CD-recensie

 

© Maarten Brandt, november 2017

 

Bruckner: Symfonieën nr. 2-9
Südwestfunk-Orchester Baden-Baden o.l.v. Hans Rosbaud. SWR Classic SWR19043CD (8cd's)

Symfonie. Nr. 2 in c (versie 1877, editie Robert Haas) • 61' •
Opname: 10-13 december 1956, Studio des Südwestfunks, Baden-Baden (D)

Symfonie nr. 3 in d (versie 1889/90, editie Leopold Nowak) • 56' •
Opname: 17-22 december 1960, Studio des Südwestfunks, Baden-Baden (D)

Symfonie nr. 4 in Es (versie 1878-81, editie Robert Haas) • 65' •
Opname: 20 april 1961, Studio des Südwestfunks, Baden-Baden (D)

Symfonie nr. 5 in Bes (versie 1878, editie Robert Haas) • 76' •
Opname: 24 mei 1962, Studio des Südwestfunks, Baden-Baden (D)

Symfonie nr. 6 in A (versie 1879-81, editie Robert Haas) • 59' •
Opname: 3 juli 1961, Studio des Südwestfunks, Baden-Baden (D)

Symfonie nr. 7 in E (versie 1881-83, editie Robert Haas) • 64' •
Opname: 30 december 1957, Südwest-Tonstudio, Loffenau (D)

Symfonie nr. 8 in c (versie 1887-1890, editie Robert Haas) • 73' •
Opname: 17 november 1955, Studio des Südwestfunks, Baden-Baden (D)

Symfonie nr. 9 in d (versie 1894-96, editie Afred Orel) • 55' •
Opname: 25 februari 1959, Studio des Südwestfunks, Baden-Baden (D)

www.swrmusic.de

   

Samen met bijvoorbeeld Ernest Bour, Antal Dorati, Bruno Maderna en zijn tijdgenoot Hermann Scherchen behoorde de van Oostenrijkse komaf zijnde - hij werd geboren in Graz – dirigent Hans Rosbaud (1895-1962) tot de meest veelzijdige dirigenten van zijn generatie, om niet te zeggen wellicht tot de meest veelzijdige interpreten ooit (nog afgezien van het feit dat deze op en top erudiete man op andere gebieden ultiem veelzijdig was; hij kende de atoomfysica als zijn broekzak, was uiterst belezen, sprak niet alleen vijf talen vloeiend maar beheerste tevens Grieks en Latijn als nauwelijks een ander). Zijn repertoire reikte van Rameau's opera Platée tot en met de meest eigentijdse uitingen van de periode waarin hij leefde. Daarbij was hij even doorkneed in het courante klassieke repertoire als de meest extreme uitingen van de toenmalige avant-garde. Het aantal wereldpremières dat Rosbaud op zijn naam heeft gebracht is zeer omvangrijk, mede in aanmerking genomen dat hij op 67-jarige leeftijd stierf.

Geen zee te hoog
Niet alleen de erfenis van De Tweede Weense School, ook de muziek van beeldenstormers als Stockhausen, Boulez, Xenakis en Nono was bij Rosbaud in zeer goede en vertrouwde handen. Geen zee ging hem daarbij te hoog. Zijn uitvoeringen van Mozarts drie Da Ponte opera's in het kader van het festival te Aix en Provence waren even legendarisch als zijn vertolkingen van werken als bijvoorbeeld Stravinsky's ook tegenwoordig nog hoogst zelden te horen en deels in de dodecafonische traditie wortelende ballet Agon, Schonbergs Variationen für Orchester, opus 31 en Xenakis' Metastaseis. Laatstgenoemd opus, een van de meest extreme stukken uit de jaren vijftig, werd tijdens het Festival van Donaueschingen in 1955 door Rosbaud ten doop gehouden. Na zijn veel te vroege dood, bleven de uitstraling en betekenis van Rosbaud dankzij de enorme en onverflauwde inzet die hij voor de nieuwe muziek ten toon heeft gespreid nog lang overeind. Hoe is anders te verklaren dat Bernd Alois Zimmermann de partituur van zijn mega-muziekdrama Die Soldaten (1965) aan de nagedachtenis van deze grote man wijdde?

