CD-recensie

 

© Maarten Brandt, februari 2014

 

Bruckner: Symfonie nr. 9 in d

London Symphony Orchestra o.l.v. Bernard Haitink

LSO Live LSO 0746 • 67' • (sacd)

Live-opname: februari 2013, Barbican Centre, Londen

www.challengerecords.com

   

De Negende symfonie van Anton Bruckner behoort tot de meest verheven en tegelijkertijd raadselachtige symfonische werken uit de muziekgeschiedenis. Het is daarbij om het even of we het over de in den brede bekende driedelige dan wel vierdelige versie hebben, waarbij het gaat over de onder andere door het viertal Samale-Mazzuca-Phillips-Cohrs gerealiseerde finale, die Bruckner voordat hij stierf (hij werkte er nog op de laatste dag van zijn leven aan) overigens voor meer dan negentig procent gereed had. Hoewel, wat heet gereed? Want, zoveel is zeker: had Bruckner langer geleefd, zou hij niet alleen het slotdeel maar tevens de rest van de symfonie nog meer dan eens op de schop hebben genomen, dit al dan niet op aanraden van goedbedoelende vrienden en collega's. Maar hoe men het ook wendt of keert, in onverschillig welke gedaante komt Bruckners zowel aangrijpende als verpletterende symfonische zwanenzang als zijn Opus Ultimum over.
Het is een in allerlei opzichten grensoverschrijdend werk. Niet alleen wat de dimensies aangaat (alleen al het eerste deel overtreft in lengte alle openingsdelen van Bruckner), ook waar het op de harmonische taal aankomt en - niet in de laatste plaats - het compromisloze emotionele klimaat: ook qua dramatische zeggingskracht stelt de Negende namelijk alle voorgaande symfonieën, de Achtste zelfs niet uitgezonderd, in de schaduw.

Andere dimensie
Ik herinner me nog als de dag van gisteren het moment waarop ik - het moet ergens in de jaren 63-64 van de vorige eeuw zijn geweest - de radio inschakelde en zonder te weten wie de componist was, in het adagio viel. Om precies te zijn bij de plek vlak voor het aanbreken van die afgrondelijke climax, culminerend in dat bijna clusterakkoord, met daarna die oorverdovende stilte, die de overgang naar de coda markeert. Ik wist niet wat me overkwam, en had de indruk dat ik in een andere dimensie was aanbeland, een domein waar ik nog niet mocht komen. Het was een muziek die toen nog helemaal buiten zowel mijn bevattings- als voorstellingsvermogen lag, een klank die me voorkwam afkomstig te zijn van een andere planeet. Intuïtief wist ik dat mijn leven daarna nooit meer hetzelfde zou zijn. Ik was totaal verbijsterd, aan de grond genageld. Dat muziek zo iets vermocht te bewerkstelligen, die wetenschap sloeg me volledig uit het lood.

Pas later, veel later heb ik begrepen van welke essentie dit moment in Bruckners oeuvre blijk geeft. En wel dankzij datgene wat Arnold Schönberg over Mahlers Tiende symfonie heeft opgemerkt en waarvan de portee, metaforisch gesproken, aardig in de buurt komt bij wat Mozes - zo lezen we in het Oude Testament - moet hebben ervaren bij het brandend braambos. "Het lijkt er op dat de Negende een grens is", aldus Schönberg. "Hij die deze wil passeren, zal moeten sterven. Het heeft er de schijn van dat ons in de Tiende iets wordt meegedeeld waarvan wij geen weet mogen hebben; iets waarvoor wij vooralsnog niet rijp zijn. Zij die een Negende schreven waren Gene Zijde te dicht genaderd. Wellicht dat het ontraadselen van de grote vragen des levens een stap naderbij zou komen indien iemand een Tiende zou schrijven, maar dat zal waarschijnlijk nooit gebeuren."

