CD-recensie

 

© Maarten Brandt, december 2021

Bruckner: Symfonie nr. 4 in Es (Romantische), WAB 104

Eerste versie (1874, revisie 1875/76, editie Korstvedt 2021) - Tweede versie (1878/80, revisie 1881, editie Korstvedt 2019) - Derde versie (1887/1888, publicatie 1889 editie Korstvedt 2004) - fragmenten uit allerlei ontwerpen in vergelijking met de uiteindelijk gepubliceerde versies - Finale 'Volksfest'(editie Korstvedt 2021) - Finale van de tweede versie uit 1881

Bamberger Symphoniker o.l.v. Jakub Hrusa
Accentus Music ACC 30533 • 72' + 69' + 68' + 65' • (4 cd's)
Opname: november 2020, Joseph-Keilberth-Saal, Konzerthalle, Bamberg (D)

www.accentus.com

   

Het oplossen van de meest complexe jigsaw-puzzel is kinderspel in vergelijking met het onder de knie krijgen van de problematiek rond de versies van de symfonieën van Anton Bruckner. Neem de Vierde (en Die Romantische bijgenaamde) symfonie van de meester die - bij oppervlakkige beschouwing - tot diens meest populaire werken mag worden gerekend. En wie, pakweg, in de jaren vijftig van de vorige eeuw niet beter wist zou menen dat dit ook verder het minst ingewikkelde opus van de Oostenrijkse symfonicus is. In geen enkel ander werk van zijn hand gaan immers een zeer toegankelijke schubertiaanse lyriek (het hoornmotief van het openingsdeel kan mede als een eresaluut aan de aanhef van Schuberts Grote gedoopte C-dur symfonie van een van Bruckners grote voorbeelden worden gezien) en de soms tegen het 'volkstümliche' aanleunende elementen zo voorbeeldig samen als in dit stuk, een omstandigheid waaraan de duidelijk meer dramatische impact van de finale geen afbreuk doet.

Hoe het ook zij, minder complex? Was dat maar zo, want de zojuist in het kortst denkbare bestek omschreven versie betreft de symfonie in de gedaante van 1878/80, die iedereen die de Romantische kent, heeft gehoord. De waarheid is anders, zoals de hybride ontstaansgeschiedenis van de Vierde leert. Sterker nog, de kwestie van de versies is in dit geval, getuige bovenstaande fascinerende uitgave, bepaald niet minder eenvoudig dan die van bijvoorbeeld de Tweede, Derde en Achtste symfonie, integendeel.

Brucknerevenement van het eerste uur
Hoe is het verhaal begonnen? Welnu, tussen 2 januari en 22 november 1874 kwam de eerste versie van de Vierde symfonie tot stand. In 1876 en 1877 voelde Bruckner zich al tot een revisie genoopt, omdat hij de bui wel zag hangen: dat het werk in zijn toenmalige vorm geen kans zou maken. De oorspronkelijke partituur (of juister geformuleerd: het manuscript), dus Bruckners oorspronkelijke opzet uit 1874, kwam pas na de dood van de componist naar Wenen terug. Met dien verstande dat van die oerversie slechts het Scherzo op 12 december 1909 zijn vuurdoop beleefde. Namelijk in Linz onder leiding van Bruckners eerste biograaf August Göllerich die het geheel vanuit het handschrift dirigeerde. Pas in 1975 verscheen de integrale partituur uit 1874 die vervolgens door Leopold Nowak is uitgegeven en in de Tweede tekstkritische editie van Bruckners klinkende nalatenschap werd opgenomen.

Uit het voorwoord blijkt dat Bruckner van 2 tot en met 24 januari aan het eerste deel werkte en dat tussen eind januari en maart instrumenteerde, maar ook nog op punten inhoudelijke veranderingen aanbracht. Van 10 april tot 10 juni schaafde de componist aan het andante quasi allegretto en tussen 13 juni en 25 juli aan eerder genoemd Scherzo. Met het ontwerp van de finale startte Bruckner op 30 juli, terwijl het werk als geheel, geïnstrumenteerd en wel, op 5 augustus zijn beslag vond. Niettemin bleef hij nog tot in november aan bepaalde details werken.

