CD-recensie

 

© Gerard Scheltens, mei 2011

 

 

Nielsen: Symfonie nr. 4 (Uudslukkelige / Onuitblusbare) - Symfonie nr. 5

London Symphony Orchestra o.l.v. Sir Colin Davis

LSO Live LSO0694 • 67' • (sacd)

 

 

 


Wie vele jaren geleden geïnteresseerd was in Carl Nielsen, moest opnamen van zijn symfonieën met een lantaarntje zoeken. De lp's van dirigenten als Ole Schmidt, Yasha Horenstein en Carl Caraguly waren zeldzame uitingen van pionierswerk. Het begon met de erkenning van Nielsen pas wat te worden toen Leonard Bernstein (3e symfonie, Sony) en Herbert von Karajan (4e, DG) zich ermee begonnen te bemoeien. Oerspannend was de Vijfde symfonie door Kyrill Kondrashin (Philips), een van de zeer schaarse gelegenheden waarbij het Concertgebouworkest zich aan Nielsen waagde.
Inmiddels wordt de Deen die er uitzag als een brave dorpsnotabel, algemeeen erkend als een van de grootste symfonici van de twintigste eeuw. Er bestaan vele opnamen van zowel complete reeksen als aparte symfonieën. Elke dirigent "die zich respecteert" zet Nielsen op het repertoire (de Nederlanders blijven helaas een beetje achter).

De Vierde en Vijfde symfonie, volgens mij zijn beste, laten twee kanten zien van Nielsens reflectie van de Eerste Wereldoorlog. De Vierde uit 1914-16 heeft als ondertitel "Het Onblusbare", naar de onblusbare energie waarmee de mens continu bezig is met de nooit aflatende cirkelgang van schepping, worsteling, conflict en vernietiging. Vanaf het woeste begin met zijn zoekende tonaliteit ontrolt zich een hoogst origineel, onontkoombaar symfonisch proces vol martiale momenten en schijnbaar chaotische draaikolken, afgewisseld met rustpunten van verrassend kamermuzikale intimiteit. Hier wordt een strijd gestreden tussen donker en licht, tussen goed en kwaad. Al die brandende energie, met een cruciale rol van pauken en slagwerk, roept een soms bijna verzengende warmte op. Des te groter lijkt het contrast met de ijzige kou van de nóg originelere Vijfde symfonie uit 1920-22. Maar dat is schijn, want ook in dit tweedelige werk creëert Nielsen grote tegenstellingen tussen licht en donker, of in dit geval misschien eerder tussen chaos en orde. Het lijkt alsof hij alle hoop op een goede uitkomst heeft verloren. Maar toch is deze muziek niet misantropisch of tragisch, en helemaal niet laatromantisch. De vorm is experimenteel, de muziek maakt een fragmentarische indruk, het etherische begin wordt al snel langdurig verstoord door militaristisch tromgeroffel. Na een kreet van de hobo loopt het eerste deel uit in een lange, bijna Brahmsiaanse melodielijn die doorsneden wordt door schrijnende uitbarstingen. Nee, berusten zullen we niet! Het tweede deel barst los met een energie die doet denken aan de Vierde, gaat voort met een steeds woester wordende fuga, maar stroomt tenslotte uit in een lange climax.

Je zou kunnen zeggen dat Colin Davis behoorlijk laat tot Nielsen is gekomen. De 84-jarige dirigent verdiende zijn lauweren met een omvangrijk repertoire, waarbij Mozart, Berlioz en Sibelius eruit springen als componisten met wie hij een bijzondere affiniteit heeft en die hij meer dan eens heeft opgenomen. Componisten ook die je al gauw in verband brengt met Nielsen: de helderheid van Mozart, de energie van Berlioz, het ondefinieerbaar 'noordse' van Sibelius. Het is allemaal te horen in deze opname waarin Davis 'eindelijk' tot Nielsen komt. Dus waarom nu pas?
Nog een vraag. Is deze dirigent werkelijk 84 jaar? Het lijkt alsof de flitsende start van de Vierde zijn vitaliteit moet demonstreren. Ik moest even wennen aan de hoge tempi, de dreunende pauken en de soms wat scherpe blazersklank van deze live-opname. De Barbican is nu eenmaal geen ideale zaal. Dat er weinig grandeur heerst merk je als cd-luisteraar niet, maar ook de akoestiek heeft zijn gebreken. Als je eenmaal 'door' bent krijg je steeds meer waardering voor de felheid waarmee Davis grote spanningsbogen trekt waarin de veelvuldige stemmingswisselingen onderdeel vormen van een rijk palet aan kleuren. Davis is een soepel dirigent die alle details hun natuurlijke plaats geeft. Dat geldt voor de zo afwisselende Vierde en misschien nog meer voor de quasi-fragmentarisch vormgegeven, maar o zo geconcentreerde Vijfde. Het LSO is naar mijn idee het beste Britse orkest van dit moment. Het volgt Davis naadloos en het resultaat is een behoorlijk opwindende sacd die op één lijn staat met Blomstedt (Decca en EMI), Salonen (Sony) en Schønwandt (Naxos) , om maar een paar favorieten te noemen. Ik ben benieuwd naar zijn volgende verrichtingen met Nielsen-symfonieën, nu zijn affiniteit daarmee zo groot blijkt te zijn.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links