CD-recensie

 

© Maarten Brandt, april 2022

Wagner: Tristan und Isolde: Vorspiel und Liebestod

Bruckner: Symfonie nr. 1 in c, WAB 101 (Wiener Fassung 1890/91, Editie Günter Brosche) - nr. 5 in Bes, WAB 105 (Editie Leopold Nowak)

Gewandhausorchester Leipzig o.l.v. Andris Nelsons
DG 486 2083 • 73' + 75' • (2 cd's)
Live-opname: mei 2021 (Wagner), nov. 2020 (Bruckner 1), mei 2019 (Bruckner 5), Gewandhaus, Leipzig

   

Over Bruckners Eerste symfonie symfonie (feitelijk zijn tweede, want Bruckner schreef zijn zogenaamde Nulde of ‘annulierte' symfonie in d na de gereedkoming van zijn eersteling en als we Paul Hawkshaw – een van de grote autoriteiten op Brucknergebied – mogen geloven in 1869, pal na zijn verhuizing van Linz naar Wenen) het volgende wat de versies betreft: met het origineel begon de componist in 1865 en een jaar later werd het geheel voltooid. En wel in Linz, waar Bruckner toen als Domkapellmeister in zijn levensonderhoud voorzag. Met behulp van een door hemzelf samengesteld gelegenheidsorkest leidde hij vervolgens op 9 mei 1868 in deze stad de vuurdoop van het werk. Een compositie die steevast bekend is geworden als Linzer Fassung en onder deze toevoeging door verreweg de meeste dirigenten van weleer werd vastgelegd, zoals Haitink (Philips), Jochum (DG en EMI), Karajan (DG) en noem maar op. Maar… en nu komt het: in 1877 werkte Bruckner de symfonie om, zij het wat kleine details betreft, maar toch… En het is uitgerekend deze versie (uitgegeven door Haas en Nowak) waarvan bovenstaande en vele andere dirigenten zich bedienden en veelal nog bedienen. Dit terwijl de revisies die Bruckner in 1877 doorvoerde niet in Linz hun beslag vonden, maar in Wenen! Dus zou het in de rede hebben gelegen deze zogenaamde Linzer Fassung als eerste Wiener Fassung te bestempelen, want zoveel is hoe dan ook duidelijk, de enige echte Linzer Fassung is die uit 1866, waarvan door William Carragan in 1998 een reconstructie werd verzorgd die onder George Tintner (Naxos) en Simone Young (Oehms) op cd werd gezet.

Verafgoding van Wagner
Om het verhaal zo simpel mogelijk te houden, wat wij anno nu de Wiener Fassung noemen is in werkelijkheid de derde versie van Bruckners Eerste symfonie die in de jaren 1890 en 1891 in Wenen gereed kwam en waarvoor tot op heden onder meer Günter Wand (RCA/Sony), Riccardo Chailly (Decca) en Claudio Abbado (DG en Accentus, met het Lucerne Festival Orchestra) een registratie verzorgden. De verschillen tussen de realisatie van de 1866-versie door Carragan en de geruime tijd later tot stand gekomen tweede Wiener fassung uit 1890/91 zijn van aanzienlijk fundamentelere aard dan wat Bruckner in 1877 aan veranderingen heeft aangebracht. Dat is geen wonder, want vergeten we niet dat Bruckner, in de tijd toen hij zijn Eerste herzag net de laatste hand had gelegd aan de monumentale Achtste symfonie en zelfs al aan zijn Negende was begonnen. En bovendien had zijn verafgoding van Wagner en vooral diens grensverleggende harmonische idioom nog diepere sporen getrokken dan in 1877. Even tussen haakjes: de oerversie van de aan Wagner opgedragen en vol citaten uit diens muziekdrama's stekende Derde symfonie dateert al uit 1873, een werk dat in zijn oorspronkelijke vorm reeds opvalt door een ongekende stoutmoedigheid.