Verpletterende uitvoeringen
Pierre Boulez, die niet voor niets een van zijn relatief bekendste composities – namelijk Le marteau sans maître (1955) – aan Rosbaud opdroeg en die als dirigent autodidact was heeft onomwonden en vol bewondering toegegeven dat hij de kneepjes van het vak van hem heeft afgekeken. En hoe! Want het was op zijn beurt Rosbaud die, toen hij wegens ziekte een concert bij het Concertgebouworkest moest afzeggen, meteen Boulez aanbeval om hem te remplaceren, een omstandigheid waaraan wij het eerste optreden in Nederland van deze Franse homo universalis hebben te danken. Het was ook Rosbaud die op 15 februari 1961 voor de eerste maal in ons land muziek van Boulez deed klinken in de vorm van twee Improvisations sur Mallarmé uit diens toen net gereedgekomen monumentale vijfluik Pli selon pli. Dit broederlijk verenigd met werk van Schubert en Debussy op een ‘gewoon' doordeweeks abonnementsconcert, iets wat anno 2017 totaal onvoorstelbaar is geworden. Hierin was uiteraard ook de hand van de artistiek leider Marius Flothuis bespeurbaar die een ongeveinsde en grote bewondering voor Rosbaud koesterde en hem dan ook regelmatig naar Amsterdam haalde, speciaal om zich over het moderne repertoire te ontfermen. Niet alleen voor werk van Boulez en Dallapiccola, tevens voor een onvergetelijke vertolking van de Eerste symfonie van onze landgenoot Otto Ketting alsmede verpletterende uitvoeringen van Weberns Sechs Orchesterstücke, opus 6 en Bergs Drei Orchesterstücke, opus 6, waarbij het in laatstgenoemd geval ging om de Nederlandse première van dit weerbarstige werk. Maar ook in het Franse repertoire bleek Rosbaud een enorme autoriteit, getuige datzelfde programma waarop hij delen uit Boulez Pli selon pli dirigeerde en waarbij hij na de pauze modelvertolkingen ten beste gaf van Debussy's Prélude à l'après midi d'un faune en Ibéria.

 
 
Hans Rosbaud

Sobere gestiek
Een van de meest opvallende karaktertrekken in Rosbauds optreden was zijn uiterst sobere gestiek, gekoppeld aan een aperte warsheid ten aanzien van alles wat ook maar bij benadering tendeerde in de richting van vlagvertoon en opgelegd pandoer. Zijn ultiem sobere wijze van dirigeren en leiding geven was op een hoogst onsensationele wijze sensationeel, een eigenschap die hij overigens deelde met zowel Bour als Boulez. Het klinkende resultaat was omgekeerd evenredig en getuigde van een optimaal springlevende en aanstekelijke wijze van musiceren. Componist Otto Ketting schetste ooit treffend het beeld van hoe Rosbaud tijdens het hoogtepunt van de Marsch uit Bergs Orchesterstücke – naast de grote climax uit Stockhausens Gruppen für drei Orchester (bij welke vuurdoop op 18 oktober 1958 te Donaueschingen Rosbaud tevens als een van de drie dirigenten betrokken was) de grootste klankexplosie uit de orkestrale literatuur - zijn rechterarm slechts een fractie hoger verhief dan hij onder normale omstandigheden gewoon was te doen. Anders dan men op grond van zijn enorme eruditie zou verwachten was hij geen enorme prater die de orkestmusici vermoeide met ellenlange betogen maar, integendeel, een hoogst efficiënte werker die – met op het juiste moment een humoristische kwinkslag – iedereen bij de les wist te houden. Kortom als er een man was die niet koketteerde met zijn talenten, dan was het Rosbaud wel die met recht ook een aristocraat van het zuiverste water mag worden genoemd en bij wie een oergezonde pedagogiek volledig tot een tweede natuur behoorde.

