CD-recensie

 

© Maarten Brandt, oktober 2016

 

Bruckner: Symfonie nr. 3 in d (oerversie 1873)

Staatskapelle Dresden o.l.v. Yannick Nézet-Séguin

Hänsslerl PH 12011 • 72' •

Live-opname: 21 september 2008, Semperoper, Dresden

www.rundfunkschaetze.de/edition-staatskapelle-dresden/

 

In een van zijn recensies over de klinkende nalatenschap van de meester uit Ansfelden schrijft collega Aart van der Wal het volgende: "Als Bruckners symfonieën en missen bij het publiek en in de muziekwereld van die dagen vanaf het begin een enthousiast onthaal hadden gehad, lijkt het niet waarschijnlijk dat wij ooit zouden zijn geconfronteerd met het labyrint van versies." En, zo zouden wij daar aan kunnen toevoegen, zou de uiteindelijke indruk van dat symfonische oeuvre totaal anders hebben uitgepakt, dan nu het geval is. Want neem alleen al de eerste versies (die dan dus de enige versies zouden zijn geweest) van de Tweede, Derde, Vierde en Achtste symfonie die ons, in markante tegenstelling tot de latere revisies, een beduidend ongereptere, soms ongemeen rauwe, ongepolijste en vooral revolutionairdere Bruckner tonen dan die van de alom geaccepteerde 'Originalfassungen'. Waarbij bovendien de term 'Originalfassung' behoorlijk misleidend is, want hiermee wordt niet gedoeld op het 'origineel' in termen van het oorspronkelijke ontwerp, maar de door de componist - en al dan niet door gedwongen omstandigheden beïnvloede - geautoriseerde 'Endgültig revidierte Fassungen'. Een speciaal geval in deze vormt de oerversie uit 1873 van de Derde symfonie.

Misrekening
Om het bijzondere van die oerversie in kaart te brengen, moeten we bij Richard Wagner, zijn, een componist die Bruckner mateloos verafgoodde. Met dien verstande, dat hij niet was geïnteresseerd in het gebeuren op het toneel, maar louter in de abstract muzikale kant van zijn kunst. Het feit alleen al bijvoorbeeld dat hij een piano-uittreksel van Tristan und Isolde zònder tekst bezat, spreekt wat dat betreft natuurlijk boekdelen! Hoe dan ook, het is geen wonder dat Bruckner te pas en te onpas wanneer hij zijn symfonieën aan de man wilde brengen de naam van Wagner noemde, ook al was dat bij nader inzien een geduchte misrekening. Want in het conservatieve Wenen had men niets met diens muziek op en dus ook niet met die van Bruckner. De gevolgen kennen we, want als Bruckners werk al tot klinken kwam, liep dit steevast op een catastrofe uit. Getuige onder meer - nadat het stuk tot driemaal toe was geweigerd! - de première van de tweede versie van de Derde symfonie op 16 september 1877. En wel door de Wiener Philharmoniker onder de componist zelf, die te elfder ure Johann Herbeck moest vervangen omdat deze enkele weken te voren was gestorven. Aan deze rampzalige uitvoering was weliswaar deels het overladen programma debet, maar ook Bruckners uiterst gebrekkige leiderschapskwaliteiten.

