'). Dat hoort men bij Jochum, die bij mijn weten boven genoemd repertoire nooit heeft gedirigeerd, juist wel. Vlotte tempi, geen enkel probleem. Dat hebben onder meer Volkmar Andrea, Eduard van Beinum en - recentelijk - Hartmut Heanchen klinkend bewezen. Wanneer echter het karakter niet of onvoldoende wordt getroffen, de 'suspense' ontbreekt (mede omdat Roth weinig op heeft met rubato) en de transities (met name de harmonische) ondergesneeuwd raken, ja, dan wordt (hoe paradoxaal het ook moge overkomen) het beluisteren van Bruckner en zelfs diens pionierende Negende symfonie gedegradeerd tot een langdradige affaire. Dat betekent niets ten nadele van het uitstekende orkestspel en de zonder meer geslaagde opname, maar daarmee is de zaak jammer genoeg niet gered.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links