CD & DVD-recensie

 

© Maarten Brandt, november 2019

Wagner : Voorspel tot het derde bedrijf en Karfreitagszauber uit Parsifal

Bruckner: Symfonie nr.9 in d

Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Daniele Gatti
RCO 18008 • 81' • (sacd)
Live-opname: 5 en 7 januari 2018, Concertgebouw, Amsterdam

* * *

Mahler : Symfonie nr. 1 in D – nr. 4 in G

Julia Kleiter (sopraan), Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Daniele Gatti
RCO 18107 • 60' + 65' • (dvd)
Live-opname: 10 en 11 januari 2017, Concertgebouw, Amsterdam (nr. 1); 8 en 9 november 2017 (nr. 4)

 

 


Eerst leek het erop dat bovenstaande registraties naar aanleiding van het Gatti-drama (waarover u elders op deze site voldoende kunt lezen) niet zouden verschijnen, maar uiteindelijk is besloten de releases in kwestie toch het licht te doen zien. En dat is iets om dankbaar voor te zijn, aangezien deze producties de sterkere kanten van deze dirigent in een helder licht plaatsen. Want zoveel is zeker, de verrichtingen van de Italiaanse maestro waren nogal eens van wisselend gehalte. De eerlijkheid gebiedt dan ook te zeggen dat ik met gemengde gevoelens aan het beluisteren van deze uitgaven ben begonnen. Maar deze verdwenen al snel gelijk sneeuw voor de zon.

De Negende van Bruckner is – zacht uitgedrukt – intens beproefd repertoire (niet in de laatste plaats ook van het KCO) en het wemelt van de indrukwekkende vertolkingen van deze – ook zonder finale – als ‘opus ultimum' overkomende symfonie van de meester uit Ansfelden. Gatti zet een warmbloedige, sonore en bij vlagen majestueuze vertolking neer die de fletse verklanking onder de baton van zijn voorganger Mariss Jansons voor hetzelfde label meteen doet vergeten. Het klankbeeld is aangenaam warm (hoewel dat tijdens een enkele luide passage iets aan scherpte inboet), de dynamiek komt verzadigd uit de luidsprekers en er is voldoende ‘suspense' om de aandacht gevangen te houden. In de regel ben ik geen groot voorstander van de opeenvolging van nabij gelegen toonsoorten, hier die van D-groot (slot Karfreitagszauber) en d-klein (aanhef Negende Bruckner), maar in dit geval sorteerde het een prachtig dramaturgisch effect! Ook uit een ander oogpunt is de combinatie van beide werken een zinvolle. Immers, het graalmotief uit Wagners ‘Bühneweihefestspiel' is een ondubbelzinnig onderdeel van het uitgebalanceerde eerste thema waarmee het adagio uit Bruckners zwanenzang begint. De zwaarte van de accenten in het hoofdthema van het scherzo zal wellicht niet een ieders ‘cup of tea' zijn, maar het contrast met het trio vol ‘verkeerde' mendelssohniaanse wendingen, wordt er op een fascinerende manier door aangescherpt. Ook in de hoekdelen wordt men getrakteerd op bloedstollend mooie momenten, zoals de climax vlak voor de coda waarin al een voorschot wordt genomen op het ‘clusterakkoord' van het adagio, dat op zijn beurt door Gatti en zijn fameuze orkest al even verpletterend voor het voetlicht wordt gebracht. Alleen de coda van laatstgenoemd deel had ik me wat vergeestelijkter kunnen voorstellen, maar dat is misschien mede een kwestie van smaak. Hoe dan ook moet Gatti daar in Haitink (vooral zijn LSO Live opname), Wand (Warner, EMI en RCA), Abbado (Accentus) en Celibidache (EMI) beslist zijn meerderen erkennen.

Consensus?
Mijn grootste bezwaar geldt echter de toelichting van Michel Cleij die weer de bekende mythe over het slotdeel napapagaait: “Toen hij toch nog vrij plotseling overleed stortten diverse belanghebbenden zich op de nagelaten schetsen. En de pogingen het stuk alsnog te voltooien leverden geen bevredigende resultaten op. En dat is niet erg, luidt de consensus nu (sic!!!).”

Hoezo consensus?! Misschien dat die bij het KCO een voldongen feit is, maar de werkelijkheid is – om het zo mild mogelijk te verwoorden - wel even een pietsje anders. Bruckner had de zaak namelijk zo goed als gereed en het nog ontbrekende bleek uit het voor minstens 95 procent aanwezige materiaal perfect te kunnen worden afgeleid, zoals Ben Cohrs en zijn drie kompanen zonneklaar hebben weten aan te tonen in hun voorbeeldig geslaagde reconstructie van het geheel. Verder had wel even vermeld mogen worden welke versie hier wordt gespeeld (vermoedelijk Nowak).

Hoe respectabel de Bruckner-opname ook is, het geluid van de dvd met Mahlers meest populaire symfonieën bezit net de weldadige scherpte die men bij vlagen in eerdergenoemde vastlegging enigszins mist. Van beide werken verschenen ook cd-versies, waarvan collega Van der Wal de Vierde in uiterst lovende bewoordingen besprak. Het is niet uit gemakzucht dat ik hier ondubbelzinnig stel het met zijn oordeel van A tot Z eens te zijn. Ergens zegt hij dat het niet meevalt om hoogtepunten te noemen wat bij mij tot de conclusie leidt dat deze uitvoering als één ononderbroken hoogtepunt moet worden opgevat. Dit is een uitvoering die staat als een huis en wat mij betreft onverkort tot de meest overtuigende vertolkingen door niet alleen het KCO maar van dit werk überhaupt mag worden gerekend.

