CD-recensie

 

© Gerco Schaap, december 2014

 

Wagner: Symfonie in C - Siegfried-Idyll

Wagner/De Vlieger: Nachtgesang und Isoldes Liebestod uit Tristan und Isolde

Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Edo de Waart

Challenge Classics CC72649 • 78' •

Opname: juni 2010, april 2013 (Tristan), MCO Hilversum

   

In de vroege zomer van 1832 componeerde de 19-jarige Richard Wagner, naar eigen zeggen in zes weken, een vierdelige Symfonie in C . Een jaar eerder had hij zich ingeschreven aan de Universiteit van Leipzig om muziek te studeren en had hij zich in het ouvre van Van Beethoven, Mozart en Von Weber verdiept. Na een eerste uitvoering in Praag, waar de componist op dat moment verbleef, werd de symfonie ook in het Gewandhaus van Leipzig uitgevoerd tijdens een concert waarbij ook de toen veertienjarige Clara Wieck als pianosoliste optrad. In enthousiaste bewoordingen schreef ze aan "meinen lieben Herrn Schumann" over haar vaders enthousiaste reactie op deze "Kopie von Beethovens Symphonie in A" (de zevende). Inderdaad is de invloed van Van Beethoven sterk aanwezig in dit jeugdwerk, maar het herinnert meer aan zijn Ouverture 'Die Weihe des Hauses', de Eroïca-symfonie en aan Schuberts symfonieën, hoewel Wagner die niet gekend heeft.
Zoals bij meer van Wagners jeugdwerken raakte de symfonie in vergetelheid - Wagner meende dat ze verloren was gegaan nadat hij de partituur aan Schumann had gegeven. Maar in 1877 dook een deel van de orkestpartijen op uit een koffer die Wagner in Dresden had achtergelaten toen hij de stad in 1849 hals over kop was ontvlucht omdat er een arrestatiebevel tegen hem uitgevaardigd was vanwege zijn politieke activiteiten in het revolutiejaar 1848. In Cosima Wagners dagboek lezen we onder meer: "Seine Symphonie interessiert R. sehr; ... R. sagt, die hätte geschrieben sein können von einem jungen Komponisten zwischen der ersten und der zweiten Symphonie von Beethoven."
Het moet voor Wagner, die op dat moment aan de tweede akte van Parsifal werkte, zijn geweest alsof dit stuk uit een andere wereld kwam. Over het geheel genomen was hij er niet ontevreden over, maar hij herzag wel een aantal details voordat het tot een nieuwe uitvoering van de symfonie kwam. Dat gebeurde op de vijfenveertigste verjaardag van Cosima in het theater La Fenice in Venetië, waar de symfonie werd uitgevoerd door het studentenorkest van het Benedetto Marcello-conservatorium. Wagner dirigeerde zelf de eerste twee delen, maar aangezien hij toen al hartklachten had, gaf hij de dirigeerstok daarna door aan zijn assistent Engelbert Humperdinck. Tegenover hun zoon Siegfried merkte Cosima op: "Das hat einer gemacht, der das Fürchten nicht kennt". Zelf meende de componist dat wanneer hierin al íets van Wagner te herkennen was, dan was het hoogstens het grenzeloze zelfvertrouwen waarmee hij toen al componeerde, zonder zich ergens om te bekommeren.

Het was de Duitse dirigent Otto Gerdes (1920-1989) - vanaf 1956 platenproducent bij Deutsche Grammophon en vanaf 1963 enige jaren artistiek directeur - die de Symfonie in 1972 uit de mottenballen haalde en voor DG een plaatopname dirigeerde met de Bamberger Symphoniker. Die uitvoering werd voor uw recensent dé referentie-uitgave voor alle latere opnamen van het stuk.
Edo de Waart maakte twee digitale opnamen van de symfonie. De eerste, met het San Francisco Symphony Orchestra, verscheen in 1983 op een Philips-elpee, samen met Eine Faust-Ouvertüre. De tweede opname maakte De Waard in 2010 in het Muziekcentrum van de Omroep in Hilversum met het Radio Filharmonisch Orkest en werd gecombineerd met o.m. de Siegfried-Idyll.
Dan is er nog de twee jaar geleden op Chandos uitgebrachte opname van Neeme Järvi met het Royal Scottish National Orchestra, gecombineerd met Wagners onvoltooide Symfonie in E uit 1834 (arr. Mottl), de Huldigungsmarsch Es-Dur (arr. J. Raff), de Ouvertüre Rienzi en de Kaisermarsch uit 1871. Deze laatste uitvoering van de Symfonie in C bevalt me maar matig vanwege Järvi's erg hoge tempi. Het is misschien verleidelijk om een jeugdwerk in een voortvarend tempo te brengen, maar het doet Wagners jeugdsymfonie geen goed. Het tempo dat Edo de Waart in zijn laatste opname voor de inleiding (Sostenuto e maestoso) van het eerste deel neemt, is misschien weer té langzaam, maar hij laat in elk geval horen dat dit deel méér inhoud krijgt als je de tijd neemt voor de introductie. Ter illustratie de tijdsduur van deel 1 van elke opname:
Gerdes 10'55
De Waart 1983 12'14
De Waart 2010 15'03
Järvi 12'28
Het grote verschil in aanpak tussen Järvi en De Waart (2014) komt het duidelijkst tot uiting in de tien akkoorden waarmee het eerste deel opent (zie illustratie): Järvi neemt ze precies tweemaal zo snel als De Waart. Het aansluitende Allegro con brio neemt De Waart overigens weer een fractie sneller dan Järvi, maar in de overige delen is laatstgenoemde mij toch te snel.