De Tiende van Mahler - en daar versta ik de Tiende onder die Mahler heeft geschreven en die dus in feite niet meer behelst dan het openingsdeel, het Adagio - valt hier niet zomaar. Immers, het befaamde doods- of schreeuwakkoord dat daarin op driekwart van het werk klinkt is een rechtstreekse repliek op eerdergenoemde climax uit Bruckners Negende, die op zijn beurt model heeft gestaan voor zowel het oorverdovende twaalftoonsakkoord waarmee de dood van Lulu in de gelijknamige opera van Alban Berg extra luister wordt bijgezet als het hoogtepunt uit het eerste deel van de Achtste (en laatste!) symfonie van Karl Amadeus Hartmann. Het is volgens mij allerminst toevallig dat al genoemde composities kringen rond hetzelfde thema, het zinspelen op het onzegbare, op het domein halverwege leven en dood, ja het voelbaar maken van de peilloze afgrond. De afgrond van waaruit als het ware de echo van de Onuitsprekelijke Naam van de 'Deus absconditus', de Onkenbare en Onzichtbare Allerhoogste opstijgt. Dezelfde Allerhoogste aan wie Bruckner zijn muzikale testament heeft opgedragen in de vorm van een symfonie die, alle godsvrucht van de componist ten spijt, toch vooral (op de verstilde coda van het Adagio na, maar dat is een ander verhaal) twijfel, wanhoop en verscheurdheid uitdrukt.

'Indian Summer'
Dit alles speelde me weer eens door het hoofd tijdens het beluisteren van de heet van de naald verschenen live-opname van Bruckners Negende symfonie met het London Symphony Orchestra onder leiding van Bernard Haitink. Haitink heeft een lange geschiedenis met dit stuk. Hij dirigeerde de symfonie tot op heden maar liefst 47 maal bij het Koninklijk Concertgebouworkest, dus nog vaker dan de Zevende en de Achtste (de meest populaire onder Bruckners symfonieën, de Vierde voerde hij met het KCO slechts 17 keer uit). Ook bij andere orkesten heeft Haitink dit werk menigmaal ten gehore gebracht (zoals reeds tijdens het begin van zijn loopbaan als chef-dirigent van het Radio Filharmonisch Orkest), zodat men kan stellen dat er, behalve wijlen Günter Wand, nauwelijks een dirigent valt te bedenken die zich zo dikwijls over deze partituur heeft ontfermd. Wie op grond hiervan denkt dat dit tot sleetse resultaten heeft geleid, heeft het volstrekt bij het verkeerde eind. Keer op keer weet Haitink in deze symfonie weer andere lagen aan te boren en zijn luisterschare voor verrassingen te plaatsen. Ook daarin lijkt hij op zijn legendarische Duitse collega, met dien verstande dat Haitink al bij zijn leven legendarisch was en is. En niet alleen in Bruckner, maar ook in Brahms, Mahler, Wagner, Beethoven en Debussy, om slechts enkele voorbeelden te noemen. Haitink behoort tot die begenadigde categorie musici die zich, naarmate zij een gevorderde leeftijd bereiken, steeds meer verdiepen. Inderdaad, net zoals dit het geval was bij Furtwängler, Wand en Celibidache. Collega Bas van Putten voorspelde al de nodige tijd geleden in een in dagblad Het Parool gepubliceerd artikel dat er voor Haitink een lange en schitterende 'Indian Summer' zou aanbreken en dat het mooiste wat hij te bieden had nog zou komen. En die voorspelling is voor de volle honderd procent bewaarheid geworden, iets waarvan deze nieuwe registratie van de Negende Bruckner opnieuw in alle toonsoorten het bewijs levert, zijn vierde commerciële opname van dit stuk. Aan het eind van dit artikel zijn de timings van deze uitgaves, plus die van een recente live-uitvoering met de Wiener Philharmoniker in een overzichtje gerangschikt , waardoor in één oogopslag Haitinks ontwikkeling - althans voor zover dit het meetbare betreft, het meeste wat in muziek geschiedt is onmeetbaar - inzichtelijk wordt.

Paukenslagen - 1965/1981
De eerste vastlegging met het Koninklijk Concertgebouworkest dateert uit 1965 en is door het voortreffelijke en onder leiding van opnameleider Jaap van Ginneken staande team voor het toen nog prestigieuze Philips-label vastgelegd. De typische gulden sonoriteit van het koper (hoorns!) en de gloedvolle warme strijkersklank vormen het watermerk binnen een strakke, maar zeker niet gejaagde opvatting die soms de nadagen van Haitinks voorganger Eduard van Beinum in herinnering roept. Samen met de DG-registraties van de Berliner Philharmoniker onder achtereenvolgens Eugen Jochum en Herbert von Karajan - beide uit 1966 - deelde deze uitvoering niet voor niets een eerste plaats op de ranglijst en dat jarenlang. En nog steeds is deze uitgave een pracht van een visitekaartje van het KCO.