Bruckner, Wagner en Beethoven
Wat daar ook van zij, naast de coda van het adagio uit de Zevende symfonie (bevattende de treurmuziek die hij schreef naar aanleiding van de jobstijding van Wagners overlijden) is er geen werk van Bruckner dat zozeer met de klankmagiër uit Bayreuth is verbonden als de Derde symfonie in het algemeen en haar oorspronkelijke gedaante in het bijzonder . Een symfonie die niet voor niets aan laatstgenoemde is opgedragen en zonder meer als de grootste ode aan Wagner uit de symfonische hoek kan worden opgevat. Tegelijkertijd is er de toonsoort d-klein, die niet geheel ontoevallig verwijst naar een andere en door Bruckner hogelijk bewonderde componist, namelijk Ludwig van Beethoven. En dan meer in het bijzonder diens Negende symfonie, die in dezelfde toonsoort staat. Een ander punt van verwantschap bestaat in de oernevel van waaruit zowel het openingsdeel uit Beethovens laatst voltooide symfonie als de achtergrond, waartegen het hoofdthema voor de trompet zich aftekent, v an het openingsdeel in Bruckners 'Wagner-symphonie' gestalte krijgt. Ook de wijze waarop de vol olympisch vuur stekende climaxen in de doorwerking van datzelfde deel bij Bruckner hun beslag vinden, herinnert bij vlagen sterk aan het eerste deel uit Beethovens Negende , een symfonie die ook door Wagner mateloos werd bewonderd en van doorslaggevende invloed is geweest op zijn muzikale denken. En last but not least is er het kort na elkaar verschijnen van de hoofdthema's van de eerste drie delen pal voor de afsluiting van de finale. Ziehier een procedure - die de componist overigens in de slotdelen van de Vijfde (hoewel ze daar ook tijdens de inleiding van de finale verschijnen) en de Achtste symfonie opnieuw zou toepassen - welke al evenmin valt los te denken van Bruckners illustere voorbeeld.

 

Bezoek aan Wagner
De totstandkoming van het afschrift van de 'Wagner-symphonie' is een verhaal apart. Er bestaat namelijk geen complete partituur van de eerste versie van de Derde in Bruckners handschift. "Bij de latere ontwikkelingen noteerde de componist de wijzigingen in zijn oorspronkelijke partituur", aldus Van Zwol in zijn monumentale Bruckner-biografie, "en verving hij sommige bladzijden door nieuwe. De verwijderde pagina's werden niet vernietigd, maar kwamen in verschillende bibliotheken terecht. Gelukkig liet Bruckner twee afschriften van de oorspronkelijke versie maken, waarvan er een voor Richard Wagner bestemd was." Dit laatste was het gevolg van een bezoek dat Bruckner in september 1873 aan Wagner had gebracht, bij welke gelegenheid hij zowel delen uit de Tweede als de Derde symfonie aan hem heeft laten zien om vervolgens aan hem de keus te laten. Pikant detail is dat nadat Bruckner was vertrokken hij niet meer wist welke van de twee werken diens voorkeur genoot. "Symphonie in D-moll, wo die Trompete das Thema beginnt", zo richtte de onhandige meester zich aan het adres van zijn grote idool. "Ja, ja, herzlichen Gruss!" was het nuchtere en korte antwoord van Wagner. En zo kwam het tot het 'Widmungs-exemplar' - en de benaming van het werk: "Wagner-symphonie" - dat door Bruckner op 9 mei 1874 is gesigneerd en waarvan het titelblad luidt "Symfonie in Dmoll Sr Hochwohlgeboren Herrn Herrn Richard Wagner, dem unerreichbaren weltberühmten und erhabenen Meister der Dicht und Tonkunst in tiefster Erfurcht gewidmet von Anton Bruckner."

Bruckner Derde en de Staatskapelle
Het zou een hele tijd duren alvorens de symfonie in haar maagdelijke en ongerepte eerste versie aan de klinkende realiteit zou worden getoetst. Van belang is in dit opzicht op te merken dat in de jaren dertig van de vorige eeuw de eerste en onder supervisie van Alfred Orel en Robert Haas staande tekstkritische editie werd opgezet om schoon schip te maken met al die apocriefe en van allerhande door goedbedoelende vrienden verprutste edities van Bruckners werk. En dat brengt ons als vanzelf bij de Staatskapelle Dresden, die de eerste commerciële plaatopnames van van achtereenvolgens de toenmalige tekstkritische uitgaves van de de Vierde en de Vijfde symfonie (1936 en 1937) onder leiding van Karl Böhm heeft vervaardigd en die door Hänssler op cd in omloop zijn gebracht. Haas heeft ook de oerversie van de Derde symfonie onder handen genomen en een uitgave daarvan zou in 1944 in druk verschijnen, maar zover is het als gevolg van de deplorabele oorlogssituatie niet gekomen, want - zo vermeldt Cornelis van Zwol in zijn Bruckner-biografie - al het voor die editie gegraveerde notenmateriaal is bij een bombardement in Leipzig verloren gegaan. Niettemin bleek zich van dit materiaal een afdruk in het bezit van Willy Hess in Winterthur te bevinden en het is hierop dat Joseph Keilberth zich kon baseren bij zijn uitvoering - dus de wereldpremière van de oerversie van de Derde symfonie! - op 1 december 1946 in Dresden met de Staatskapelle als een van de onderdelen van een over meerdere seizoenen uitgesmeerde integrale Bruckner-cyclus.