Nostalgie
Als ik er dan toch iets mag uitlichten, dan het tweede deel waarin mij details zijn opgevallen die ik niet voor mogelijk hield, ook en vooral in de tussenstemmen. En voorts waar het gaat om geraffineerde tempo-overgangen en dynamische schakeringen, als gevolg waarvan de ultieme rijkdom en gelaagdheid van dit scherzo uitmuntend tot hun recht komen. Wat een klank, wat een verfijning, maar ook perfect gedoseerde en al dan niet onderhuidse spanningen komen hierdoor haarscherp en optimaal van profiel aan de oppervlakte! Van enige gelikt- en gladheid – waarop Jansons een enorm patent had – valt hier niets te bespeuren. Dit is bijna – zij het abstract – theater. Ook in de doorwerking van het eerste deel werpt de aanpak van Gatti in deze enorme vruchten af. Soms moest ik zelfs aan Janaçek, Stravinsky en Moessorgski denken, en dat is me nog nooit overkomen, maar het past wel degelijk óók in de traditie waar Mahler deel van uitmaakt (en Dvorak, men denke aan diens symfonische ballade ‘De woudduif' die barstens vol op Mahler anticiperende ondertonen steekt). Als er een doodgespeeld stuk van Mahler is, dan is het de Vierde wel, maar hier klinkt het werk echt als nieuw. En om dat te kunnen bereiken moet je wel van zeer goeden huize komen. Ook over het adagio – waar maar geen eind aan lijkt te komen, terwijl Gatti onder de 21 minuten blijft – vallen gemakkelijk boekdelen te vullen. Tijd is en blijft een eigenaardig mysterie. Julia Kleiter neemt ons tenslotte mee naar de hemel, of blijkt die toch niet te bestaan? Want het slot – meesterlijk en geconcentreerd gerealiseerd door Gatti – bestaat uit die diep-resonerende en herhaalde harptoon, waardoor het vertrouwen in de Elysische velden opeens plaatsmaakt voor een nostalgie waar men tranen van in de ogen krijgt.

Contrabas
Over de Eerste symfonie ook niets dan goeds. Opnieuw valt die enorme detaillering op, die overigens nooit ten koste gaat van het articuleren van de grote lijn. Een verhaal op zich is het derde deel, de befaamde treurmars, waar Gatti aparte en zeer originele ideeën over heeft en waarin we in de ditmaal voortreffelijke toelichting van Michel Khalifa, die mede is gebaseerd op een interview met de dirigent, veel wederwaardigs kunnen lezen. Anders dan te doen gebruikelijk laat Gatti dat deel (het bekende Vader Jacob gegeven) niet met een solo-contrabas beginnen, maar met de hele groep:

“Mahler schrijft weliswaar ‘solo' in hoofdletters boven de eerste noten van de contrabas”, aldus Gatti, “maar het woord ‘tutti' ontbreekt later wanneer de hele sectie overduidelijk moet meedoen. Waarom deze omissie? Ik denk dat hij hiermee bedoelt dat de contrabasgroep solistisch optreedt. Als hij slechts één instrument had gewild, had hij dat anders aangegeven. Later in dit deel laat hij bijvoorbeeld eerst ‘eine Viola solo' spelen, om een paar maten verder duidelijk ‘Alle' altviolen erbij te betrekken (…) “Ik heb me ook afgevraagd waarom de Vader Jacob-melodie in de contrabas na elke maat een komma bevat, terwijl Mahler direct daarna de versies voor andere instrumenten zonder enige komma opschrijft. In mijn verbeelding duiden de komma's erop dat de dieren het lied eerst zin voor zin moeten leren. Een solocontrabas had dan de koordirigent kunnen zijn, maar met de gehele contrasbassectie zie ik voor me alle dieren die samen het lied instuderen. En op een gegeven moment durft de solofagot het als eerste aan om echt te beginnen.”

Expressionisme
Na die treurmars laat Gatti het orkest in alle macht exploderen en realiseert men zich weer eens dat de aanzet tot wat later het expressionisme in de muziek zou gaan heten op niet mis te verstane wijze wordt gemarkeerd door die bijkans oorverdovende luide bekkenslag waarmee de finale van Mahlers eersteling begint. Maar de dirigent hoedt zich, alle witheet aanlopende klankcataracten ten spijt, voor het teveel en geeft vrij baan aan de lyriek, de verinnerlijkte momenten waaraan in dit fenomenale slotdeel al evenmin gebrek is. Getuige subtiele en soms ook – in de goede zin des woords – extreme rubati. Een tekortkoming vind ik wel dat – in tegenstelling tot de doosjes van de cd's – de timings van de delen afzonderlijk niet staan vermeld en dat men pas in het boekje de naam van Julia Kleiter tegenkomt: die had natuurlijk ook op de achterkant van het doosje vermeld moeten staan. Maar verder, een hebbedingetje, deze prachtuitgave!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links