CD-recensie

 

© Maarten Brandt, januari 2008


 
  Sir Granville Bantock (ca. 1912)
   
   

Sir Granville Bantock: Orchestral Music

A Celtic Symphony - The Witch of Atlas - The Sea Reivers - A Hebridean Symphony - Pagan Symphony - Fifine at the Fair - Cuchullan’s Lament - Kismuhl’s Galley - The Cyprian Goddess - The Helena Variations - Dante and Beatrice - Sappho - Sapphic Poem - Overture to a Greek Tragedy - Pierrot of the Minute - The Wilderness and the Solitary Place Caristiona - Processional - Thalaba the Destroyer - The Song of Songs (fragmenten) - Omar Khayyám (fragmenten).

Elisabeth Connell (sopraan), Susan Bickley (mezzo-sopraan) Kim Begley (tenor), William Prideaux (bariton), Julian Lloyd Webber (cello), Royal Philharmonic Orchestra & Chorus o.l.v. Vernon Handley.

Hyperion CDS44281/6 • 7.33' • (6 cd's)


Het fanatisme waarmee de Engelsen op de bres staan voor hun muziek is en blijft legendarisch. Is er van een werk als bijvoorbeeld Diepenbrock’s Te Deum geen enkele stereo-opname verkrijgbaar, van elke symfonie van Vaughan Williams heeft men de keuze uit tientallen verschillende uitvoeringen van doorgaans exemplarisch niveau. Ook werk van minder bekende componisten is prima gedocumenteerd. Zo bestaan er niet alleen al twee verschillende integrale opnamen van alle symfonieën van Arnold Bax, wel te verstaan voor een en hetzelfde label, namelijk Chandos, op Hyperion verschenen in de loop der jaren onder meer alle elf symfonieën van Robert Simpson, een symfonicus die als een eigentijdsere pendant van Nielsen en Sibelius kan worden gezien, maar die buiten Engeland vrijwel nergens wordt uitgevoerd.

Hetzelfde kan worden gezegd van de muziek van Sir Granville Bantock (1868-1946) die, geloof het of niet, ooit populairder was dan Elgar en wiens stijl bovendien oorspronkelijk als nogal vernieuwend werd beschouwd. Een van diens werken genoot lange tijd een relatief grote populariteit, zijn symfonische gedicht ‘Fifine at the Fair’. Dit vanwege het feit dat niemand minder dan wijlen Sir Thomas Beecham er meer dan eens een lans voor brak. Tegenwoordig zijn diens composities bijkans totaal in de vergetelheid geraakt, ware het niet dat tussen 1990 en 2003 Vernon Handley en het Royal Philharmonic Orchestra maar liefst zes royaal gevulde cd’s vereeuwigden met bijna het gehele orkestrale oeuvre van Bantock, iets dat ik met de compositorische nalatenschap van bijvoorbeeld Willem Pijper (waar ooit sprake van was) nog moet zien gebeuren. Die zes disc’s zijn nu zeer aantrekkelijk geprijsd in een doosje heruitgebracht. Uiteraard is de documentatie minder uitvoerig dan bij de separate releases, maar het booklet bevat gelukkig wel alle gezongen teksten.

Een interessante vraag is of de muziek van Bantock typisch Engels is? Nee, dat is zij niet, het zijn vooral continentale invloeden die de toon zetten, en die vanuit diverse richtingen afkomstig zijn. Bantock springt met die invloeden als een raseclecticus om en, omdat hij een meesterlijk orkestrator is lukt het hem dikwijls de luisteraar op de punt van zijn of haar stoel te krijgen. Neem het symfonische gedicht ‘Thabala the Destroyer’ (1900), dat bijna als een Tsjaikovski-pastiche overkomt, met ergens een muziek die balanceert halverwege de treurmuziek uit diens Fantasieouverture ‘Romeo en Julia’ en de dramatische aanhef van de Eerste symfonie van Brahms. Niet origineel, maar niettemin zeer pakkend geïnstrumenteerd. Bovendien verraadt de verdeling van de climaxen over het totaal een groot gevoel voor timing.

Impressionistisch effect

Het al genoemde ‘Fifine at the Fair’ (1911) is niet over de gehele linie even consistent, maar zowel de aanhef als de afsluiting zijn – mede door de in divisie opererende strijkers (gedurende de proloog in 21 partijen!) bij machte waarvan Bantock een bijna impressionistisch effect sorteert – van een enorme bekoring. De wijze waarop de klarinet (die hier de vlinder Fifine verbeeldt) in het discours is betrokken, doet in de verte denken aan de manier waarop Richard Strauss bepaalde solo-instrumenten in zijn grote symfonische gedichten gebruikt. Opmerkelijk is ook het tijdens het eigenlijke ‘kermis’-gedeelte de revue passerende citaat uit ‘Der Karnaval in Venedig’.