Drie grote Bruckner-dirigenten
v.l.n.r. Clemens Krauss, Joseph Keilberth, Eugen Jochum en Wilhelm Furtwängler

De eerste gedrukte tekstkritische uitgave verscheen pas in 1977 in het kader van de onder supervisie van Leopold Nowak staande Zweite Gesamtausgabe. De vuurdoop daarvan had plaats op 19 maart 1978 in Adelaide (Australië) in een uitvoering door het BBC Symphony Orchestra onder leiding van Hans Hubert Schönzeier, die nog in datzelfde jaar op instigatie van Van Zwol - toen als muzikaal leider verbonden aan de NCRV - de Nederlandse radio-première verzorgde. We hebben het overigens tevens aan Van Zwol te danken dat de eerste Oostenrijkse uitvoering (17 september 1978) tijdens het vijfde Linzer Brucknerfest door het Linzer Brucknerorchester onder zijn toenmalige chefdirigent Theodor Guschlbauer door de NCRV rechtstreeks kon worden uitgestraald. Inmiddels hebben tal van dirigenten zich met de oerversie van de Derde symfonie beziggehouden en die ook voor cd vastgelegd: Inbal (Teldec), Norrington (EMI en Hännsler), Tintner (Naxos), Wildner (SonArte) , Nagano (Harmonia Mundi), Bosch (Coviello) , Blomstedt (Querstand), Young (Oehms), Ballot (Gremola) en ook Nézet-Séguin, die van deze editie een studio-vastlegging maakte met het Orchestre Métropolitain de Montréal (Atma).

Spanning
In aantallen maten is de Derde - samen met de Vierde symfonie in de oerversie uit 1874 - het meest omvangrijke werk dat uit Bruckners pen is gevloeid. Uit alles is duidelijk dat hij een symfonie wilde schrijven op een schaal die zonder precedent was en waarin hij Beethoven - en meer in het bijzonder, diens Negende symfonie - naar de kroon wilde steken. Hoezeer ook door menigeen de nadruk is gelegd op de Wagner-citaten, het meesterlijke van Bruckner schuilt nu juist in de omstandigheid dat deze - om het even hoe herkenbaar de ontleningen op zich ook zijn, zoals het 'Schlaf-motiv' uit Die Walküre dat zowel in het openingsdeel als tijdens het slot van het adagio de revue passeert - met terugwerkende kracht nauwelijks als echte citaten werken, maar eerder als dramaturgische 'rites de passage', dus als dramaturgische overgangen van de ene naar de andere episode, waarbij die secties onderling opvallen door hun enorme contrasten in inhoud, dynamiek en psychische spanning. Want één ding is vanaf de aanhef duidelijk en dat is dat de spanning tot en met de laatste maat om te snijden is. En dat in een symfonie, die met een gemiddelde speelduur van ruim zeventig minuten even lang is als eerdergenoemde Negende van an Beethoven en dus in de tijd van haar ontstaan bijna een unicum was. Opmerkelijk is tevens het regelmatig optreden van enorme cesuren. De Tweede symfonie mag dan wel de bijnaam 'Pausensinfonie' dragen, deze karakteristiek is minstens even nadrukkelijk van toepassing op de oerversie van de Derde . Kenmerkend is voorts de compromisloze wijze waarop diverse en soms uit graniet gehouwen klankblokken (finale!) op elkaar zijn gemonteerd en hoe deze niet alleen door die enorme cesuren van elkaar zijn gescheiden, maar soms ook compromisloos aan elkaar zijn geplakt, met als gevolg dat er uiterst zowel extreme dissonerende als ritmische confrontaties optreden. Het gevolg is een muziek die zelfs anno 2016 bij momenten van een uiterst onvoorspelbaar karakter blijk geeft en daarnaast van een harmonisch idioom dat niet zelden de atonaliteit vervaarlijk dicht nadert. De wijze bovendien waarop in de finale triviale melodieën en intimiderende harmonisch complexen schaamteloos naast elkaar zijn geplaatst verraadt een mentaliteit waarvoor even later een Ives zich bepaald niet had hoeven schamen. Al even opmerkelijk zijn de smartelijke en van Tristan -harmoniek doordrenkte passages in het adagio die zich ultiem haaks verhouden tot de extatische uitbarstingen vlak voor de coda met al die Tannhäuser-reminiscenties.