Welteverstaan een eeuw later, om precies te zijn op 20 september 1975, vond in Linz de wereldpremière van de complete 'Urfassung' door de Münchner Philharmoniker, toen al een Brucknerorkest van allure, onder supervisie van Kurt Wöss. Deze bijzondere uitvoering, een Brucknerevenement van het eerste uur, werd slechts door 'onze' NCRV en daarnaast de BBC (nota bene niet door de Oostenrijkse radio!) uitgestraald, waarbij we het aan wijlen Cornelis van Zwol, de toenmalige artistiek leider van eerstgenoemde instelling en een van de grootste Brucknerexperts ter wereld, te danken hebben dat deze uitvoering op twee langspeelplaten werd uitgebracht. En sterker nog: als bonus-cd bij zijn monumentale, in 2012 verschenen Brucknerbiografie werd gevoegd.

Meest gangbare versie
Van Bruckners Vierde symfonie bestaan drie en van de finale zelfs vier versies. In de eerste, toen nog door Robert Haas en Alfred Orel geleide, zogenaamde Erste Gesamtausgabe werd het werk in 1936 in de combinatie van de delen 1 tot en met 3 in de versie van 1878 maar met de finale uit 1880 uitgegeven, dus in de gedaante waaraan ik al eerder heb gerefereerd.

In 1953 startte Nowak startte onder zijn leiding de Zweite Gesamtausgabe, met een op punten enigszins herziene herdruk van deze inmiddels. Deze editie geldt al decennialang als de meest gangbare en aanvaarde versie en valt uit zowel concertzaal als opnamestudio met geen mogelijkheid meer weg te denken. Het werk is in die vorm gebaseerd op een revisie waar Bruckner - ook al was hij voornemens daar in 1877 al mee te starten - pas in 1878 mee begon. Gedurende het tijdvak van 18 januari tot 25 juni werd het eerste deel op de schop genomen, tussen 26 juni en 31 juli het andante quasi allegretto, terwijl de componist zich vanaf 1 augustus tot 30 september op de finale wierp, die op 20 november 1878 gereed was. Het oorspronkelijke derde deel werd opnieuw gecomponeerd en vervangen door het befaamde en haast picturaal overkomende 'jachtscherzo' met dat karakteristieke en prominente aandeel van de hoorngroep.

De finale bleef Bruckner evenwel bezighouden en uiteindelijk beviel die hem zo weinig dat hij op 19 november 1879 aan een nieuwe opzet begon die op 5 juni 1880 werd afgerond. De vuurdoop van deze versie, dus van de ons inmiddels welbekende editie die ten grondslag ligt aan zowel de Gesamtausgabe van Haas als die van Nowak, werd op 20 februari 1881 voor het eerst uitgevoerd door de Wiener Philharmoniker, gedirigeerd door Hans Richter, waar nog aan kan worden toegevoegd dat Bruckner vlak na die uitvoering nog de nodige zaken veranderde, wat ook de afwijkingen - zij het veelal van minutieuze aard - tussen de beide Gesamtausgaben verklaart. Een van de meest opvallende verschillen van Nowak ten opzichte van Haas betreft de coda van de finale waarin de trompetten op een gegeven moment het hoofdthema van het eerste deel spelen.

Grondige revisies
Over de finale uit 1878 hebben we het nog niet gehad, het slotdeel dat door de componist van de benaming Volksfest werd voorzien en waarin deels op materiaal van de oerversie wordt teruggegrepen, maar de tijdsduur duidelijk beknopter is geworden. Deze tijdens Bruckners leven nooit gespeelde muziek is door Haas en Nowak in hun Gesamtausgaben opgenomen, maar werd ook door William Carragan uitgegeven en is onder andere door George Tintner (Nowak) en Gard Schaller (Carragan) voor achtereenvolgens Naxos en Hänssler Profil op cd vastgelegd.