In 1981 kwam het tot een tweede Philips opname door Haitink en zijn keurkorps, nu bijgestaan door Volker Straus. Opvallend zijn fenomenen als meer adem, een rondere en tegelijkertijd ook diepere (alsmede een soms in de positieve zin des woords verzadigdere) klank en - qua definitie van de akoestische ambiance - meer galm. Zij het dit laatste niet in nadelige zin, want de sfeer van de grote zaal van het Concertgebouw komt in deze uitvoering schitterend uit de luidsprekers. Beide vertolkingen hebben wat het slot van de coda uit het eerste deel betreft overigens een eigenaardig verschijnsel met elkaar gemeen, dat bestaat in het optreden van extra paukenslagen. Deze staan namelijk niet in de partituur van de - door Haitink gebruikte - Haasversie en al evenmin in de editie van Nowak, maar zijn toe te schrijven, naar Brucknerexpert 'par excellence' Cornelis van Zwol mij wist te berichten, aan een ingrijpen door Eduard van Beinum. Hij vond de basnoten van de tuba te zwak doorkomen en vroeg daarom de toen nog jonge eerste paukenist, de befaamde Jan Labordus, deze met de pauk te accentueren. Van Beinum was over dit effect zozeer te spreken dat hij zei: "Zo, dit houden we erin." Met als resultaat dat Labordus die slagen in zijn partij heeft bijgeschreven en er een traditie ontstond die nog geruime tijd stand heeft gehouden. En wat men daar ook, en terecht, op kan afdingen (want musicologisch is deze gang van zaken uiteraard niet verdedigbaar), de uitwerking bezit door zijn bloedstollende dramatiek een overweldigende impact.

Schandalig - 2009
Maar liefst 28 jaar later komt het tot de eerste live-opname onder Haitink van Bruckners Negende. En wel met het Koninklijk Concertgebouworkest, vereeuwigd op een dvd, gekoppeld aan een optreden van Murray Perahia die het Pianoconcert van Schumann speelt. Deze concertregistratie is op het Japanse label NHK uitgebracht en helaas slechts in Japan verkrijgbaar. Dat het product alleen voor de Japanse markt is bedoeld, blijkt ook uit het feit dat het booklet geen spat toelichting - alleen de titels van de stukken en de namen van de uitvoerenden zijn in westerse letters gedrukt - in een andere taal dan het Japans bevat en dat de ondertitelingen bij de over het Koninklijk Concertgebouworkest bijgevoegde documentaire in het Japans zijn en sterker nog: een interview (vanzelfsprekend in het Japans) met een van de Japanse musici van het KCO niet in Engels is ondertiteld! Het meest bizarre is nog dat er op de site van het KCO geen enkele melding van deze belangwekkende uitgave wordt gemaakt, alsof het voor ons Europeanen verboden is hiervan kennis te nemen. En dat is hoogst betreurenswaardig om niet te zeggen schandalig, want het gaat hier om een grandioze verklanking van een van onze grootste muzikale helden . Een verklanking die op en top in het teken staat van vergeestelijking, van een puur- en bezonkenheid die - ongeacht hoe deze vertolkingen ook van die van Haitink verschillen - automatisch de beste uitvoeringen onder Wand, Giulini (ik denk hier in het bijzonder aan zijn KCO opname, die gelukkig in The Anthology of the Royal Concertgebouw Orchestra is verschenen) en Celibidache in herinnering roepen. Wat vooral opvalt, is de enorme versobering in gestiek die Haitink ten toon spreidt, maar die omgekeerd evenredig tot een herschepping van het partituurbeeld heeft geleid die volledig de kern raakt. Zozeer zelfs dat het mij gedurende het ondergaan van de naar binnen gekeerde en uiterst geresigneerde coda van het Adagio voorkwam alsof ik de late Wand zag dirigeren. Wie deze bijzondere uitgave aan zijn collectie wil toevoegen, zal trouwens diep in de portemonnee moeten tasten; niet alleen betaalt men een full price-bedrag voor deze dvd, ook is de kans zeer groot dat er - omdat deze productie van buiten Europa afkomstig is - douanerechten à raison van een slordige 30 euro moet moeten worden neergeteld. Het zou de leiding van het KCO sieren deze hoogst belangwekkende Haitink-lezing via haar kanalen en tegen een aanzienlijk schappelijker som gelds beschikbaar te stellen! Maar voor wie niet kan wachten: de dvd is bestelbaar via website www.cdjapan.co.jp