'Document humain'
In juni 2014 verscheen de hiervoor al gesignaleerde studio-opname van deze versie in een uitvoering door het Orchestre Metropolitain de Montréal onder Yannick Nézet-Seguin die mager afsteekt tegen de ongeveer zes jaar eerder live vastgelegde en bovengenoemde verklanking uit Dresden die het op alle fronten wint van die uit Canada. Een van de meest belangrijke oorzaken is vanzelfsprekend dat de Staatskappele Dresden Bruckner als het ware in het bloed gebakken zit. De musici spreken de taal van deze componist net zo goed als die van de Berliner en Wiener Philharmoniker alsmede 'ons' Koninklijk Concertgebouworkest. Vele dirigenten hebben Bruckner in Dresden tot klinken gebracht. De namen van Karl Böhm en Joseph Keilberth vielen al. Daarnaast is er uiteraard de tweede Bruckner-cyclus onder Eugen Jochum (EMI), zijn er spraakmakende live-vastleggingen onder Bernard Haitink en Christian Thielemann (Hänssler) en heeft indertijd (maar daarvan bestaat jammer genoeg geen opname) Hans Vonk als toenmalige chefdirigent van de Staatskapelle Amsterdam op een tournee aangedaan met een verpletterende Achtste van Bruckner die me nog steeds in het geheugen staat gegrift. Met andere woorden, als iemand bij dit orkest in een gespreid bed viel, dan zonder twijfel Nézet-Séguin, die er in deze vertolking ruim de tijd voor neemt, want hij deed er in Montréal om en nabij de vijf minuten korter over. Nu zegt tijd bepaald niet alles en in het geval van de studio-opname waarbij weliswaar alles op zijn plaats viel maar het heilige vuur ontbrak, lijkt de uitvoering langer dan die in Dresden. Want wat daar op 21 september 2008 geschiedde is niet minder dan de transmissie van een waar orkestraal drama. Zulks geheel indachtig Wagners begeerde ideaal van het 'Unsichtbare Theater'. Want dat is wat Nézet-Séguins aanpak in hoge mate typeert: theatraliteit. Een theatraliteit die als vehikel dient voor het vertellen van een verhaal waarin grandeur, verscheurdheid, smart, religiositeit (in de breedste zin des woords), gebrokenheid, extase en twijfel om het voorste gelid strijden. Deze uitgave is als gevolg van dit alles een aangrijpend 'document humain' geworden, waarbij op meedogenloze wijze wordt afgerekend met het nogal eens opgeld doende beeld van Bruckner "als een brave en vrome dorpsschoolmeester." Het is ronduit fenomenaal te horen hoe Nézet-Séguin in staat is de lange lijnen van Bruckners soms ongemeen weerbarstig uitpakkende betoog zonder ook maar een knik door te trekken, terwijl de cesuren met een energie zijn geladen die je werkelijk de adem doen inhouden. De live-opname laat geen wens onvervuld, munt uit in helderheid en een schier onbegrensde dynamiek. Een beter pleidooi voor de oerversie van de Derde is dan ook amper denkbaar en, mede gezien de uiterst aantrekkelijke prijs, kan geen enkele rechtgeaarde Bruckneriaan deze grandioze opname links laten liggen. Tenslotte is een compliment voor de samenstellers van de Aangenaam Klassiek-actie om een dergelijke cd in haar bestand op te nemen ten zeerste op zijn plaats.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links