Volledigheidshalve dient ook nog te worden opgemerkt dat het - een feit dat de nodige consequenties bleek te hebben, maar daarover aanstonds meer - op 4 juni 1886 in Sondershausen tot een onvolledige uitvoering van de symfonie in de versie van 1878/80 kwam in het kader van het Musikfest des Allgemeinen Deutschen Musikvereins onder toeziend oor en oog van Kurt Schröder, waarbij deze zich - tot niet geringe ergernis van de componist - beperkte tot het eerste en derde deel. Geen wonder dat Bruckner zich steeds minder bij de partituur betrokken ging voelen en op een gegeven moment weer min of meer van voren af is begonnen. Temeer ook daar hij, na zich tot de muziekuitgevers Bote & Bock alsmede Schott te hebben gewend (die er geen enkel brood in zagen), het manuscript met geen mogelijkheid gepubliceerd kreeg. Zo kwam het opnieuw - en tot grondige - revisies, zodat met recht van een nieuwe versie mag worden gesproken, namelijk die van 1888. Want op de 22ste januari van dat jaar werd de symfonie in haar nieuwe uitmonstering door de Wiener Philharmoniker onder Hans Richter aan de klinkende realiteit getoetst. Op 15 mei 1888 ondertekende Bruckner bij de uitgever Albert Gutmann het contract voor de uitgave van de partituur. Het zou echter nog een jaar duren alvorens de definitieve druk het licht zag, aangezien er eerst een zogenaamde 'Stichvorlage' (een 'schoon' afschrift van het manuscript) werd vervaardigd. Ferdinand Löwe en de broers Franz en Josef Schalk hebben met betrekking tot de totstandkoming van het uiteindelijke totaal - mede doordat zij in de 'Stichvorlage' geducht hadden huisgehouden - daarbij een vitale rol gespeeld, getuige de nodige veranderingen in de instrumentatie, de aangebrachte coupures en nog eens tal van dynamische en andere aanwijzingen die men doorgaans in Bruckners partituren niet of nauwelijks tegenkomt.

Laatste wil
Deze editie, die geruime tijd als apocrief te boek stond, een twijfelachtige status genoot en daarom niet voor vol werd aangezien, maar met name door Furtwängler en voorts door Knappertsbusch tot ver in de vorige eeuw te vuur en te zwaard werd verdedigd, is bij nader inzien authentieker dan wij denken. Zeker sinds de musicoloog en Brucknerspecialist, Benjamin Korstvedt in 2004 van de 1888/89-versie een tekstkritische editie het licht deed zien. Een editie die onder andere door het Minnesota Orchestra onder de directie van Osmo Vänskä - Akiro Naito en het Tokyo Symphony Orchestra (Delta Classics, een opname die ik niet ken)* gingen hem daarin voor - werd vereeuwigd voor het Zweedse BIS-label en waarover collega Siebe Riedstra in zijn recensie onder meer het volgende opmerkte:

'Die gewraakte 1888-editie is nu opnieuw opgenomen door Osmo Vänskä en het orkest van Minnesota (.) in een schitterende super audio opname. Zijn ze daar in Minnesota zo achterlijk? Is Vänskä een fan van Knappertsbusch? Het antwoord is simpel: er is weer een musicoloog opgestaan die het allemaal nog eens haarfijn heeft uitgezocht, en aangetoond heeft dat de gedrukte uitgave uit 1888 wel degelijk Bruckners laatste wil en testament vertegenwoordigt. Zijn naam is Benjamin Korstvedt, Professor of Music aan de Clark University in Worcester, Massachusetts en zijn werk maakt sinds 2004 deel uit van de Kritische Gesamtausgabe. Korstvedt meent onomstotelijk vast te kunnen stellen dat Bruckner de 'stichvorlage', zeg maar drukproeven, met eigen hand heeft gecorrigeerd. Op zich is dat ook niet zo verwonderlijk. Wie de partituren in de uitgaven van Nowak en Haas kent heeft zich vast al eens verbaasd over het ontbreken van de meest elementaire speeltechnische aanwijzingen, zowel voor de dirigent als de individuele spelers. Bruckner zal waardevolle ideeën uit de praktijk hebben kunnen registreren toen het werk in januari 1888 werd uitgevoerd.'

De feiten zijn de feiten, maar wat mij toen tijdens het beluisteren van die Vänskä-registratie opviel - naast met name ook de hogere kwaliteit van de weergave - week weinig af van mijn indrukken opgedaan bij de vertolkingen onder Furtwängler en Knappertsbusch.

