CD-recensie

 

© Gerco Schaap, januari 2011

 

 

Vierne: Complete orgelwerken (deel 3)

Symfonie nr. 3 voor orgel in fis, op. 28 - nr. 4 in g, op. 32.

Daniel Roth, Cliquot-/Cavaillé-Coll-orgel St.-Sulpice, Parijs

Aeolus AE-10551 • 67' •

Distributie: AMG Benelux

www.aeolus-music.com


De verschijning van Volume 1 in de reeks complete symfonieën voor orgel van Vierne (nrs. 1 en 2) door Daniel Roth was een paar jaar geleden al reden voor de hoogste lof. En ook bij Volume 2 kan ik er niet omheen: dit zijn de gedroomde uitvoeringen (en opnamen!) van Viernes derde en vierde symfonie, de uitstekende uitvoeringen van Ben van Oosten op MDG niet te na gesproken.

Toen Louis Vierne (1870-1937) in de zomer van 1911 aan zijn Derde symfonie werkte, als gast van het echtpaar Dupré in hun zomerverblijf in St.-Valéry-en-Caux, had hij jaren van narigheid achter de rug. De nieuwe eeuw was zo mooi begonnen met zijn benoeming aan de Parijse Notre-Dame, maar het jaar 1906 staat in Viernes Mémoires te boek als “Le début des catastrophes”. Op een nacht, lopend door Parijs, was de slechtziende organist in een gat in een opgebroken straat gevallen. Er volgde een lange revalidatieperiode en hij was genoodzaakt opnieuw pedaal te leren spelen. Enkele jaren later werd hij verlaten door zijn vrouw, die een affaire begon met Charles Mutin (aan wie hij nota bene zijn tweede symfonie had opgedragen) en zijn jongste zoon leed aan tuberculose. En na de dood van Alexandre Guilmant in 1911 werd Vierne ook nog eens gepasseerd toen er een opvolger voor Guilmant als orgeldocent werd benoemd. Deze gebeurtenissen hadden hun weerslag op Viernes muziek. Na de betrekkelijk opgewekte Tweede symfonie getuigt de derde van aanzienlijk meer ernst, wat nog het meest tot uiting komt in het vierde deel, Adagio. Toch eindigt de symfonie aan het eind van het altijd weer fascinerende vijfde deel – met dankbaar gebruik van de zwelkast – in majeur.

Daniel Roth

De Vierde symfonie dateert uit de zomer van 1914, net na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Het is misschien te gemakkelijk om de sombere sfeer van het eerste deel daarmee in verband te brengen, maar bittere ernst voert onmiskenbaar de boventoon. Het daarop volgende Allegro wordt door Daniel Roth breed uitgemeten. Het tongwerk waarmee het Menuet begint, klinkt wat iel, valt af en toe weg tegen de begeleiding. ’t Was misschien beter geweest de zwelkast niet helemáál te sluiten, maar misschien wilde Roth het zo. Vreemd eigenlijk dat je deze symfonie betrekkelijk weinig op concerten hoort. Weliswaar zijn er niet veel orgels in ons land waarop ze optimaal tot klinken komen, maar dat geldt toch ook voor de wél vaak gespeelde nummers 1, 2 en 3. Het Sulpice-orgel, weliswaar een gaaf specimen van de Frans-symfonische orgelbouwer Aristide Cavaillé-Coll maar met een aanzienlijke kern van ouder pijpwerk (Cliquot), lijkt welhaast het ideale orgel voor deze muziek. Maar hoe ideaal een orgel ook in bepaalde literatuur kan klinken, het is toch de vertolker “qui fait la musique”!

De ruimtelijke, sfeervolle opname van Christoph Martin Frommen (Aeolus-Music) laat niets te wensen over; sluit je ogen en je waant je in een (lege) Saint-Sulpice. In de tracknummering voorin het boekje is het cijfer 6 overgeslagen, dus u dient de nummering daar even aan te passen. Achterop de omslag staat het wel goed.

Na deze heerlijke uitvoeringen is het wachten op de symfonieën 5 en 6, die echter niet door Daniel Roth zullen worden ingespeeld, maar door de Amerikaanse organist Stephen Tharp, die zijn sporen inmiddels verdiend heeft door onder meer het complete orgelwerk van de Parijse organiste/componiste Jeanne Demessieux vast te leggen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links