CD-recensie

 

© Harry-Imre Dijkstra, juni 2021

Richard Dubugnon - Klavieriana Chamber Symphonies

Dubugnon: Kamersymfonie nr. 1 op 63 Klavieriana op. 70 Kamersymfonie nr. 2 op. 77

Noriko Ogawa (piano), Musikkollegium Winterthur o.l.v. Thomas Zehetmair

BIS-2229 • 64' • (sacd)
Opname sept. 2019 Stadthaus Winterthur

 

Het is moeilijk kiezen wat meer te bewonderen valt: de energieke en overrompelende virtuositeit van de componist of die van het orkest. Onbesuisd is het zeker niet zoals de ideeën en samenklanken over de notenbalken flitsen in Dubugnons partituren, maar hij drijft het orkest behoorlijk tot het uiterste en heeft er kennelijk op vertrouwd dat het uitvoerende apparaat uit louter topsolisten bestaat en het aankan. Gezien zijn reputatie als symfonicus met gebruik van enorme bezettingen is het misschien wel zijn opzet geweest om de klankmogelijkheden van een kamerorkest tot nieuwe grenzen op te rekken en ergens schuurt dat ook, maar op een positieve manier! Het geeft een spanningsveld waarop veel uitglijders gemaakt kunnen worden, maar het biedt de leden van het kamerorkest ook de kans om het beste van zichzelf te geven. Als we dan nog bedenken dat er aan het hoofd van het onderhavige gezelschap waarschijnlijk niemand is die beter dan dirigent (en violist) Thomas Zehetmair weet hoe je het een solerende orkestmusicus naar de zin moet maken en de ideale voorbereiding kent om zelfs de moeilijkste solo-passage vol overtuiging en onverschrokken te laten spelen, dan is het niet overdreven om hier van een overrompelende prestatie te spreken.

Dubugnon (1968), momenteel de meest gespeelde hedendaagse Zwitserse componist, heeft al een behoorlijk lange relatie met dit orkest en droeg zijn Kamersymfonie nr. 2 uit 2017 dan ook aan het ensemble op. Van de drie werken op het album is dit het meest abstracte en complexe stuk en misschien ook wel het sterkste, omdat Dubugnon zich bedient van twee stevige constructievormen: de Chaconne en de Fuga. In het hoofdkantoor van het Musikkollegium Winterthur bevindt zich een historisch glas-in-lood raam met daarop de wapenschilden van zestien families die vertegenwoordigd waren in hetzelfde Musikkollegium in de 17de eeuw. Centraal in het raam is een afbeelding van de harpspelende koning David te vinden als front van het cd-album met daarbij een strofe uit Psalm 150. Johann Sebastian Bach gebruikte die psalm deels voor zijn motet Singet dem Herrn ein neues Lied BWV 225. Dubugnon creëerde voor elk wapenschild én koning David zeventien akkoorden die het fundament voor de Chaconne-variaties vormen. Daaroverheen soleren afwisselend blazers, van piccolo tot trombone. Tussen de variaties door sijpelt steeds nadrukkelijker een flard van Bachs motet door.

Noriko Ogawa, Richard Dubugnon en Thomas Zehetmair met het Musikkollegium Winterthur (foto Der Landbote)

Na de razendsnelle maar toch overzichtelijke fuga, gebaseerd op een melodie die is afgeleid van de Chaconne-akkoorden, keert de Chaconne zelf nogmaals kort terug. Hier begeeft de piccolospeler zich in de poel des doods: wat een afschuwelijk moeilijke - en prachtige - solo! De tot nu toe meest beruchte piccolosolo uit het symfonische repertoire, die uit de Symfonie nr. 4 van Tsjaikovski, lijkt er een straatdeuntje bij...

Nog een spitse en vrolijke Finale en dan is het stuk al ten einde; deze kaleidoscopische constructie komt onder leiding van Zehetmair volkomen natuurlijk tot wasdom in een voortreffelijke uitvoering, die barst van de energie.

Energie is ook het toverwoord bij de Kamersymfonie nr. 1 uit 2013, al is de sonatevorm kariger en ook minder gevariëerd: slechts twee thema's vinden we terug in het spannende en briljante eendelige werk. In de cadens in de middenpassage dreigt de inhoud weg te zakken, maar dan veegt een reuzenklankgolf de boel schoon en eindigt het korte werk op vakkundige wijze. Het orkest mag zich hier direct uitleven in wilde buitelende bewegingen, maar ook in spannende kleurstellingen, die deels een Frans palet verraden. Dankzij het onverschokken spel van het orkest krijgt de luisteraar geen schijn van kans om nog een seconde zijn of haar mogelijke gereserveerdheid voor dit onbekende repertoire te overdenken. Klasse!

Het meest verbluffend is de uitvoering van Klavieriana uit 2015 voor piano, orkest en met een obbligate celesta. Dubugnons compositie is wederom van hoog voltage en razendknap geschreven. Het is ook behoorlijk eclectisch, waarbij de invloeden van Ravel, Messiaen én Rachmaninov onmiskenbaar zijn: het langzame deel met zijn brede melodie en rijke strijkersvelden doen een volbloed romantisch pianoconcert vermoeden. Een letterlijk koortsachtig openingsdeel allegro febbroso waarin de pianist als een slagwerker tekeergaat en een parelende concertfinale: doe daar dan maar even een goede solist bij! Noriko Ogawa heeft het hoorbaar naar haar zin met dit werk en is superieur in de uitvoering. Juist omdat ze zich niet verliest in opgeklopte virtuositeit of trage hartstocht, pakt ze moeiteloos de golflengte van het orkest op. En dan die celesta: in het eerste deel nog een onschuldige commentator aan de zijlijn, in deel twee al de partner van de piano en in de finale een volwaardige tegenstrever; een prachtige extra toets aan deze compositie, die kan uitgroeien tot een 21e-eeuwse hit in de concertzaal. Voorlopig ligt hier een gedenkwaardig album.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links