CD-recensie

 

© Kees de Leeuw, september 2020

Fasch: La Hagenmeister – L'Antoine – La Jeanette – Sonate in bes-klein – La Cecchina – Sonate in C – La Socrates – Sonate in F – Ariette avec quatorze variations

Philippe Grisvard (fortepiano)
Audax ADX 13725 • 65' •
Opname: november 2019, Martinskirche, Müllheim (D)

   

Carl Friedrich Christian Fasch (1736-1800) trad in zijn leven al weinig op de voorgrond en is heden ten dage nog veel minder bekend. Zijn vader was Johann Friedrich Fasch (1688-1758), 'Kapellmeister' aan het hof van Zerbst. Hij is niet onbekend bij barokliefhebbers en overschaduwt zijn zoon. Carl Friedrich kreeg uiteraard les van zijn vader en later bij onder meer Johann Christian Hertel en leerde viool en toetseninstrumenten te bespelen. Fasch begon in zijn tienerjaren al te componeren. Zelfkritisch als hij was vernietigde hij geregeld een groot deel van zijn oeuvre. Hij ontwikkelde zich tot een zeer goed begeleider en in 1751 mocht hij Frantisek (Franz) Benda, de eerste violist van het hof van Frederik de Grote in Potsdam, begeleiden tijdens een concert in Strelitz.

Blijkbaar was Benda zo onder de indruk van Fasch dat hij hem aanbeval bij zijn fluitspelende vorst die toevallig op zoek was naar een geschikte klavecinist naast Carl Philipp Emanuel Bach. Dat werd dus Fasch. In die gelijkwaardige positie wisselden Fasch en Bach elkaar af. Het is daarbij tekenend dat zijn positie als tweede klavecinist in publicaties meer dan eens ten onrechte wordt geïnterpreteerd als een positie onder Bach.

Hij begon aan het hof in weinig ideale omstandigheden want al snel, in 1756, brak de Zevenjarige Oorlog uit en verloor Frederik de Grote geleidelijk aan zijn interesse voor het fluitspel. Hoewel Fasch, in afwisseling met Bach, zijn meester trouw begeleidde had de vorst weinig oog voor zijn tweede klavecinist, wat mede veroorzaakt werd door lange periodes van afwezigheid van Frederik de Grote tijdens de oorlog. Fasch moest daarom noodgedwongen met lesgeven zijn inkomen aanvullen. De glanstijd van Frederik de Grote als fluitist was echter voorbij en het moet voor Fasch, die als uitvoerend musicus door collega's erg geprezen werd, buitengewoon frustrerend zijn geweest om met zijn minder gemotiveerde broodheer te moeten musiceren. Bovendien toonde de koning ook in materiële zin niet veel waardering voor zijn begeleidende klavecinist. Echter, toen Fasch het hof wilde verlaten was het wel Frederik die hem ervan wist te weerhouden. Maar in 1776 was het voor de vorst gedaan met de actieve muziekbeoefening. De mentaal en fysiek bepaald niet gezonde Fasch had gedurende de laatste jaren van Frederiks regiem de hofopera geleid, maar zich daarin nauwelijks geprofileerd, zoals hij evenmin belangstelling had getoond voor het wel of niet publiceren van zijn composities. Dit in tegenstelling tot veel van zijn collega-klavecinisten die juist met hun oeuvre hun capaciteiten wilden tonen wanneer zij op zoek waren naar een betere betrekking. In de loop der tijd verslechterde zijn gezondheidstoestand nog verder en leek hij alleen nog maar lijdzaam op zijn dood te wachten. Het was karakteristiek voor Fasch die toen hij voelde dat zijn einde nabij was hij nog meer composities en alle brieven vernietigde.

