CD-recensie

 

© Gerco Schaap, april 2015

 

Max Reger Organ Works Vol. 14

Fünf Leicht ausführbare Präludien und Fugen für die Orgel op. 56

Uit 52 Choralvorspiele op. 67: nrs. 1-15

Josef Still, Klais-orgel Dom Trier

Naxos 8.572907 • 78' •

* * *

Max Reger Organ Works Vol. 15

Monologe op. 63 nrs 1-4

Uit 52 Choralvorspiele op. 67: nrs. 16-35

Postludium d-Moll, WoO IV/12

Wolfgang Rübsam, Skinner-orgel Rockefeller Chapel, University of Chicago

Naxos 8.572908 • 79' •

* * *

Max Reger Organ Works Vol. 16

Drei Orgelstücke op. 7

Schule des Triospiels: 15 Inventionen von J.S. Bach (BWV 772-786) arrangiert von Max Reger und Karl Straube

uit 52 Choralvorspiele op. 67: nrs. 36-38

Orgelstücke ohne Opusnummer

Bach/bew. Reger: Toccata und Fuge d-Moll BWV 913

Christian Barthen, Rieger-orgel Dom Fulda

Naxos 8.572909 • 75' •

   

 


In 2014 verschenen de delen 14, 15 en 16 van de complete orgelwerken van Max Reger op Naxos, waarmee deze serie nu is voltooid. Niet elk cd-label wist de integrale uitgave van Regers orgelouvre tot een goed einde te brengen. Motette bracht het jaren geleden niet verder dan vijf delen. Dabringhaus & Grimm biedt de complete orgelwerken in een 14-cd-box door Rosalinde Haas (op één orgel in Frankfurt am Main) en verder is er een complete reeks van Fugatto door Roberto Marini op 8 dubbel-cd's en 1 enkele cd waarop ook bewerkingen staan. Cor van Wageningen speelt op ToccaTa Records alleen Repräsentative Orgelwerke . Het Duitse label Oehms (Bernhard Buttmann) bracht tot dusver twee cd-boxen van 4 cd's uit en het Franse (!) Hortus is net begonnen met een Intégrale door Jean-Baptiste Dupont waarvan inmiddels 3 cd's zijn verschenen. Begin dit jaar voegde ook het label Cybele zich aan dit rijtje toe met de eerste drie delen van de Sämtliche Orgelwerke , gespeeld door Martin Schmeding op verschillende romantische orgels in Duitsland.

Josef Still, die al verschillende delen van Naxos' Reger-integrale voor zijn rekening nam, speelt op Volume 14 de vijf Leicht ausführbare Präludien und Fugen die Opus 56 vormen, en die trouwens best hoge eisen stellen aan de uitvoerende. Het zijn stukken die de luisteraar voor zich innemen vanwege hun compacte en doorzichtige structuur. Josef Still, al ruim twintig jaar organist van de Dom in Trier, speelt ze op 'zijn' Klais-orgel uit 1974, naar mijn mening een van de fraaiste orgels uit het huis van Klais uit deze periode.
Van de 52 Leicht ausführbare Vorspiele zu den gebräuchlichsten evangelischen Chorälen Op. 67 speelt Still de eerste vijftien. Ze variëren in tijdsduur van nog geen minuut ( Alles ist an Gottes Segen ) tot 4½ minuut ( Herr, wie du willst, so schick's mit mir ) en zijn ware juweeltjes van polyfonie.

Het klankbeeld dat we op Volume 15 horen is heel anders dan dat van Trier; het betreft hier namelijk het Ernest M. Skinner-orgel (Opus 634, 1928) in de Rockefeller Memorial Chapel van de Universiteit van Chicago. Een orgel van 150 registers met een full orchestral sound , zoals het boekje vermeldt, bestaande uit een hoofdorgel en een galerijorgel voor koorbegeleiding. Het orkestrale karakter pakt vooral gunstig uit voor de 'rustige' en zacht geregistreerde koraalvoorspelen Op. 67, waarvan we op deze cd de nummers 16 t/m 35 horen. In de luider geregistreerde voorspelen ben ik iets minder overtuigd van de orgelklank met betrekking tot Reger. Het kan ook liggen aan de 'neobarokke' manier van registreren van Rübsam, die overigens verantwoordelijk was voor de gehele productie van de integrale orgelwerken van Reger op Naxos. Eigenzinnig is deze organist in zijn tempo en rubato, waardoor voorspelen als Jerusalem, du hochgebaute Stadt ; Lobe den Herren, den mächtigen König ; Nun danket alle Gott en Schmücke dich niet lekker 'stromen'. Het kán ook anders, zoals hij laat horen in Nun freut euch, lieben Christeng'mein.
De cd opent met de eerste vier van de 12 Monologe Op. 63, uitgegeven in 1902. Deze vier qua karakter zeer contrasterende stukken ( Präludium C-Moll, Fuge C-Dur, Canzona g-Moll en Capriccio A-Moll ) droeg Reger op aan de Hannoverse organist Hermann Dettmer. De andere Monologe zijn te vinden op Volume 4 ( Introduktion und Passacaglia f-Moll door Josef Still in Trier) en op Volume 13 (nrs. 7-12 door Christian Barthen in Mannheim). Het laatste werk op de cd, een onbekend Postludium d-Moll zonder opusnummer, stamt uit 1903 en klinkt ook echt als een naspel.

