CD-recensie

 

© Maarten Brandt, mei 2013

 

Bruckner: Symfonie nr. 6 in A

Radio Filharmonisch orkest o.l.v. Jaap van Zweden.

Challenge Classics CC72552 • 57' • (sacd)

Opname: juni 2012, Studio MCO 5, Hilversum

 

 

 

Toen ik op de middelbare school zat, we spreken dan over het midden van de jaren zestig van de vorige eeuw, was de Zesde symfonie van Anton Bruckner echt het stiefkind onder de symfonieën. Het was dan ook een fonografisch moment van de eerste orde dat uitgerekend toen die spraakmakende opname van het New Philharmonia Orchestra onder leiding van de granieten reus onder de oude generatie dirigenten, Otto Klemperer, uitkwam (EMI, recent weer heruitgegeven is een imposante en tal van cd-boxen omvattende Klemperer-editie). Het was mijn eerste elpee van de klinkende nalatenschap van de grote Oostenrijkse symfonicus en ik heb deze nog lang als een uitermate kostbaar relikwie gekoesterd. De muziek werd al spoedig mijn geestelijk eigendom. Vooral de majestueuze coda van het openingsdeel uit de Zesde, maar tevens het qua ontroering alles omverwerpende zangthema (tweede thema) van het adagio haakten zich niet alleen in mijn be- maar vooral ook onderbewustzijn vast. En dat is tot op de dag van vandaag zo gebleven. Zozeer zelfs, dat mijn aandacht altijd weer wordt getrokken als er een nieuwe opname van deze bijzondere symfonie verschijnt, zoals nu onder Jaap van Zweden.

Actie en stasis
Bijzonder. Waarom? Omdat Bruckner met dit werk evengoed nieuwe wegen insloeg als bijvoorbeeld met zijn Derde en Negende symfonie. Neem alleen al het markante openingsdeel, waarin soms zelfs impressionistische (en in die zin bijna on-Oostenrijkse) kleurstellingen de aandacht trekken. Neem ook de wijze waarop Bruckner intrigerende golfbewegingen op elkaar weet te monteren, met als gevolg een intrigerend evenwicht tussen actie en stasis , een effect dat later heel karakteristiek zou worden voor veel twintigste eeuwse muziek. Alleen al in dit opzicht komt de Zesde moderner over dan de daaraan voorafgaande en qua dimensies – dat zij volmondig toegegeven – monumentalere Vijfde symfonie, waarop trouwens gedurende het trio van het meeslepende scherzo heel subtiel en toch onmiskenbaar duidelijk wordt gezinspeeld (middels een bijna-citaat van het allegro-hoofdthema uit het eerste deel van die symfonie).

Loutering
Een verhaal apart is het langzame deel – als altijd en dus ook hier het zwaartepunt van de symfonie - en ik ben het voor de volle procent met de grote Nederlandse schrijver en muziekessayist Simon Vestdijk eens, dat dit een van de meest imposante adagio’s van Bruckners hand is. Zelfs, met alle respect, mooier dan dat van de Zevende, dat natuurlijk veel bekender om niet te zeggen populairder is, verbonden als het is met het overlijden van Bruckners en door hem verafgode idool Richard Wagner. Als er een adagio is waarin dit niveau nog wordt geëvenaard dan dat uit de Negende. Nee, ik ken geen muziek waarin – hoewel het de vraag is of Bruckner zelf zich hiervan bewust was; zijn muziek is volledig abstract gelukkig; we mogen erbij denken wat we willen – rouwverwerking en loutering zo indrukwekkend en tegelijkertijd onsentimenteel zijn verklankt als in het tweede deel van de Zesde. Alle emotionele stadia van die verwerking komen erin aan bod, met een bijna uitzicht op het hiernamaals daarbij inbegrepen, getuige die fabuleus fraaie coda waarin Bruckner alle teugels laat vieren en, om met Gurnemanz in Wagners Parsifal te spreken, de tijd inderdaad tot ruimte wordt getransformeerd. Wel te verstaan een ruimte voorbij alle woorden en begrippen en op een wijze overgebracht zoals alleen de muziek vermag.