Sterker nog, de instrumentale en dynamische aanduidingen deden me bij vlagen nogal eens denken aan vergelijkbare modificaties in de Schalk-'Fassung' (die Bruckner overigens nooit heeft gehoord! Het blijft dus een interessante vraag of wanneer dat laatste wel het geval was geweest hij aan die uitgave eveneens zijn goedkeuring zou hebben gegeven) van de Vijfde symfonie, waarvan Knappertsbusch eveneens een hartstochtelijk pleitbezorger was (diens Decca-opname met de Wiener Philharmoniker is van lp op cd overgezet). Ik blijf erbij dat de 1888-versie van de Vierde in zijn al dan niet tekstkritische vorm mij als de minste Bruckneriaanse blijft voorkomen. Maar wat daar ook van zij, niet voor niets is ook Cornelis van Zwol er ondubbelzinnig over:

'Waarschijnlijk schreef Ferdinand Löwe het eerste deel en de finale, terwijl Josef Schalk het tweede deel en zijn broer Franz het scherzo voor hun rekening namen. Op vele plaatsen in dit afschrift staan 'viele nachträgliche Revisionen und Verbesserungen von Bruckners Hand' zodat we mogen aannemen dat het eindresultaat de goedkeuring van de componist kreeg. In zijn brief aan Herman Levi van 27 februari 1888 schreef Bruckner bovendien, dat hij 'aus eigenem Antriebe' veranderingen had aangebracht. Daardoor wordt deze 'Fassung 1888' tegenwoordig als authentiek beschouwd, na vele jaren als bewerking van Ferdinand Löwe buiten de Gesamtausgabe te zijn gehouden.'

Bekkenslagen
Om het allemaal nog ingewikkelder te maken waren er Bruckner-dirigenten van onbetwiste faam als Jochum en Karajan (in zijn tweede voor DG opgetekende uitvoering met de Berliner Philharmoniker) die de eerste bekkenslag - klinkend op het hoogtepunt van de expositie in de finale - van de 1888-versie in respectievelijk de Nowak- en Haas-versie naar binnen smokkelden. De eerste inderdaad, want de 1888 en dus door Korstvedt geannoteerde editie telt nog twee andere - zij het in tegenstelling tot de eerste in pianissimo de revue passerende - bekkenslagen die aan een van de episoden van de coda van het slotdeel een bijkans wagneriaans cachet verlenen. De vraag is en blijft voor mij wel of Bruckner dit allemaal werkelijk zo wilde, hoezeer het ook boven elke twijfel verheven is dat de 1888-versie door hem is geautoriseerd. We zullen het natuurlijk nooit weten, maar het zou zo maar kunnen dat hij het gewoon uit praktische overwegingen heeft gedaan om het tegen wil en dank voor elkaar te krijgen de symfonie meer ingang te doen vinden dan hem tot op dat moment was gelukt. Al gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat ik deze editie nog steeds niet echt overtuigend vind. Hoewel Hrusa aanzienlijk meer spankracht en momentum weet aan te brengen dan Vänskä, daarbij geholpen door een orkest - Jochum dirigeerde er regelmatig en ook Wand was er nogal eens van de partij! - dat Bruckner hoorbaar dieper in de haarvaten heeft zitten dan het gezelschap uit Minnesota. Daarbij neemt Hrusa net een fractie meer de tijd dan zijn Finse collega als gevolg waarvan het in mijn oren soms onbruckneriaanse idioom gelukkig dikwijls kon worden getemperd en men hoe dan ook geboeid blijft luisteren naar de imposante sonoriteiten die de Bambergers onder Hrusa's handen laten opbloeien.

Pizzicato-passage
Maar wat Bruckner en zijn kornuiten in 1888 aan het papier toevertrouwden is mijlen ver verwijderd van de oorspronkelijke versie uit 1874. Daarvan bestaat inmiddels een behoorlijk aantal opnamen waarvan met name die onder Kent Nagano met het Bayrisches Staatsorchester (Sony) van de commercieel uitgebrachte registraties het hoogste scoort.

