CD-recensie

 

© Jan de Kruijff, oktober 2006

 

 
 
 

Bruckner: Symfonie nr. 8 in c.

Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly.

Decca 466.653-2 • 79' •

 

 

 

 

Bruckner: Symfonie nr. 8 in c.

Berliner Philharmoniker o.l.v. Nikolaus Harnoncourt.

Teldec 8573-81037-2 • 80' •

 

 

 

Bruckner: Symfonie nr. 8 in c.

Wiener Philharmoniker o.l.v. Pierre Boulez.

DG 459.678-2 • 77' •

 

 

 

 

 


Het was al tijden dringen geblazen bij de waardevolste Bruckner VIII-en met heel hoogwaardige verklankingen van met name Karajan (DG 427.611-2), Giulini (DG 445.529-2), Boulez (DG 459.678-2) en Wand (RCA 74321-82866-2).

Chailly koos net als bijvoorbeeld Giulini hier voor de versie van Nowak en gaf een vervoerde, geladen uitvoering van het werk met zoals altijd in zijn opnamen vrij gedragen tempi, maar zonder de sterke greep op het totaal te verwaarlozen. Geen enkel belangrijk detail ontsnapte aan zijn aandacht en dat is ook bij Chailly in een opvallend heldere interpretatie het geval. Chailly neigt verder net als Giulini wat tot het theatrale.
Het resultaat klinkt heel goed geïntegreerd met blijken van verfijning, zonder de ruigheid tekort te doen. Alleen de finale had wat pakkender, wat triomfantelijker gekund. Karajan nam deze symfonie een paar keer op, waarbij hij in Berlijn in 1957 (EMI 569.092-2) en in 1976 (DG 429.079-2) gebruik maakte van de versie van Haas uit 1887 en in Wenen van de ‘vollere’ versie uit 1890. Dit is meteen ook zijn laatste versie (uit 1988) en geweldig is hij: zo krachtig en subliem met echo’s uit een andere wereld heeft het werk zelden geklonken. Het is alles nog diepzinniger, humaner en liefdevoller dan voorheen. Opvallend is de bijzondere communicatie tussen de dirigent en het Weense orkest waar hij ondanks vroegere conflicten regelmatig gast was. Het gaat om het werk dat hij boven alles schatte en zijn charisma straalt hier af op zijn werk.

Harnoncourt, ditmaal omgekeerd vanuit Wenen in Berlijn tijdens een concert daar in april 2000, koos voor de versie Nowak 1890. Van de Bruckner-symfonieën die hij tot op heden opnam, is dit de minst geslaagde. Het eerste deel komt er bij hem nog het beste af, maar in zijn grondige ontleding van het werk richtte de dirigent te veel op het detail en verloor hij het zich op het grote geheel. Er zijn prachtige momenten, maar het wil maar geen eenheid worden in een soort hink, stap sprong verklanking. Aan het orkestspel ligt het zeker niet, ook niet aan de opname. Maar dit is een te verbrokkeld geheel om te kunnen aanraden.

De sterke kanten van Boulez’ directie, welbewust op basis van de versie Haas 1890 – groot structuurbesef, steven naar helderheid, niet toegeven aan (valse) sentimenten, scherpe articulatie – zijn ook hier weer heel evident, getuige deze in Bruckners kerk in St. Florian gemaakte opname. Gedegen en mooi als het eerste deel en het vaak ongeveer hetzelfde lukkende scherzo zijn, speelt hij zijn hoogste troeven uit in het prachtig welvende langzame deel en de wat zwak geachte finale, die hier juist heek sterk is. De technici hebben in de ruime kerkgalm wonderen verricht om de klank zo transparant te houden.

Als het ten slotte op het maken van een definitieve keuze aankomt, blijft de gemotiveerde stoïcijn Karajan een duidelijke voorkeur houden, met de lyrische epicus Giulini en de felle heldere Chailly op een verdiende, gedeelde tweede plaats, gevolgd door de gewichtige Wand en de intense, verhelderende Boulez.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links