CD-recensie

 

© Maarten Brandt, april 2018

 

Bach: Mis in b, BWV 232 (Hohe Messe)

Katherine Watson (sopraan), Tim Mead (countertenor), Reinoud van Mechelen (tenor), André Mosch (bas), Les Arts Florissants o.l.v. William Christie Harmonia Mundi HAF 8905293.94 • 105' • (2 cd's)
Live-opname: september 2016, Philharmonie, Parijs

   

Wanneer veteranen op het gebied van de barokmuziek na de nodige tijd uiteenlopend en deels minder tot zeer onbekend repertoire uit deze tijdfase te hebben gedirigeerd en opgenomen hun licht gaan laten schijnen over werken uit het gietijzeren repertoire als bijvoorbeeld Bachs Matthäus-Passion of Hohe Messe is dat een fenomeen dat de liefhebber in de regel doet watertanden van nieuwsgierigheid. En dan hoef ik slechts te verwijzen naar Gustav Leonhardt (BMG) en René Jacobs (Harmonia Mundi) die laat in hun loopbaan bij voorbeeld hun benadering hebben geëtaleerd op eerstgenoemd werk van de grote meester, en hoe! Want het betreft een elk in hun soort unieke en met niets en niemand te vergelijken soevereine visie. Het zal daarom niemand verwonderen dat ik ook in onderhavig geval met hooggespannen verwachtingen naar bovenstaande uitgave van Bachs onvolprezen Hoogmis heb uitgekeken. Christie en zijn fameuze ensemble Les Arts Florissants hebben een grote naam te verliezen en staan immers al sedert jaar en dag garant voor schitterende en deels toonaangevende vertolkingen van bijvoorbeeld werk van Campra, Rameau, Händel, Purcell, Charpentier, Moulinié, Monteverdi en wie al niet.

Tweedimensionale indruk
Niettemin moet ik bekennen dat deze herschepping van de Hohe Messe me zelden echt op de punt van de stoel heeft doen belanden. In een persoonlijke noot geeft Christie te kennen voor zowel een koor als een orkest van bescheiden omvang te opteren, met dien verstande dat de vier solisten geen deel van het koor uitmaken in tegenstelling tot bijvoorbeeld de nog steeds onverminderd grandioze registratie onder de nu bij de Nederlandse Bachvereniging scheidende Jos van Veldhoven die voor een puur solistische aanpak met versterking van enkele ripienisten tekent. Wat men ook – historisch/musicologisch gezien – op een dergelijke aanpak kan afdingen, qua adem en volheid in de klank (een volheid die een weldadige scherpte geen moment in de weg heeft gestaan) staat die uitvoering van begin tot eind als een huis. Alles is daarbij gedompeld in een absoluut gaaf doortekende en glansrijke sonoriteit die deze uitgave tot een pareltje maakt uit de stal van Channel Classics. De vergelijking is niet helemaal eerlijk, omdat het hier een studio-registratie betreft en in het geval van Christie de vereeuwiging van een live gebeuren. Met dien verstande dat het beluisteren via een goede installatie van een tweede uitvoering onder van Veldhoven (via de site All of Bach) – en dat betrof ook een concert – niet alleen qua interpretatie maar tevens in termen van geluid een onuitwisbare indruk achterliet.
Een van de problemen met deze nieuwe uitgave is dan ook de opname, waar vermoedelijk de zaal – de Philharmonie in Parijs – mede debet aan zal zijn. Tijdens de grote koorpassages dreigt het klankbeeld soms naar het fletse te neigen en loopt de zaak een enkele maal zelfs dicht. Over vrijwel de gehele linie is, zeker geredeneerd naar de huidige maatstaven (en ook bij live-opnames zijn we tegenwoordig heel wat gewend), van een nogal tweedimensionale indruk sprake. En dat Christie het intiem wil houden is zijn goed recht, maar wat ontbreekt is puntigheid en sprankeling.

Slappe naaimachinestijl
Dat laatste houdt ook verband met Christie's aanpak. Dat hij in de meeste gevallen niet dirigeert, maar zijn troepen van achter het door hemzelf bespeelde klavecimbel aanvoert hoeft helemaal geen punt te zijn, getuige de fenomenale resultaten die bijvoorbeeld een Johannes Leertouwer in zijn functie als artistiek leider en primarius van de Utrechtste Philharmonie tijdens zijn passie-uitvoeringen bereikt. Maar neem het Christe Eleision, dat wel mooi wordt gezongen, maar verder leidt onder een soort gezapige en van voldoende energie gespeende wat slappe naaimachine-stijl. Want Christie mag dan naar eigen zeggen een voorstander zijn van vlotte tempi; vlot of niet, als de articulatie niet spits genoeg is komt die vlotheid niet over en de onderliggende spanningsboog al evenmin. Het Gloria in Excelsis overtuigt wel, zeker gedurende het begin. Dit speciaal dankzij de veerkracht waarmee de noten in klinkende munt zijn omgesmeed. Ook de dansante inslag van het Domine Deus is een omstandigheid die dit onderdeel tot een memorabel geheel maakt, evenals het Cum Sancto Spiritu, waarvan bovenal de fugatische episodes er beslist mogen zijn. Maar in het Laudamus te is er weer diezelfde combinatie van op zich genomen fraaie vocale prestaties en een vlakke instrumentale begeleiding. Het Confiteor verloopt in een heel gemiddeld tempo, noch extreem naar de ene noch naar de andere kant wat op zich zonder meer goed is te verdedigen. Een bezwaar is wel dat de inzetten van de gregoriaanse cantus firmus weinig tot niet markant zijn, wat mede op het conto van de opname dient te worden bijgeschreven.

Balans
Het Crucifixus is daarentegen zeer geslaagd. Daarbij valt voor de scanderende ritmische effecten zeker het nodige te zeggen, omdat hierin als het ware de geseling van Christus naresoneert. Heel opvallend is de benadrukking door Christie van de kleine secunde in het slot op het woord ‘est', waardoor de laagste toonhoogte die in het werk moet worden bereikt, extra wordt geaccentueerd. Een effect dat ik in geen enkele uitvoering zo heb gehoord en waarmee Christie iets nieuws biedt. Een van de meest andere overtuigende onderdelen – ook door de fraaie zangtrant van Reinoud van Mechelen – is het Benedictus, ook al omdat ditmaal het geheel in optimale balans verkeert met het instrumentale aandeel (met een prachtige fluitsolo van Serge Saitta en waarbij het continuo zich hier gelukkig beperkt tot het orgel). Ook in het Agnus Dei wordt men getroffen door enkele zeer doorleefde momenten, waarna het Dona Nobis Pacem wel erg nuchter en gewoontjes uitpakt. Juist daar had ik van een flamboyante barokdirigent als Christie aanzienlijk meer verwacht. Kortom, een Hohe Messe met enkele plussen, maar toch ook wel wat minnen en die wat de weergave-techniek betreft geenszins de vergelijking kan doorstaan met wat we anno 2018 gewend zijn. Wat zeg ik? Ook niet met aanzienlijk oudere vastleggingen onder bijvoorbeeld de bezadigde en vergeestelijkte Leonhardt (BMG), Herreweghe (vooral diens tweede opname voor Harmonia Mundi) en – om een recenter voorbeeld te noemen: de bijkans iedereen in de schaduw stellende Jonathan Cohen (Hyperion).


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links