Maar pas op: wat Hrusa ons hier te bieden heeft is niet de door Nowak in 1975 gepubliceerde oerversie uit 1874, maar de door Korstvedt uitgegeven editie met de revisies van die Urfassung, die Bruckner in 1875 en het daaropvolgende jaar doorvoerde. En dat betreft een heuse fonografische primeur. Er zijn niet alleen allerhande kleine instrumentale verschillen - en om die precies te achterhalen zou men over beide partituren moeten beschikken -, met als meest opvallende fenomeen het ontbreken van alle cesuren in het Scherzo, dat daardoor een nog (in de goede zin des woords) gejaagdere indruk maakt en waardoor zowel de demonie als de expressie enorm wordt aangescherpt. Wat me deze keer ook extra opviel is de aanhef van de tweede themagroep in de finale, die begint met een polka-achtige pizzicato-passage die zich slechts op een steenworp afstand bevindt van het begin van de tweede themagroep uit het slotdeel van de oorspronkelijke versie uit de Derde symfonie. En ook hier - in het openingsdeel - ontbreekt de ondubbelzinnig duidelijke toespeling op het 'Schlafmotiv' uit Die Walküre niet, opnieuw een facet dat beide symfonieën in eerste aanzet met elkaar delen, om het even hoe de context in het laatste geval ook mag verschillen. En over Wagner gesproken: de Tannhäuser-reminiscenties van de Derde keren tijdens de climax in het andante quasi allegretto van de Vierde, zij het in iets minder nadrukkelijke vorm, eveneens terug. Het gevolg is hoe dan ook dat ook dit deel aanzienlijk dramatischer uitpakt dan in de latere versies en in het bijzonder in de courante gedaante uit 1878/80. Hrusa opteert over de gehele linie fractioneel voor iets gaandere tempi dan Nagano, maar bezit voldoende oog voor de transities en periodebouw die in zo hoge mate karakteristiek zijn voor Bruckners unieke architectonische klanktaal, zodat niets gehaast overkomt. En opnieuw gaat het Bambergse keur-ensemble geen zee te hoog om aan het rijke palet van deze versie optimaal reliëf te verlenen. En dat deze dirigent echt een naam is om rekening mee te houden, niet in de laatste plaats waar het om Bruckner gaat, bewijst het feit dat hij vrij recentelijk bij de Berliner Philharmoniker gasteerde met de alom gangbare versie van de Vierde (te zien en te horen via Digital Concert Hall), die eveneens bijzonder overtuigend uit de luidsprekers komt..

1878: 'Hypothetische versie'
Deze unieke box bevat tevens de uit 1878 daterende Volksfestfinale die in de tekstkritische gedaante van Benjamin Korstvedt ook zijn fonografische vuurdoop beleeft in een uiterst gedreven en tegelijkertijd zeer transparante vertolking door de Bambergers. Enerverende muziek vol van, net als in de oerversie, bruuske overgangen, maar - zoals reeds gememoreerd - geschraagd door een andere redactie en vooral voorzien van de nodige inkortingen ten opzichte van het slotdeel van het origineel uit 1874, respectievelijk 1875/1876. En wat 1878 betreft, uit tal van schetsen blijkt dat Bruckner ook wat de andere delen betreft nogal wat alternatieven voor ogen had die echter onder zijn hand nooit in een definitieve afronding hebben geresulteerd, maar zich wel laten herleiden Om in dit verband William Carragan bij te vallen (die zich met een soortgelijke problematiek met betrekking tot de Achtste symfonie heeft beziggehouden met als gevolg de zogeheten 1888-versie van deze symfonie die door Schaller en zijn Philharmonia Festival werd uitgevoerd en door Hänssler Profil voor cd werd opgetekend**), tot een 'hypothetische versie 1878' en waarvan in dat geval uiteraard de Volksfestfinale het sluitstuk had moeten vormen. Het plan was om - overeenkomstig die van de Achtste uit 1888, in de nooit door Bruckner zelf geautoriseerde versie - het werk ook in die (dus door Carragan gerealiseerde) vorm met voornoemd gezelschap onder Schaller vast te leggen, maar dat ging vanwege de pandemie tot op heden niet door.