Eerste bladzijde Symfonie in C

Zoals ik al schreef, neemt De Waart in zijn laatste opname veel meer tijd voor het Sostenuto e maestoso, maar hij weet de spanning knap vast te houden in de niet zo ruime akoestiek van het MCO. In het vervolg van deel 1, Allegro con brio, verschilt zijn opvatting niet veel van zijn 27 jaar oudere opname.
Het is opmerkelijk hoe dit jeugdwerk van Wagner toch weet te boeien. Er wordt weliswaar veel aan Van Beethoven en Von Weber gerefereerd, maar het begin van het tweede deel, met de solo-inzet C-E voor hobo en klarinet, roept toch al een beetje de sfeer op van een operascène. Maar dan volgt een heerlijk mineurthema voor de celli dat overgenomen wordt door de altviolen en ten slotte door de gehele vioolsectie, ondersteund met akkoorden van houtblazers. Het langzame tempo waarin De Waart dit tweede deel (Andante ma non troppo, un poco maestoso) neemt, verhoogt de dramatiek niet weinig; het stuk heeft zo meer weg van een treurmars en vertoont dan toch nog gelijkenis met Van Beethovens Eroïca- symfonie. Vooral in dit deel valt op hoe subliem het orkestspel is. 'Ons' Radio Filharmonisch Orkest heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld tot een top-ensemble dat niet onderdoet voor het Concertgebouworkest. Ik vind de orkestklank van het RFO bovendien homogener dan die van Amsterdam, waar de klank soms te veel wordt gedomineerd door 'solisme'.
De sobere akoestiek van het MCO heeft bovendien iets 'opera-achtigs'; je kunt je voorstellen hoe die eerste uitvoering in Venetië moet hebben geklonken, al zal het orkestspel niet zo volmaakt zijn geweest als in deze opname.
Na zijn meest persoonlijke troeven in het tweede deel te hebben uitgespeeld, klinkt het derde deel van Wagners symfonie uitgesproken Schubertiaans (parallellen met de 'grote' C-dur-symfonie) en het vierde deel nog het meest naar Beethoven.

Aan de componist-arrangeur Henk de Vlieger, tot augustus 2013 Eerste slagwerker van het RFO, hebben we al heel wat orkest-arrangementen van Wagner-opera's te danken. In 1994 smeedde hij een aantal fragmenten uit Das Rheingold, Die Walküre, Siegfried en Götterdämmerung samen tot 'De Ring - een orkestraal avontuur', in 1994 deed hij hetzelfde met Parsifal ('een orkestrale zoektocht') en een jaar later met Tristan und Isolde ('een orkestrale passie'). De drie symfonische partituren werden in 1997 voor het eerst uitgebracht op het toenmalige label RCA, in een luxe box met een hardkaften boekje waarin een tekst van Martin van Amerongen, en controversiële foto's van Erwin Olaf. Het was eigenlijk een verlaat verjaarscadeau voor het 60-jarig bestaan van het RFO. Nadat de oplage was uitverkocht, liepen de rechten in 2007 af, en kon er naar mogelijkheden tot een heruitgave worden gezocht. Die werd in 2010 gerealiseerd bij het label Challenge, echter met een andere tekst (van Paul Korenhof) en zonder de foto's van Olaf.
De hier besproken cd wordt aangevuld met De Vliegers arrangementen van 'Nachtgesang' en 'Isoldes Liebestod' uit Tristan und Isolde en de Siegfried-Idyll, óók een verjaardagsgeschenk, waarmee Wagner zijn 24 jaar jongere Cosima op 25 december 1870 verraste.

Een waardevolle aanvulling op de eerdergenoemde 3-cd-box.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links