Verrassend genoeg kreeg Fasch weer meer zin in het leven toen Friedrich Wilhelm II in 1786 als opvolger van Frederik de Grote aantrad. Voor Fasch was alsnog een zonnige(r) toekomst weggelegd: hij mocht niet alleen blijven maar behield ook zijn salaris. Ook de nieuwe kapelmeester, Johann Friedrich Reichardt (1752-1814), bleek voor Fasch een bron van inspiratie en wel zodanig dat toen deze hem een zestienstemmige miscompositie van de Italiaans Orazio Benevoli toonde, Fasch zelf aan een dergelijke Mis begon. Het lukte Fasch vooralsnog echter niet om er capabele zangers voor te vinden. Blijkbaar voor hem een reden te meer om in 1789 na de nodige voorbereidingen de Berliner Singakademie op te richten. Dit beroemde instituut wordt vaak in een adem genoemd met Carl Friedrich Zelter, vriend en de opvolger van Fasch bij de Singakademie. Ook hier doet de geschiedschrijving dus niet altijd recht aan Fasch als de initiator.

Het siert Philippe Grisvard dat hij een hele cd wijdt aan de weinige composities die wel van Fasch bewaard zijn gebleven. Gezien het geringe nagelaten oeuvre en de daarmee tevens verband houdend de onbekendheid van Fasch is er weinig muziek van hem op geluidsdragers te vinden.

Toch zijn er ook een aantal oudere, composities voor klavecimbel bewaard gebleven. Deze werden in verschillende bloemlezingen uitgegeven, waarbij de van een naam voorziende vijf composities ware karakterstukken zijn, waarschijnlijk gecomponeerd tussen 1760 en 1770. De karakters die de componist daarin uitbeeldt behoorden tot zijn eigen omgeving. Met Socrates wordt de filosoof Moses Mendelssohn, die de bijnaam de Duitse Socrates kreeg, bedoeld. Aan het hof met meer musici uit de Bohemen had Fasch wellicht een romance met een kleine Tsjechische, wat hij omschreef met het Italiaanse Cecchina. Volgens Zelter had Fasch heel snel Italiaans geleerd dankzij een affaire met een Italiaanse dame…Het zijn knap gecomponeerde stukjes met veel zeggingskracht van soms minder dan een twee minuten, waarbij L'Antoine met een lengte van meer dan vijf minuten de uitzondering vormt. In de driedelige sonate in F uit 1770 meent Philippe Grisvard een zelfportret te zien. De contrasten tussen de vrolijke opgewekte hoekdelen die het sombere Andante omsluiten zijn zo groot dat Grisvard denkt aan de vrolijke buitenkant van Fasch terwijl hij innerlijk gekweld werd door depressies en ziekten. Een andere tegenstelling, volgens Grisvard, is dat de hoekdelen voor klavecimbel geschreven lijken te zijn en het middendeel voor clavichord of fortepiano. De twee andere sonates uit begin jaren '80 zijn ook erg tegengesteld qua karakter, zonneschijn in de sonate in C en de donkere, melancholische en zeer sombere stemming van de sonate in bes-klein. Eigenlijk kan men van alle wat langere composities zeggen dat ze contrastrijk zijn. Fasch combineerde moeiteloos welhaast ouderwetse barokpatronen met de nieuwste vondsten uit de salons in Wenen, voorts aangelengd met zijn eigen inzichten. De cd eindigt met fraaie variaties op een thema van Agricola.

Grisvard heeft gekozen voor een fortepiano en niet voor een klavecimbel. Het lijkt me passend bij Fasch die op zoek was naar vernieuwing, maar hierbij het verleden zeker niet verloochende. De fortepiano wordt toegeschreven aan Johann André Stein uit Augsburg en wordt gedateerd in 1790. Het is een juweel van een instrument, wat de zeer goede reputatie van de instrumentbouwer alleen maar bevestigt. Een heldere mooie opname geeft een prachtig beeld en Grisvard blijkt uitstekend met het instrument overweg te kunnen. Het zeer verzorgde cd boekje met zelfs de toelichting in Japanse vertaling maken het geheel compleet. Ik denk dat zelfs Fasch hier toch wel trots op zou zijn geweest!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links