Bruckners Zevende: mono of stereo?
Rosbaud moet echter eveneens tot de eminente pleitbezorgers voor het symfonische oeuvre van Anton Bruckner worden gerekend, zoals met het verschijnen van bovengenoemde set met radioproducties van de Südwestfunk die tussen november 1955 en mei 1962 tot stand zijn gekomen, wordt onderstreept. Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zou het tot een integrale cyclus zijn gekomen, ware het niet dat de dood hem op de 29 e december van laatstgenoemd jaar de pas afsneed. Nu moeten we het dus stellen zonder de symfonieën 0 en 1. Van diverse van de nu voor de eerste maal gebundelde registraties waren reeds – voor het merendeel overigens slecht verzorgde – en al dan niet onder de noemer van piraatopnames te scharen uitgaven in omloop. De enige uit de reeks die al langer bekend is en een onverhuld commercieel leven heeft geleid - en ook in diverse formats heeft gecirculeerd - is de registratie van de Zevende symfonie. De door het label SWR>>Classic uitgegeven collectie Brucknersymfonieën stelt ons in zoverre voor problemen dat op het doosje staat vermeld: ‘Original SWR-tapes remastered'. In alle gevallen gaat het daarbij om monoregistraties. Ook van de Zevende symfonie dus. En nu komt het, van diezelfde opname bezat ik ooit een lp-versie op het destijds welbekende label Turnabout-Vox…in ondubbelzinnig stereo, die overigens tevens op Youtube valt te beluisteren. Overtuig u zelf op YouTube.

Ik heb beide versies met elkaar vergeleken en het gaat zonder ook maar de geringste twijfel om dezelfde uitvoering, wat onder andere door een te vroege paukeninzet in het scherzo (vlak voor het trio) sluitend wordt bewezen. De vraagt rijst dan onherroepelijk of de mono- of de stereo-tape de oorspronkelijke bron is. Hoe dan ook, wat we hier horen is geen nep- (‘enhanched'-), maar echt stereo, terwijl het bij deze cdversie dus om onvervalst mono gaat. Via de – verder overigens zeer informatieve – toelichting van Hartmut Lück worden we dienaangaand trouwens al evenmin iets wijzer. Overigens verplaatste deze uitvoering van Bruckners op de Vierde na meest geliefde symfonie me naar mijn jeugd, want dit was mijn eerste Bruckner-lp, betaald met mijn zakgeld en goed voor tien harde guldentjes. Jeugdsentiment of niet, deze Bruckner zeven mag er nog steeds zijn; getuige een hecht geproportioneerde visie binnen evenwichtige en vloeiende, zij het nooit gejaagd overkomende tempi. En bovendien met een fijnzinnige lyriek gerealiseerd waardoor opeens haarscherp duidelijk wordt hoezeer Bruckner, en zelfs deze rijpe Bruckner, schatplichtig was aan Schubert. Rosbaud volgt hier trouw de Haas-editie, inclusief het ontbreken van de befaamde bekkenslag (waarbij Haas de op deze plek in Bruckners manuscript genoteerde opmerking ‘gilt nicht' als de wens van de componist opvatte die bekkenslag te schrappen), waarmee Rosbaud zich voegt bij de uitvoeringen onder Bruno Walter (Sony), Paul Hindemith (op SWR Classic, met het Rundfunk-Sinfonie-Orchester Stuttgart) en – om een recenter voorbeeld te noemen – Günter Wand (op diverse labels).

Donaueschingen 1958: Hans Rosbaud en Pierre Boulez (m.) in gesprek met Prinz Max
(Foto Landesarchiv Baden-Württemberg)

Somptueuze lezing
Tekende Rosbaud vrijwel altijd voor de Haas-edities, er is een uitzondering en die betreft de vertolking van de Derde symfonie die hier gaat in de 1889/90 versie in de toen nog tamelijk recente tweede tekstkritische editie van Leopold Nowak. Een versie die altijd iets aanvechtbaars heeft omdat Nowak – vooral in de finale – niet geheel van de ingrepen van de gebroeders Schalk heeft menen te moeten afzien. Niettemin heeft dit het genieten van Rosbauds soevereine kijk op deze symfonie allerminst in de weg gestaan. Ik was zelfs dusdanig geboeid dat die bezwaren (waaraan ik me in een gemiddelde uitvoering van deze versie altijd min of meer stoor) nu volledig door afwezigheid schitterden. Diezelfde indruk had ik eertijds bij de nog steeds toonaangevende verklanking van Bruckners laatste revisie van dit werk met het Cleveland Orchestra onder George Szell (Sony), en dat betekent een niet gering compliment aan het adres van Rosbaud, die hier een ongekend somptueuze lezing van deze symfonie ten beste geeft en waarin het Südwestfunk-Orchester Baden-Baden werkelijk de sterren van de hemel speelt. Hetgeen mutatis mutandis ook voor de Vierde symfonie opgaat, waarin een zekere strak- en fierheid moeiteloos samengaan met een voorbeeldige en elastische frasering. Dit met onder andere als effect dat de muziek, ook in het relatief vlot genomen andante, weldadig uitgebalanceerd op de toehoorder overkomt.

