CD-recensie

 

© Maarten Brandt, maart 2020

Bach: Matthäus-Passion BWV 244

James Gilchrist (Evangelist), Matthew Rose (Christus), Sophie Bevan (sopraan), David Allsopp (countertenor), Mark Le Brocq (tenor), William Gaunt (bas), The Choir of King's College Cambridge en Academy of Ancient Music o.l.v. Sir Stephen Cleobury
King's College Cambridge KGS0037 • 2.44' • (3 sacd's) Opname: april 2019, Chapel of King's College Cambridge (VK)

 

Deze heet van de naald verschenen opname van Bachs Matthäus-Passion is de tweede registratie van dit werk onder supervisie van de welbekende Engelse koordirigent Sir Stephen Cleobury (1948-2019), die 35 jaar de scepter zwaaide over het fameuze King's College Choir in Cambridge. Cleobury stierf op 22 november 2019, dus ongeveer een half jaar na de totstandkoming van deze productie die dan ook kan worden gezien als een waardig in memoriam van deze uitstekende en terecht in de koorwereld alom geroemde musicus. Beweren dat het koor een reputatie bezit die er bepaald niet om liegt staat dan ook gelijk aan het intrappen van een open deur. Daarbij komt nog dat dit illustere gezelschap in 1441 werd opgericht door de 19-jarige koning Hendrik de Zesde teneinde de in de befaamde kapel van deze vorst gehouden kerkdiensten met passende muziek op te luisteren. Dus als er een vocaal gezelschap – en iedereen die het in Engeland over koorzang heeft noemt automatisch het King's College Choir, zoveel is aan geen enkele twijfel onderhevig - een lange geschiedenis kent is het dit wel.

Koorcultuur
Dat blijkt ook uit deze registratie, die een imposant staaltje van koorcultuur laat horen waar menig gezelschap een punt aan kan zuigen. De vocaliteit die ons hier tegemoet klinkt is volkomen tot een tweede natuur van elk lid van dit koor geworden dat volledig uit mannen- en jongensstemmen is samengesteld en dus de hele discussie over de aparte rol van het jongenskoor in uitvoeringen van de meeste andere gezelschappen – dus het toegevoegde arsenaal aan knapenstemmen om de cantus-firmus in het openingskoor en slotkoraal van het eerste deel te zingen – overbodig maakt. Puur koortechnisch was ook die oude uit maart 1994 daterende vastlegging (verschenen op Vanguard) al zonder meer een feest om naar te luisteren, terwijl Cleobury toen bovendien over een solistenbezetting kon beschikken met bekende coryfeeën als de altus Michael Chance en de sopraan Emma Kirkby. Een vertolking die vooral opviel door een zeer lichtvoetig genomen en verklankte visie van ‘Aus Liebe will mein Heiland sterben' en waaraan tevens het nodige onderzoek van de musicoloog Thiemo Wind aan ten grondslag ligt. Wie geïnteresseerd is in zijn bevindingen en de daarmee samenhangende technische details leze zijn in 2001 verschenen en in het tijdschrift Tibia afgedrukte artikel over deze boeiende materie (klik hier voor het pdf-bestand).