Anders dan ‘Thabala the Destroyer’ waar de geest van Tsjaikovski weliswaar doorheen spookt en dat toch spannende muziek heeft opgeleverd, zijn de ‘Helena variations’ (1899) ronduit epigonistisch en teveel verplicht aan hun grote voorbeeld: Elgars befaamde ‘Enigma variations’. Ook is er veel kleingoed, waarvan de portee nauwelijks origineel kan worden genoemd. Stukken als ‘Cuchullan’s Lament’ en Kismuhl’s Galley’ (1944) gaan het ene oor in en het andere oor uit. Daar kan ook het prachtig spelende Royal Philharmonic onder Handley niets aan veranderen: er zijn tal van componisten uit binnen- en buitenland te bedenken die dergelijke volstrekt inwisselbare composities hebben geschreven.

Exquise bi-tonale akkoordcomplexen

Van een onvergelijkbaar andere en grootsere allure zijn de ‘Hebridean’- en ‘Pagan Symphony’, (uit respectievelijk 1913 en 1927) aan de hand waarvan men zich inderdaad kan voorstellen dat Bantock ooit als vernieuwer werd ervaren. Qua harmonisch idioom is eerstgenoemd opus nog vooruitstrevender dan de ‘Pagan Symphony’: soms zijn er zelfs exquis geïnstrumenteerde bi-tonale akkoordcomplexen van een fascinatie waar bijvoorbeeld de Franse grootmeester op dit gebied, Charles Koechlin, zich bepaald niet voor zou hebben hoeven schamen, terwijl het vol suspense stekende evocatieve en mysterieuze karakter van deze partituur een totaal heeft opgeleverd dat zonder reserve tot de crème de la crème van de Engelse symfonische muziek uit de eerste helft van de vorige eeuw moet worden gerekend. De ‘Pagan Symphony’ heeft een in de goede zin des woords vervoerend en geëxalteerd karakter en vertoont soms stilistische verwantschappen met zowel de latere symfonische gedichten van Richard Strauss als de klanktaal in ‘Die Seejungfrau’ van Alexander Zemlinski. Beide Bantock symfonieën vertonen geen enkele knik tijdens het spanningsverloop en verdienen dan ook zeker internationale aandacht.

Curieuze bezetting

Dat laatste geldt wat mij betreft niet voor de ‘Celtic Symphony’ (1940) met de curieuze bezetting voor strijkorkest en (sic!) zes harpen. Niet alleen is dit werk me te zoetgevooisd, de wijze waarop het arsenaal aan harpen is ingezet is verre van economisch en dat alleen al staat een verbreiding ervan – behalve wellicht in het kader van een harpfestival, maar zelfs daar heb ik zo mijn twijfels – in de weg.
Een buitengewoon grootschalig project is Bantock’s in 1926 gereed gekomen ‘The Song of Songs’ (‘Het Hooglied’), waarvan in deze uitgave een reeks fragmenten valt te beluisteren, alsmede het voorspel tot deze in beginsel als opera bedoelde compositie, waaraan de maker maar liefst 15 jaar heeft geschaafd. Voor de Engelse tekst baseerde hij zich op de King James Bible. Niet zozeer de religieuze als wel de humanistische dimensie van dit lyrische drama is vijf scènes boeide Bantock. Een soms naar het conventionele neigend stijlgemiddelde wordt regelmatig afgewisseld door passages van een betoverende verfijning en sensualiteit. Van het solistische aandeel bevalt mij die van Elisabeth Connell het beste – het stemgeluid van Kim Begley vind ik af en toe iets (vibrato) aan de te sentimentele kant.

Melancholie

Als het om de vocaal/orkestrale muziek van Bantock gaat zijn de tussen 1900 en 1907 ontstane ‘Prélude and Nine Fragments for mezzo-soprano and orchestra from Sappho’ indrukwekkender dan ‘The Song of Songs’. In deze cyclus anticipeert de componist soms reeds op zijn meeslepende ‘Pagan Symphony’. Wat we hier horen is weer Bantock op z’n best, alle Wagner-reminiscenties ten spijt. En de melancholie die ons hier tegemoet klinkt heeft iets weg van ‘Poème de l’Amour et de la Mer’ van Ernest Chausson, hetgeen nog eens ten overvloede onderstreept hoe continentaal Bantock qua muzikale invloedssferen was georiënteerd. Susan Bickley toont een eclatante affiniteit met deze beurtelings geladen, geraffineerde en bedwelmende symfonische liederen.

 
   

Veel zou er nog te zeggen zijn over deze prachtige klinkende overzichtstentoonstelling van Bantock’s orkestrale nalatenschap, maar dat voert hier te ver. Handley en de zijnen geloven met huid en haar in deze muziek en presenteren deze alsof zij reeds lang tot het gevestigde repertoire behoort. De opnamen zijn van respectabel niveau, zij het dat er tussen de zangstemmen en het orkest weinig ruimte en diepte gaapt (bij vlagen klinkt het orkest als er wordt gezongen teveel op de achtergrond in plaats dat er van een versmelting sprake is waar deze muziek om vraagt – dit zijn geen liederen met orkestbegeleiding) , het hoog van de opname soms schel overkomt en de tutti niet zelden de neiging hebben iets dicht te slibben, ook al komen de details van de partituren voldoende helder tot hun recht.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links