Weense Wagnertuba's - 2012
Zoals bekend startte Philips ooit een tweede Bruckner-cyclus (deels parallel lopend aan de niet afgeronde tweede Mahlerreeks met de Berliner Philharmoniker voor hetzelfde label) met Haitink en - ditmaal - de Wiener Philharmoniker. Hoewel de Negende ooit stond aangekondigd is dit project niet verder gekomen dan de Derde, Vierde, Vijfde en Achtste symfonie, benevens het Te Deum. Niettemin heeft Haitink de Negende ook met de Weners herhaaldelijk tot klinken gebracht. Zo bijvoorbeeld zeer onlangs nog. Namelijk op 6 september 2012 in de Londense Royal Albert Hal in een pracht van een uitvoering die door Radio 4 op het middernachtelijk uur is uitgezonden en die ik voor mijn privéverzameling heb opgenomen. Een verhaal apart vormen de een klasse op zich zijnde Weense Wagnertuba's, die ik zelden zo mooi sonoor en zacht heb horen spelen, getuige onder meer in het zogenaamde 'Abschieds' -thema van het Adagio, waar Haitink, binnen een allerminst overdreven langzaam tempo, alle rust neemt en het geheel weldadig laat ademen, met de fraaist denkbare overgangen tijdens de gewiekste modulaties die Bruckner hier voorschrijft. In termen van orkestspel is dit een visie om in te lijsten, ook al bereikt Haitink hier net niet die enorme graad van vergeestelijking als in zijn KCO-pleidooi uit 2009 en de nieuwe live-opname uit Londen. Want wat Haitink daar in februari 2013 in Barbican klaarspeelde grenst werkelijk aan het ongelooflijke. Waarbij te bedenken valt dat het London Symphony Orchestra nu niet een ensemble is dat men meteen met de symfonische erfenis van Bruckner associeert. Maar wie, al luisterende, niet beter weet, meent hier met een gezelschap van doen te hebben, dat deze muziek al heel lang in het bloed heeft zitten. Haitink kan lezen en schrijven met deze musici en is daardoor in staat de partituur van boven tot onder als geen ander te doorgronden.