Contrast
De kern van de zaak komt neer op de wetenschap dat deze aria niet zozeer een smachtende treurzang is (zoals in verreweg de meeste uitvoeringen, de historisch-geïnformeerde niet uitgezonderd) maar een danklied. En, niet alleen dat, ook een brok muziek waarin de gesublimeerde vreugde in klinkende munt is omgesmeed in termen van het zich verheugen op de versmelting met God (niet voor niets legt Wind ook verbanden met de slotaria van de Cantate ‘Ich habe Genug': ‘Ich freue mich auf meinem Tod' alsmede met een aria van de niet in partituur overgeleverde Cöthener Trauermusik op dezelfde muziek als die van ‘Aus Liebe', maar op een andere tekst: Mit freuden sey die Welt verlassen'). Het contrast met het zowel daarvoor als daarna de revue passerende koor ‘Laß Ihn Kreuzigen' (met in het tweede geval een toon hoger) wordt er op een manier door aangescherpt die huiveringwekkender dan ooit overkomt. En Kirkby zong haar aandeel in die bewuste aria met een nauwelijks hoorbaar vibrato, als ware zij een kind. Met andere woorden, wordt in de overgrote meerderheid van de gevallen dit onderdeel als hoogst dramatisch en handenwringend tragisch opgevat en als zodanig – zoals Wind haarscherp weet aan te tonen - niet zozeer teruggaand op Bach als wel op de negentiende eeuwse uitvoeringstraditie, in werkelijkheid maken we hier al een stukje ‘hemel' (zij het vooralsnog op aarde) mee. Hoe het ook zij, de meest dramatische en kommervolle aria is en blijft het ‘Erbarme dich'. Sophie Bevan zingt' in de nieuwe Cleobury-opname ‘Aus Liebe' trouwens ook prachtig, daar niet van. Maar wel met wat meer vibrato en dusdoende meer tenderend in de richting van wat we gewend zijn.

Versmelting
Wat de overige solisten betreft, James Gilchrist is een van de meest fameuze Engelse evangelisten van tegenwoordig die de vergelijking met Rogers Covey Crumb in die oudere Cleobury-registratie gemakkelijk doorstaat, ook al is hij niet helemaal van het niveau van wijlen Anthony Rolfe Johnson, die deze rol op onvergetelijke wijze voor zijn rekening nam in de eerste Matthäus opname onder Gardiner (DG). De Christus-partij is bij Matthew Rose in goede handen, maar bij tijd en wijle ook wat arm aan kleur en reliëf. Over de andere solisten niets dan positiefs, met onder meer een fraai en doorleefd ‘Erbarme dich' van de countertenor David Allsopp. De algehele opvatting die Cleobury in 2019 etaleerde verschilt niet noemenswaardig van die uit 1994; qua tijdsduur wijken beide uitvoeringen eveneens nauwelijks van elkaar af. Ook heeft de dirigent zich hoorbaar goed in de relatie van tekst en muziek verdiept, getuige bijvoorbeeld het net even iets ingehouden tempo in het enerverende recitatief ‘Erbarm es Gott' bij de woorden “Ihr Henker, haltet ein” (om precies te zin bij “haltet ein”). Tenslotte nogmaals die koorklank. Deze is nog homogener en bovendien nadrukkelijker op versmelting ingesteld dan destijds. Met één klein nadeel en dat is dat de cantus firmus van het openingskoor wel met iets meer présence voor het voetlicht had kunnen worden gebracht. Maar verder niets dan lof. Ook voor de uitstekende continuo-partijen en niet te vergeten het fraai gerealiseerde viola de gamba-aandeel van Reiko Ichise in onder meer de Geduld-aria . Het opnameteam staat ook zijn mannetje, want het heeft alle recht gedaan aan de lichte, maar nooit onaangenaam werkende galm die de akoestiek van de Kapel in Cambridge in zo hoge mate typeert en dusdoende heel natuurgetrouw tot ons doet komen.

Resumerend, misschien geen Matthäus-Passion die tot de meest pionierende ooit moet worden gerekend – daarvoor moet men bij Harnoncourt I (Teldec, ook al valt er nu met terugwerkende kracht heel wat af te dingen op de stemkwaliteiten van de jongenssopraan solisten), Herreweghe I (Harmonia Mundi) en (om twee recentere voorbeelden te noemen) René Jacobs (Harmonia Mundi) alsmede Jos van Veldhoven (Channel Classsics) zijn – maar die wel aan hoge tot soms zeer hoge kwaliteitsmaatstaven beantwoordt. Een uitgave kortom, die bij velen zeer in de smaak zal vallen, niet in de laatste plaats bij ondergetekende en dit ondanks de moordende concurrentie. Al was het alleen maar om die hooggecultiveerde koorzang van het King's College Choir en het soevereine leiderschap van Sir Stephen Cleobury. May he rest in peace!

Stephen Cleobury (1948-2019)


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links