CD-recensie

 

© Kees de Leeuw, mei 2013

 

Hofmann: Eine Schauspiel-Ouvertüre op. 28 – Symfonie “Frithjof” op. 22 – Ungarische Suite op. 16

Philharmonische Orchester Altenburg–Gera o.l.v. Eric Solén

Sterling CDS 1097-2 • 70' •

Opname: november en december 2009,
Konzertsaal der Bühnen der Stadt Gera (D)

 

 

 

Heinrich Hofmann (1842-1902) groeide op in Berlijn. Zijn jeugd was enerzijds getekend door ziekte en armoe, maar anderzijds door de ontdekking van zijn talent voor en interesse in muziek. Dankzij zijn werk als jongenssopraan in het Berliner Domchor, waar hij al op zijn elfde solopartijen mocht zingen, ontdekte hij de muziek. Na zijn stembreuk dreigde opnieuw armoede, maar gelukkig ontfermde de muziekpedagoog Theodor Kullak zich over de jongen. Hofmann kreeg een gedegen opleiding en kon in 1863 aan de slag als concertpianist en muziekleraar. Hiernaast was hij actief als componist en dankzij het relatieve succes van enkele van zijn opera’s kon hij zich later geheel aan het componeren wijden. In de laatste decennia van zijn leven werd hij lid van de Koninklijke Academie van Kunsten in Berlijn en werd hem de professorstitel verleend. In 1902 overleed hij in Gross-Tabarz in Thüringen.

Hofmann componeerde vooral vocale werken, zoals het Champagnerlied voor mannenkoor en de opera Wilhelm von Oranien. Hiernaast componeerde hij veel pianomuziek voor salongebruik. Slechts een klein deel van zijn 129 gepubliceerde werken bestaat uit kamer- en orkestmuziek. Zijn tijdgenoten constateerden al dat Hofmann goed in het gehoor liggende muziek voor een groot publiek componeerde. Hij was noch op genialiteit noch op originaliteit te betrappen. Hofmann liet zich vooral inspireren door Mendelssohn, Schumann en Wagner, hetgeen goed te horen is in de drie orkestwerken op deze cd.

.Of en zo ja voor welk theaterstuk Eine Schauspiel-Ouvertüre gecomponeerd werd is niet bekend. Heinrich Hofmann droeg het op aan Benjamin Bilse, bekend van zijn eigen orkest, de Bilsesche Kapelle, in zekere zin de voorloper van het B erliner Philharmonisches Orchester dat nu bekend is als de Berliner Philharmoniker. Eine Schauspiel-Ouvertüre uit 1875 is een lichtvoetig stuk dat sterk schatplichtig is aan Mendelssohn en in wat mindere mate aan Wagner. Beide heren hadden er ongetwijfeld meer van gemaakt dan Hofmann deed, maar het transparante werk is heel aardig om te beluisteren, ook al beklijft het niet direct.

De enige symfonie die Hofmann componeerde is een geïnspireerd werk, gebaseerd op het verhaal van Frithjof. Deze held wil de dochter van koning Beles van het Sognefjord in Noorwegen trouwen. De koning is bevriend met Torstein Vikingson, de vader van Frithjof, en wil zijn dochter Ingeborg wel uithuwen. Na het overlijden van de koning en zijn vriend op het slagveld verandert de situatie en weigeren de broers van Ingeborg haar uit te huwen aan Frithjof. Ingeborg trouwt gedwongen met de oude koning Ring van Ringerike. Frithjof wordt naar elders gestuurd, maar keert later terug en neemt wraak op de broers en treedt na de dood van koning Ring alsnog in het huwelijk met Ingeborg.

De programmasymfonie uit 1874 bestaat uit vierdelen. Er zijn twee basiselementen, de uitbeelding van de krachtige heroïeke Frithjof en het verdriet van Ingeborg. Het tweede deel heet het klaaglied van Ingeborg en het vierde deel heet de terugkeer van Frithjof. De andere twee delen hebben geen bijnamen. Ondanks het eerste deel, Allegro con fuoco, en het laatste deel waarin de held terugkeert en het huwelijk tussen hem en Ingeborg tot stand komt is de symfonie meer ingetogen dan uitbundig. Zelfs in het laatste deel klinkt het verdriet van Ingeborg nog, waar uiteraard het tweede deel maar ook het derde deel, intermezzo, al overwegend kalm en sereen klinken.
De symfonie werd opgedragen aan de Philharmonic Society of London. Het is niet bekend of het werk daar geklonken heeft. Wel is duidelijk dat de Britse dirigent Sir Dan Godfrey de symfonie meer dan tien keer programmeerde bij zijn orkest, het Bournemouth Symphony Orchestra.

Ook in de Ungarische Suite overheersen de rustige passages de wilde uitbarstingen. De compositie is mede geïnspireerd op Hongaarse volksliederen. Het eerste deel beschrijft een kroningszaal, waar pas tegen het einde de fanfares echt losbarsten. Duidelijk wordt dat Hofmann de bruiloftsmars uit Lohengrin goed bestudeerd had. De romance in het tweede deel is gecomponeerd voor een kleine orkestbezetting met belangrijke rollen voor cello en klarinet. Het derde en laatste deel beschrijft de poesta en is het meest vrolijke deel en doet denken aan de dansen zoals die we van Brahms en Dvorák kennen. De compositie mocht zich destijds verhogen in grote populariteit waaraan dit deel waarschijnlijk in niet geringe mate aan heeft bijgedragen.

Het is heel aardige muziek waarbij het wel jammer is dat het orkest met name in de vioolsectie wel wat ondermaats presteert. De kans dat een beter orkest zich met deze muziek zal bezig houden is echter zeer gering en daarom moeten we de mensen van het label Sterling dankbaar zijn dat ze opnieuw onbekende composities aan de vergetelheid hebben ontrukt.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links