CD-recensie

Een Hohe Messe die alle tijden trotseert

 

© Maarten Brandt, maart 2016

 

Bach: Mis in b, BWV 232 (Hohe Messe)

Lydia Teuscher en Ida Falk Winland (sopraan), Tim Mead (countertenor), Samuel Boden (tenor), Neal Davies (bas), koor en ensemble Arcangelo o.l.v. Jonathan Cohen

Hyperion CDA68051/2 • 1.55' • (2 cd's)

Opname: oktober 2013, St Mary's Church, Tetbury, Glouchestershire (VK)

 

Het is verrassend te zien hoe in de loop der decennia de historiserende uitvoeringspraktijk zich heeft ontwikkeld en, niet alleen dat, ook van de zijde van de traditionele aanpak er duidelijk - al dan niet bewust - toenaderingen in de richting van die historiserende beweging zijn waar te nemen. Zo is het allang niet meer zo dat de haviken uit eerstgenoemd kamp compromisloos staan tegenover die van de meer op negentiende eeuwse leest geschoeide traditie. Waar nog bijkomt dat zoiets als 'een authentieke uitvoeringspraktijk' nooit heeft bestaan. Immers de enige 'authentieke uitvoering' die er ooit is geweest is die welke heeft geklonken in het innerlijk van de componist alvorens deze zijn noten aan het papier toevertrouwde. Waar overigens nog bijkomt dat de muziek in de periode van haar ontstaan menigmaal haar tijd mijlenver vooruit was en als gevolg waarvan zowel het technische als het muzikale gehalte van de uitvoeringen dikwijls ver ten achter bleven bij wat de maker zich er idealiter van zal hebben voorgesteld. Wat heeft bijvoorbeeld Bach niet geklaagd over het middelmatige en soms slechts ronduit slechte niveau van de musici in Leipzig waarmee hij gedoemd was week in week uit samen te werken.

"Das war einmal"
Zoveel is dus wel zeker: de enorm hoge kwaliteit van de uitvoeringen door menig barokgezelschap van tegenwoordig, daar zou Bach alleen maar van kunnen hebben dromen. En, over eerder genoemde ontwikkeling gesproken, wie uitvoeringen van de Johannes Passion en de Hohe Messe van het eerste uur uit de jaren zestig van de vorige eeuw onder bijvoorbeeld de nestor van de historiserende traditie, Nikolaus Harnoncourt (Teldec), met die van vandaag de dag vergelijkt, zal toch moeten toegeven dat die vertolkingen alleen al uit 'stimmlich' oogpunt enorm achterhaald zijn - wie wil anno 2016 nog de aria's met die bedenkelijk valse jongenssopranen horen? Nee, "Das war einmal". Net zoals dat ook opgaat voor de opmerking van wijlen Frans Brüggen dat elke door het Concertgebouworkest gespeelde noot van Mozart 'gelogen' zou zijn. Wie alleen al luistert naar de opnames van de rijpe en late Mozart-symfonieën door voornoemd gezelschap onder leiding van Josef Krips (Philips) weet wel beter: misschien nog niet conform het non-vibratospel van de historiserende 'hardliners' maar wel uiterst transparant, slank, kenachtig en doorzichtig. En ook kruipt het bloed in omgekeerde richting zoals het niet gaan kan, getuige de door het London Symphony Orchestra opgenomen Beethovencyclus onder Bernard Haitink (LSOlive) die hoorbaar duidelijk heeft geprofiteerd van de inzichten van onder meer Brüggen, Gardiner en Harnoncourt. Niet alleen qua klank, tevens inzake de articulatie van de hoofd- en bijzinnen, alsmede een voorkeur voor flitsende en veerkrachtige tempi.