Voorbeeld
Aan dat alles valt zonneklaar af te horen dat Rosbaud qua type Brucknerdirigent eerder in de categorie van Van Beinum, (Volkmar) Andrae en de (jonge) Haitink dan in die van Furtwängler en Jochum thuishoort. Maar toch zijn er altijd weer van die uitzonderingen die de regel bevestigen. Een daarvan is Rosbauds verklanking van de Zesde symfonie, waarbij hij voor het adagio ruim achttien minuten nodig heeft en daarmee niet alleen de EMI-opname onder Klemperer (net geen 15 minuten) naar de kroon steekt, maar ook de derde en zeer onlangs verschenen vastlegging van deze symfonie met het Orchester des Bayerischen Rundfunks onder Haitink (ruim 15 minuten). Rosbaud vat dit adagio duidelijk op als een van de belangrijkste lyrische zwaartepunten uit Bruckners symfonische corpus. En dat in een tijd waarin de Zesde (Klemperers opname zou nog jaren op zich laten wachten!) nog echt een curiosum was en hoogst sporadisch op de lessenaars van om het even welk orkest prijkte. Zo mogelijk nog sterker ging dit op voor de Tweede symfonie, waarbij Rosbaud hooguit concurrentie had te duchten van het Bruckner Orchester Linz onder leiding van Georg-Ludwig Jochum (LYS), de broer van de bekendere Eugen. Al luisterende naar Bruckners ‘Pausen-Sinfonie' onder de baton van Rosbaud wordt opeens duidelijk dat niet alleen Van Beinum een voorbeeld voor de nog prille Haitink moet zijn geweest, maar ook en zeker niet in de laatste plaats Rosbaud.

Opnieuw treft die soepel voortstromende lyriek en dat volstrekt natuurlijk zijn beslag vindende organische verloop. Daarbij komt het werk bepaald niet over als een symfonie die anno 1956 nog allesbehalve bij het repertoire was ingelijfd. Dit in tegenstelling tot de Negende die – merkwaardig genoeg – de minst uit de verf komende uitvoering van deze collectie is. Dit niet alleen vanwege de behoorlijk voortvarend genomen tempi, waarmee Rosbaud op zich genomen verwant is te noemen met de aanzienlijk geslaagdere vertolkingen onder bijvoorbeeld Andrea (Music & Arts) en Georg-Ludwig Jochum (Tahra), alsmede – om een recenter voorbeeld te noemen – Simone Young (Oehms). Maar het orkest is hier merkbaar minder op dreef en soms vallen slordigheden op die een ontbreken van voldoende concentratie verraden. Juist naar deze uitvoering had ik met hooggespannen verwachtingen uitgekeken. Mede ook gelet op Rosbauds enorme expertise op het gebied van de toenmalige actuele muziek had ik gehoopt onvermoede lagen in deze meest op diezelfde toonkunst anticiperende symfonie van de Oostenrijkse meester te kunnen ontdekken.

Artistieke daad
Halen de Vijfde en Achtste symfonie niet helemaal het niveau van speciaal de Tweede, Derde, Vierde en Zevende symfonie, schitterende momenten zijn er te over. Zoals bijvoorbeeld het hoogtepunt in het adagio van de Achtste (nu uiteraard met bekkenslagen), maar ook de verstilde processie in het langzame deel van de Vijfde symfonie. Opvallend is overigens dat het scherzo van dezelfde symfonie in een zeer gematigd – maar zeker niet slepend – tempo wordt genomen, iets wat ook deels geldt voor het derde deel van de Zevende. Natuurlijk biedt Rosbaud niet in alle symfonieën het laatste woord, dat kunt u hierboven lezen, maar mede in aanmerking genomen dat een substantieel deel van deze composities nog allerminst ‘en vogue' was en het orkest deze materie onder Rosbaud stormenderhand heeft moeten veroveren, kan hier van een pionierende artistieke daad van groot formaat worden gesproken die nog eens het belang van het enorme kunstenaarschap van deze formidabele musicus accentueert. En dat laatste is in een tijd waarin – ook in muzikale kringen – het korte termijn geheugen zozeer gaat ten koste van dat van de lange termijn iets om ten zeerste en met de grootst denkbare zorg te koesteren.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links