'Fundgrube'
Hoe men ook over deze uiterst complexe materie mag denken en bij alle bewondering voor de uitvoeringen van de drie versies, wat deze set zo ongemeen boeiend maakt is de vierde cd, die niet alleen de Volksfestfinale bevat, maar ook - opnieuw een cd-première! - de finale uit 1881 die als een revisie kan worden beschouwd van de bekende (tweede) versie uit 1880 en welke tevens dankzij Kortstvedt dusdoende aan de buitenwacht is prijsgegeven (maar die voor zover ik weet nog niet in de Gesamtausgabe is opgenomen).

Want wat wil het geval? Die laatste cd bevat de nodige alternatieve passages uit de diverse versies die nooit eerder zijn gepubliceerd in vergelijking met de versies die inmiddels in meerdere of mindere mate bekend zijn. Men kan dus echt in de keuken kijken en bijna aan den lijve ondervinden hoe de componist voortdurend met de schaar en het rode potlood te werk is gegaan. De indruk die hierdoor ontstaat is, het wordt nogmaals onderstreept, dat de op het eerste gehoor minst problematische en afgeronde symfonie in werkelijkheid een hoogst intrigerend voorbeeld is van een kolossaal 'work in progress'-proces. Een geheel waarin de componist geen middel onbenut heeft gelaten, om het voor de afwisseling eens alchemistisch te formuleren, tal van omtrekkende bewegingen te maken teneinde tot de voltooiing van een soort 'Grand Oeuvre' te komen. Een queeste die hij bij nogal wat van zijn symfonieën ondernam, maar die in het geval van de Derde en Vierde ongekende proporties heeft aangenomen en waarvan deze unieke set een hoogste adequate afspiegeling biedt. Met andere woorden, deze uitgave is zowel voor de Brucknerliefhebber door dik en dun als voor de musicoloog een ware 'Fundgrube'. En zo mag men zich met recht afvragen wat dit alles betekent voor een dirigent die zich met Bruckner gaat bezighouden en verder wil reiken dan zich slechts van de algemeen aanvaarde editie (s) te bedienen. Laten we Hrusa zelf aan het woord, met wie in het uitstekend gedocumenteerde boekje een uitvoerig interview is opgenomen:

'Komplexes Thema, zu dem es wohl niemals definitive Aussagen geben wird (.) Wie auch immer! Fest steht: wenn man heute als unabhängiger Experte eine dritte Fassung einer Bruckner-sinfonie betrachtet, wird man nicht unbedingt und immer sagen können, dieser Fassung sei gelungener als die vorangegangenen (.) Eines der Probleme Bruckners bestand zudem darin, dass er seine erste Fassungen niemals mit einem guten Orchester hören konnte. Wäre das möglich gewesen, hätte er möglicherweise anders entschieden, hätte er tatsächlich Änderungen vorgenommen? Da habe ich ernsthafte Zweifel.'

Inderdaad, hoe zouden we tegen Bruckners klinkende nalatenschap aankijken wanneer datgene wat we tegenwoordig de oerversie van een symfonie noemen, de enige versie zou zijn en al die revisies niet bewaarheid waren geworden? Zoveel is zeker, het beeld dat dan van deze componist zou zijn ontstaan zou fundamenteel afwijken van dat wat er nu van hem bestaat. Want neem alleen maar die talrijke verschillen tussen al die versies van de Vierde, die niet zelden dermate substantieel zijn dat men haast van drie (of beter drie en een halve) symfonie zou kunnen spreken in plaats van één. De symfonieën van Anton Bruckner, en deze mooi opgenomen set met prachtige uitvoeringen onder Hrusa en de sterren van de hemel spelende Bambergers bewijzen het maar weer eens (en hoe!), vormen een fascinerende 'never ending story'!

__________________
*) Wie deze versie behalve horen ook wil zien zij verwezen naar de dvd met de vertolking door het Cleveland Orchestra onder leiding van Franz Welser-Möst en die in 2012 live is vastgelegd voor Arthaus Musik in Stift Sankt Florian.
**) De aanleiding voor Carragan bestond in het door Dermot Gault en Takanoba Kawasaki in partituur omgezette 'tussenadagio' van dit werk, dat overigens niet in de Gesamtausgabe is opgenomen. Carragan heeft de 'stand der Dinge' van de overige delen uit datzelfde jaar een soortgelijke behandeling doen ondergaan. Dit met als resultaat die zogenaamde 1888-versie van de Achtste.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links