Onherbergzame intensiteit - 2013
Werden zijn oudere opnames, zoals die met het KCO, ondanks hun onloochenbaar hoge kwaliteiten, nog getypeerd door het opleggen van zekere reserves, hier gaat Haitink geen zee te hoog. Hij laat de teugels tot het uiterste vieren, zonder daarbij over de schreef te gaan. Want, ondanks het feit dat deze uitvoering van de Negende de langste ooit is die Haitink dirigeerde (tussen zijn eerste opname en deze is een tijdsverschil van maar liefst om en nabij de negen minuten! Zie onderstaand schema), komt niets slepend over en staat, integendeel, alles van A tot Z als een huis. Tijdens de expositie van het eerste deel heeft men, meer dan voorheen bij Haitink, echt het gevoel aanwezig te zijn bij de schepping van de kosmos. De 'toon' van de door hem in deze benadering gehuldigde aanpak is duisterder dan in meeste andere uitvoeringen (die van Haitink zelf incluis) die ik van deze symfonie ken, en dat zijn er meerdere tientallen. Een apart hoofdstuk is niet alleen de coda van het eerste deel, maar meer nog de wijze waarop daar langzaam maar onontkoombaar naartoe wordt gewerkt, en wel volgens het recept van "reculer pour mieux sauter". Nooit eerder heeft deze muziek onheilspellender en dreigender geklonken dan nu en nooit eerder bezat de climax aan het eind (uiteraard zonder extra paukenslagen) een dermate ontstellende, onweersachtige en onherbergzame intensiteit. Een intensiteit die blijft doorklinken in het demonische scherzo, waarin Haitink (anders dan bijvoorbeeld Chailly met het KCO die - Decca - het teveel zoekt in een uiterlijk en gelikt vertoon) de handenwringende harmonische scharnierpunten niet toedekt, maar in al hun naaktheid schaamteloos belicht. Het Adagio werkt hierna, en ook hierin verschilt Haitink duidelijk van zijn kompanen op dit gebied, echt als een gigantisch purgatorio , waarin gevoelens van een mateloos heimwee, angst, extase, dreiging en uiteindelijke berusting om het voorste gelid strijden. Het wemelt van de onvergetelijke momenten die Haitink hier weet te bereiken. Neem bijvoorbeeld de inzet de eerste violen bij letter K ('Markig, breit'), die de opmaat vormen tot die beruchte doorgangspassage vol pijnlijke dissonanten en waarin het zich nadien bijvoegende koper een hoofdaandeel heeft, een episode die later uitmondt in een paradijselijk visioen waar qua kleurstelling (violen!) een Vaughan Williams zich niet voor had hoeven schamen. En dat brengt ons op de perfecte timing waarmee Haitink er in slaagt deze schier onoverbrugbare tegenstellingen met elkaar te verzoenen, waarbij hij zichzelf gedurende de coda nogmaals weet te overtreffen door de muziek op en top gewichtloos te maken, echt onbestemd en zwevend. Een muziek die hier inderdaad de belichaming vormt van iets dat men God zou kunnen noemen. Geen persoonlijke God, maar een non-lokale dimensie waarbinnen tijd en ruimte zijn opgeheven en waarin tenslotte opperste harmonie heerst.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik vreesde voor de opname, want Barbican is wat dat betreft een ondankbare ruimte. En, toegegeven, het is dan wel geen Concertgebouw of Weense Musikverein wat we hier horen, maar het resultaat viel me allerminst tegen. De klank is diep, warm en rijk aan dynamiek en het geheel bezit - zeker in de surroundmodus - een weldadig perspectief en presence. Via de gangbare stereoweergave komt het laag tevens mooi door. Ook technisch is deze productie dus, gegeven de omstandigheden, een bewonderenswaardige prestatie.

Wat Haitink met deze revelatie - althans bij mij - tevens heeft bereikt, is dat ik aanzienlijk minder enthousiast ben geworden over de Negende in de vierdelige versie. Natuurlijk ben en blijf ik vol mateloze bewondering voor het monnikenwerk dat Ben Cohrs en de zijnen zich bij de reconstructie van de finale hebben getroost . Maar het geheel overtuigt niet voldoende, althans zeker niet in de mate waarin de delen 1 tot en met 3 dat doen. En dat ligt niet zozeer aan laatstgenoemde cum suis, maar aan de componist zelf. Bruckner is veelal niet op z'n sterkst in finales, met uitzondering van de Eerste, de Vierde, de Vijfde en - deels, want ook hier zitten nogal wat stoplappen - de Achtste symfonie. Wie na het slotakkoord van het Adagio uit de Negende naar het beginthema van de finale luistert, kan niet anders dan teleurgesteld zijn. Want dat klinkt dan zo onbeduidend en bovenal, te materieel, te aardgebonden. Haitink heeft mij door zijn onvergetelijke herschepping meer dan wie ook ten diepste van dit feit doordrongen, namelijk dat de Negende in zijn driedelige vorm af is. Na die - dankzij Haitink en zijn weergaloos fraai spelende Londenaren - haast tot tranen toe ontroerende coda van het Adagio valt er in feite niets meer te zeggen, het woord is dan aan de stilte. Niet meer en niet minder.

I II III T.T.
KCO 1965 23'15 11'15 24'52 58'22
KCO 1981 25'11 10'51 26'28 62'40
KCO 2009 25'31 10'37 26'20 62'28
WP 2012 26'35 11'33 26'53 65'01
LSO 2013 27'31 11'53 27'46 67'10

index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links