Totaal ander licht
Ofschoon, zoals onze zuiderburen dat zo treffend weten te verwoorden, de ‘factuur' van de compositie ook in die latere Wiener Fassung van A tot Z herkenbaar is, is het harmonische idioom op zijn zachtst uitgedrukt enorm uitdagend en prikkelend, waardoor het vermeend bekende in een totaal ander licht komt te staan. We horen hier een componist die elke uithoek van bijvoorbeeld Tristan en Tannhäuser tot in het kleinste detail minutieus heeft verkend. Om slechts een voorbeeld te noemen, ongeveer halverwege het adagio passeert een episode de revue waarin bedenkelijk dicht tegen de atonaliteit wordt aangeschurkt en het soms lijkt alsof – metaforisch gesproken – de grond onder de voeten wegzinkt. Ook in de finale zijn passages die veel breder en pionierender zijn uitgevallen dan in de bekende zogeheten Linzer Fassung uit 1877. Hoe imposant in het bijzonder de vertolking onder Abbado uit Luzern ook moge zijn, Nelsons – die met bovenstaande release zijn Brucknercyclus afsluit - is een geduchte concurrent die met name in het langzame deel, althans wat deze editie betreft, de teugels nog ruimer laat vieren dan om het even wie ook, als gevolg waarvan die harmonische overgangen op een manier tot klinken komen die je de adem doet inhouden. Ook in de overige delen laat de dirigent geen gelegenheid onbenut de talrijke verrassende details nadrukkelijk te belichten zonder ook maar één seconde de grote lijn uit het oog te verliezen. De combinatie met Wagners Vorspiel und Liebestod , waarmee de eerste cd van wal steekt is in het kader van de vernieuwingen die Bruckner met zijn herziening van de Eerste symfonie invoerde een zeer zinvolle. Nog afgezien van het feit dat Nelsons er een uiterst verschroeiend en ongenaakbaar pleidooi voor houdt. En wat is dat Leipziger Gewandhausorchester een fenomenaal Bruckner-ensemble! Wat ook weer niet zo verwonderlijk is want vóór Nelsons vereeuwigden achtereenvolgens Kurt Masur (RCA) en Herbert Blomstedt (Querstand) met dit gezelschap ook een integrale cyclus, zij het – net als hun latere collega - zonder de Nulde symfonie.

Uiterst temperamentvolle interpretatie
Natuurlijk heb ik met niet minder hooggespannen verwachtingen naar Nelsons lezing van de Vijfde symfonie uitgekeken. Wie op zoek is naar wierrook en sacraliteit moet ik teleurstellen, maar wie het te doen is om een ideale synthese van een classicistische benadering en een zo vast als een huis staande en uiterst temperamentvolle interpretatie wordt op haar en zijn wenken bediend. De tempi zijn, op het adagio na, dat ca. 18 minuten in beslag neemt, aan de vlotte kant, waarbij alles zo goed in proportie verkeert dat niets gejaagd overkomt. Maar laten we bijvoorbeeld niet vergeten dat ‘fuga' (het grote onderwerp van het laatste deel van deze symfonie) letterlijk ‘vlucht' betekent, een wetenschap die bij Nelsons bepaald niet aan dovemansoren blijkt te zijn gericht. Dat Bruckners Vijfde tot de categorie van klassieke (ik de bedoel dit in de ruimste zin van dit begrip) meesterwerken behoort als Mozarts Jupiter en Mahlers Zesde symfonie, ook daarvan moet Nelsons zich, gehoord dit imposante resultaat, ten diepste bewust van zijn geweest. In de hoekdelen wordt men getroffen door een kolossale ‘drive' die op zijn beurt wordt geschraagd door een enorme energie, die soms door roeien en ruiten gaat en in de coda (wat een paukenroffel aan het eind, omverwerpend!) tot een volkomen organische en logische apotheose voert. Het is een aanpak die me soms aan de late Haitink deed denken, speciaal aan diens vastlegging van deze immense Vijfde Bruckner met het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks (BR) waar het olympische vuur net zo van af spat als in deze vertolking onder Nelsons. En dat bedoel ik als een zeer groot compliment voor laatstgenoemde. Kortom een schitterende afsluiting van een buitengewoon fraaie Brucknercyclus, waarbij men het alleen maar kan betreuren dat Nelsons niet te porren was om de finale van de Negende in de editie van Giuseppe Mazucca, Nicola Samale, John Phillips en Benjamin-Gunnar Cohrs vast te leggen. Maar laat u dat niet afhouden van de aanschaf van deze glorieuze set, die ook qua opnametechniek klinkt als een klok!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links