CD-recensie

 

© Maarten Brandt, mei 2014

 

Bruckner: Symfonie nr. 7 in E

Budapest Festival Orchestra o.l.v. Iván Fischer

Channel Classics CCS SA 33714 • 57' • (sacd)

Opname: maart 2012, Palace of Arts, Budapest

   

Na Mahler werpt Iván Fischer zich met 'zijn' Budapest Festival Orchestra nu op Bruckner. Dezelfde Bruckner die ook al eerder bij dit keurensemble en Fischer op de lessenaars stond. Want nog niet zo lang geleden toerde men met de Vijfde symfonie van de meester uit Ansfelden door Europa, maar die uitvoering heb ik niet gehoord, zodat deze nieuwe schijf mijn eerste kennismaking is met de Bruckner onder leiding van deze Hongaarse dirigent, van wie de naam tevens in het geruchtencircuit rondzingt als mogelijke opvolger van Mariss Jansons bij het Koninklijk Concertgebouworkest.

Wie niet verder kijkt dan de vierde pagina van het deze uitgave begeleidende boekje en Fischers statement over Bruckner leest, krijgt meteen hooggespannen verwachtingen:

"Bruckner is the saint, the tzadik, the bodhisattva, the guru among composers. He is the purest and most capable of religious ecstasy. Everything is seen with the clearest vision, built to majestic proportions and felt with deepest emotions."

Wijlen de grote 'guru' - om nog even bij dit door Fischer genoemde woord te blijven - onder de dirigenten van de afgelopen twintigste eeuw, Sergiu Celibidache, had het hem in deze niet kunnen verbeteren. Daarbij was Celibidache een echte (zen)monnik, iemand die helemaal ging voor waar hij met hart en ziel in geloofde; het overbrengen van waarheid in de meest singuliere zin van dit begrip door middel van het niet-aflatend streven naar opperste schoonheid. Maar hier stopt verder iedere vergelijking.

Waarom? Welnu, omdat de Bruckner van Celibidache nu eenmaal met niets en niemand valt te vergelijken. Dus daar kunnen we kort over zijn. Daarenboven zijn er natuurlijk meerdere wegen die, wat het op hoog niveau vertolken van Bruckners symfonische corpus betreft, naar Rome leiden. En dan hoef ik slechts de namen van uiteenlopende en elk in hun soort onovertroffen Bruckner-interpreten te noemen als - ik hanteer hier een persoonlijke volgorde - Günter Wand, Bernard Haitink, Eugen Jochum en (ook al is hij - ten onrechte - veel te weinig bekend) de Oostenrijker Martin Sieghart. En om drie totaal verschillende voorbeelden uit het mono-tijdperk te noemen: Wilhelm Furtwängler, Eduard van Beinum en Volkmar Andreae.

Brukner dirigeren is echt een vak. Een vak apart wel te verstaan, dat slechts door weinige coryfeeën van vandaag de dag echt wordt beheerst. Anders dan bij Mahler kan men zich namelijk niet achter een façade van effecten verstoppen, waar op zich beschouwd overigens niets ten nadele van Mahler mee gezegd wil zijn, maar dat is weer een ander verhaal. Nee, waar het bij Bruckner altijd, om het even voor welke al dan niet langzame of snelle tempi wordt gekozen, weer om draait is het besef dat het geheim van een soelaas-biedende vertolking van diens muziek vooral schuilt in het articuleren van de grote lijn, met daarbinnen tevens het vermogen de overgangen tussen de diverse en soms hevig contrasterende perioden voelbaar te maken. Met andere woorden, een Bruckner-dirigent is hij die tegelijkertijd in het landschap staat en het volledige overzicht vanuit het 'vogelperspectief' bezit. Niet meer en niet minder.

Wat horen we bij Fischer? Een prachtig spelend orkest. Maar dat is geen nieuws. Het gezelschap behoort tot de wereldtop. Dat maakt ook deze cd op slag duidelijk. Maar daar blijft het bij. Want ik heb nog nooit - of het moet onder Roger Norrington zijn, die de enige Zevende Bruckner opnam (voor Hänssler Profil) die nog sneller is dan die van Fischer - zo'n on-idiomatische Bruckner gehoord. En dan ontstaat een wel heel schizoïde situatie, namelijk die van een eersteklas ensemble dat een provinciale visie ten toon spreidt. Want dat is wat hier de klok slaat. Wat Fischer, zijn statement ten spijt, om te beginnen mist is onverschillig welke affiniteit met het religieus-metafysische karakter van Bruckners klanktaal. Ook schort het over de gehele linie aan voldoende adem en onderhuidse geladenheid. Dat ligt niet alleen aan het snelle tempo (zowel het openingsdeel als het adagio hebben een lengte van onder de negentien minuten), want dat het ook binnen een vlot genomen tempo anders kan, leert vooral de tweede opname met het KCO onder leiding van Eduard van Beinum (net op Decca Eloquence verschenen in een voortreffelijke verdoeking, samen met de symfonieën 5, 8 en 9), waar de muziek hoe dan ook grandeur en glans uitstraalt, en uitgerekend deze schitteren bij Fischer volkomen door afwezigheid.

Perfectie, een geoliede en gelikte aanpak, met soms grove overgangen (en bij momenten de neiging tot het etaleren van een geforceerd non vibrato bij de strijkers), ook al speelt er een toporkest: dit alles baat niets. Bruckners magistrale Zevende wordt zodoende gedegradeerd tot een assemblagelijn van bekoorlijke deuntjes, afgewisseld door passages vol opgelegd pandoer die zelfs soms - en niet alleen door het (te) snelle tempo - iets blafferigs en hijgerigs hebben. Een belediging aan het adres van Bruckner en bij een regionaal orkest in de jaren vijftig van de vorige eeuw, bij verstek van een echte Brucknercultuur nog wel enigszins door de vingers te zien, maar nu volstrekt onaanvaardbaar.

Als het om Bruckner gaat bij de nog te benoemen nieuwe chef van het Koninklijk Concertgebouworkest lijkt Fischer me, om het zacht uit te drukken, een niet bijster geschikte kandidaat.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links