Strijkersklank
En dat brengt mij nu terug bij die als legendarisch bekend staande en door mij indertijd grijs gedraaide elpee onder Klemperer, waarvan ik de cd-versie in verband met onderhavige bespreking van de heet van de naald verschenen opname van het RFO onder Jaap van Zweden nog even uit de kast heb gehaald. Het openingsdeel onder Klemperer blijft nog onverminderd een mijlpaal in de fonografische receptiegeschiedenis van dit werk (zijn coda van het eerste deel is nog steeds van onovertroffen klasse!), maar – eerlijk is eerlijk – het adagio raakte mij nu geen moment meer. Hier is die oude reus gewoon te nuchter en het tempo ligt te hoog, zodat er toch soms over bepaalde zaken heen wordt gespeeld, hoe mooi de leden van het New Philharmonia Orchestra de noten ook spelen, want daar is op zichzelf niets mis mee. Niet dat timings alles zeggen maar toch… Klemperer doet over dit deel 14’43 en Van Zweden maar liefst 18’39 minuten en dat brengt het verschil op bijna 4 minuten. En dat is goed te merken, want wat ademt het geheel onder deze Nederlandse maestro voorbeeldig. Er wordt alle tijd genomen voor een hyper verfijnde frasering, zonder dat de grote lijnen er ook maar een seconde aan hoeven te geloven. En dan die strijkersklank! Daarin staat het RFO op zeker even eenzame hoogte als het keurensemble aan de Amsterdamse Van Baerlestraat. En het zijn de strijkers die het in dit deel – niet alleen in het zangthema, ook in het derde en marcia funèbre-achtige gegeven – voor een uiterst substantieel percentage doen. De handenwringende tragiek van deze muziek komt aldus op uitmuntende wijze tot leven, waarbij die al genoemde coda bij vlagen doet denken – en dat zegt wat over Van Zwedens niveau als Bruckner-interpreet– aan de vertolking door de Münchner Philharmoniker onder wijlen Sergiu Celibidache (EMI)

Spanning
In het openingsdeel is Van Zweden ongeveer een minuut sneller dan Klemperer, maar niet dat de zaak daarom gehaast op de luisteraar overkomt, integendeel. Detaillering is alom troef, terwijl de beurtelings onderhuids en onverhuld manifeste spanning voortdurend om te snijden is. De scherpe tracering van de diverse kleurstellingen krijgen nog extra diepte en reliëf dankzij de opnieuw uiterst geslaagde en in de bekende lokaliteit (zie discografie) vastgelegde registratie. Heel aangenaam is tevens het rustige maar allesbehalve slepende basistempo in de finale, met een schitterende en melancholieke terugblik op het adagio. Dit laatste vindt bij Van Zweden cum suis au fond niet minder indrukwekkend zijn beslag dan bij Celibidache in zijn lezing uit München. Fascinerend om te horen hoe eerstgenoemde op zeer intuïtieve wijze vaak even grootse resultaten weet te bereiken als de erudiete muzikale en uit Roemenië geboortige filosoof. Kortom, een van de meest aanbevelenswaardige Zesdes van Bruckner van de laatste tien jaar die zowel qua visie als orkestspel een erepalm verdient. Nu rest nog slechts de Eerste symfonie, want Van Zweden is niet van plan de symfonieën Nul en Dubbel-nul (Studie-symfonie in f) in het geheel te betrekken. Valt daar nog mee te leven, doodjammer is dat finale van de Negende in de spraakmakende reconstructie uit 2012 van Samale/Phillips/Mazzuca/Cohrs niet in deze prachtige reeks wordt meegenomen. Wat zou dat en dan met dit opnameteam en in deze schitterende ruimte een avontuur zijn geworden. Is er dan werkelijk niemand die van Zweden alsnog over de streep zou kunnen trekken? Een fraaiere bekroning van deze Bruckner-cyclus zou ik mij niet kunnen voorstellen!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links