Helderheid
Wat heeft dit alles met bovenstaande, in 2013 vastgelegde en in het daaropvolgende jaar verschenen opname van Bachs Hohe Messe onder leiding van Jonathan Cohen te maken? Meer dan men bij oppervlakkige beschouwing zou denken. Want wat wil het geval? Cohen werkt dan wel met een puik en tot op de kleinste vierkante millimeter historisch geïnformeerd barokgezelschap (en wat voor gezelschap!), die informatie is niet alleen volstrekt tot een tweede natuur geworden, maar bovendien - en dat is nog veel belangrijker - geheel ondergeschikt verklaard aan een monumentale visie die bijna zonder precedent is en van een niveau die maakt dat Cohen zich met het optimaalst denkbare gemak kan meten met de grootste coryfeeën op dit gebied. Dan heb ik het over Leonhardt (BMG), Suzuki (Bis), Herreweghe (driemaal: Virgin, Harmonia Mundi en zijn eigen label PHI) en Hengelbrock (DHM). En dat niet alleen, vele anderen hebben nu opeens geducht het nakijken. Zo verbleken de beide Gardiner-registraties (DG/Archiv en Soli Deo Gloria) - met als dieptepunt diens net verschenen tweede drammerige en geforceerde uitvoering, waarin over alle 'stile antico'-secties (waarbij dus de doorhoorbaarheid van de horizontaliteit in de stemvoering "des Pudels Kern" is) uit deze hoogmis wordt heengespeeld! - ten enen male tegen deze van A tot Z magistrale vertolking. Een vertolking, die tot stand is gekomen indachtig het adagium van het geheel dat meer is dan de optelsom van de delen. Wie zonder voorkennis gaat luisteren komt niet zo snel op de gedachte dat Cohen met een kleinschalige, maar gelukkig niet puur solistische, bezetting opereert. Zo telt het koor niet meer dan 20 leden. Hoe het ook zij, de opnameruimte van de St Mary Church voorziet het totaal van een weldadig aura, zonder dat ook maar bij benadering sprake is van een zwembad-akoestiek, integendeel. Helderheid is alom troef, en dit tot in de kleinste details. Zozeer zelfs dat men bijna meent met een surround-registratie van doen te hebben, terwijl het hier om een 'gewone' (maar wat heet 'gewoon'?) stereo-opname gaat. Niet meer en niet minder.

Adem
Cohen weet voorts als geen ander een naadloze brug te slaan tussen een honderd procent barok geluid en een opvatting die in de meest overtuigende zin des woords de romantische lezingen van Bachs vocaal-instrumentale wereldwonder onder legendarische grootheden als Jochum (EMI), Klemperer (EMI) en Richter (DG) in herinnering brengt. Let wel, dit laatste niet in termen van sonoriteit als wel in die van adem. Van het deze mis afsluitende Dona Nobis Pacem ken ik geen bredere uitvoering, zelfs niet onder Richter, want Cohen overtreft de vier minuten. Een verhaal apart is het Confiteor - voor mij persoonlijk altijd een graadmeter bij het beoordelen van welke Hohe Messe-uitvoering ook - en wat Cohen daarbij klaarspeelt grenst werkelijk aan het ongelooflijke. Het vijfstemmige stuk komt voor rekening van vijf solisten uit het koor, terwijl de Gregoriaanse melodie in lange notenwaarden door respectievelijk de tutti-baritons en dito tenoren voor het voetlicht wordt gebracht. Ik ken geen realisatie van dit onderdeel, de meesterlijke vertolking van Leonhardt zelfs niet uitgezonderd en dat wil wat zeggen, waarin niet alleen de gelaagd- maar ook de ruimtelijkheid zo perfect uit de luidsprekers komt. In een woord: sensationeel! Iets waaruit mede de superieure kwaliteit van de opname blijkt, die zelfs gedurende het luidste fortissimo (Et Ressurexit, Sanctus, Osanna en het overweldigende bijkans Furtwängleriaanse slot van het Dona Nobis Pacem) ruim in haar jasje blijft zitten. En dan het Qui tollis, dat ik al evenmin sinds Leonhardt overtuigender heb gehoord dan hier: wat een aangrijpende harmonische overgangen en dit alles vol smachtende en toch nooit sentimenteel overkomende en welhaast romantische 'Seufzer avant la lettre'. Over de bijdrage van de vocale solisten eveneens niets dan de grootste lof, met een door Tim Mead zeldzaam sober en toch (of juist als gevolg hiervan) indringend gezongen Agnus Dei. Ook het Benedictus van Samuel Boden is er een - ook dankzij een onmiskenbaar duidelijk melancholieke ondertoon - om niet licht te vergeten. Met daarna tijdens de herneming van het Osanna een sotto voce waardoor het extatische vervolg nog overdonderender dan de eerste keer uitpakt. Dat is nog eens timing. De vrouwelijke protagonisten en de bariton (Quoniam!) overtuigen niet minder. Alles bij een genomen een Hohe Messe waarin het beste van alle werelden op uitmuntend niveau met elkaar is verenigd, een Hohe Messe die zonder reserve alle tijden trotseert en volledig dienstbaar is aan Bachs universele genie.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links