 
 

Het E.M. Skinner-orgel (1928, Opus 634) in Rockefeller Memorial Chapel, University of Chicago.
Foto: William Van Pelt

Op het afsluitende Volume 16 vinden we nog een aantal minder bekende werken van Max Reger, gespeeld door Christian Barthen op het orgel in de Dom te Fulda. Achter het historische front van Adam Öhninger uit 1713 bouwde de firma Rieger uit Schwarzach in 1994 een nieuw orgel, met gebruikmaking van een aantal registers uit het voormalige Sauer-orgel uit 1877.
Allereerst zijn daar drie orgelstukken Opus 7, geschreven in de jaren 1892-'93 in Wiesbaden, waar Reger op dat moment zijn studie bij Hugo Riemann voltooide. Hij droeg ze op aan de Nederlandse organist-componist Samuel de Lange, die tussen 1900 en 1908 directeur van het conservatorium in Stuttgart was. Vooral het Präludium & Fuge c-Moll verraadt Regers in die tijd groeiende belangstelling voor J.S. Bach; de voor de latere Reger zo kenmerkende chromatiek is hier nog grotendeels afwezig. Het tweede stuk is een ruim 8 minuten durende fantasie over het 'Te Deum', gevolgd door een bijna even lange fuga in d kl.t.
Er bestaan weinig opnamen van de Schule des Triospiels . Het betreft hier een arrangement van Max Reger en Karl Straube van de 15 tweestemmige Inventionen BWV 772-786 die Johann Sebastian Bach in 1723 componeerde tijdens zijn laatste jaren als Hofkapellmeister in Köthen. Hij schreef ze als studiemateriaal voor zijn oudste zoon Wilhelm Friedemann. Reger en Straube werkten deze Inventionen om tot oefeningen in triospel door er een derde stem (voor de linkerhand) aan toe te voegen. De oorspronkelijke partijen van Bach worden gespeeld door de rechterhand en de voeten. Het geheel is voorzien van voet- en vingerzettingen. Interessant materiaal voor orgelstudenten die zich in het triospel willen verdiepen.
Van de 52 koraalvoorspelen Op. 67 horen we de nummers 36 t/m 38.
Aansluitend vinden we op deze cd enkele werken zonder opusnummer: het z.g. Limonadenpräludium in C van slecht 7 maten (zo genoemd omdat Reger ze op 22 augustus 1900 op papier zette terwijl zijn gastheer Adalbert Lindner ondertussen limonade inschonk) en een in hetzelfde jaar ontstane fuga. Präludium und Fuge d-Moll ontstond twee jaar later en werd gepubliceerd in het tijdschrift Die Musikwoche.
Het laatste werk waarmee de serie afsluit is een bewerking van Bachs Toccata und Fuge d-Moll BWV 913 die Reger in 1902 maakte. Het betreft dus niet de overbekende 'd-Moll' maar een relatief vroeg klavecimbelwerk van Bach. Reger maakte het werk zogezegd 'geschikt' voor uitvoering op een romantisch orgel met pedaal, met crescendi- en decrescendi die worden bereikt door register- en manuaalwisselingen en gebruik van de zwelkast. Barthens vertolking is zeer overtuigend en smaakvol geregistreerd.

Voor orgelliefhebbers met een bescheiden budget is de Naxos-Reger-integrale een uitstekend alternatief ten opzichte van duurdere producties. De boekjes bieden voldoende achtergronden bij de gespeelde werken in Engels en Duits en bevatten altijd gegevens en disposities van de bespeelde orgels.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links