CD-recensie

 

© Gerco Schaap, augustus 2020

Frederick William Holloway - Symphonic Organ Works

Holloway: Introduction and Allegro concertante - Cantilène in e, op. 33 - Andante cantando in e, op. 40 - Courante en forme de canon in a, op. 58 - Concert Toccata in d, op. 33 - Duo in F, op. 58 - Allegretto leggiero in F, op. 7 - Andante sinfonico in Des, op. 48 - Allegretto grazioso in F, op. 49 - Andante and Finale fugato in G, op. 17 - Symphony in c, op. 47

Markus Eichenlaub (orgel)
Aeolus AE-11181 • 79' • (sacd)
Opname: St. Bartholomaüs, Gackenbach (D)

www.aeolus-music.com/Alle-Tontraeger/AE11181-Holloway-Frederick-William-Symphonic-Organ-Works

 

Ondergetekende is redelijk goed thuis in het Engels-romantische orgelrepertoire, maar van Frederick William Holloway (1873-1954) had ik nog nooit gehoord tot op het moment dat Christoph Martin Frommen van het Duitse kwaliteitslabel Aeolus een oproep plaatste voor een afbeelding van deze componist. Daar kon ik hem gelukkig aan helpen, hij staat in de antiquarische uitgave The Complete Organ Recitalist van Herbert Westerby, een boek uit 1927 dat een schat aan gegevens bevat over de Engelse orgelbouw en concertcultuur. Niet lang daarna verscheen Frommens nieuwste productie: een cd waarop de Duitse organist Markus Eichenlaub een representatieve keuze uit Holloway's orgelœuvre speelt op het orgel van de Kirche St. Bartholomäus in Gackenbach (bij Koblenz). De basis van dit instrument is een orgel uit 1904 van H.J. Nelson & Co. dat tot 2009 in Crook (bij Durham) stond en in dat jaar werd aangekocht door de organist van Gackenbach. Die liet het instrument door Orgelbau Krawinkel (Trendelburg) restaureren en uitbreiden met Engels pijpwerk uit de bouwtijd tot een driemanuaals orgel met 44 registers.

 
 

Frederick William Holloway

Biografische gegevens over Frederick William Holloway zijn schaars, waarschijnlijk omdat zijn muzikale en privéleven vrij rimpelloos verliep. Hij werd op 18 september 1873 geboren, zes maanden na Max Reger. Op negentienjarige leeftijd behaalde hij zijn RFCO-diploma aan het Royal College of Organists in Londen. Een jaar later werd hij benoemd tot assistent-organist aan het Sydenham Crystal Palace in Londen. Het oorspronkelijke Crystal Palace werd gebouwd voor de wereldtentoonstelling van 1851 in het Londense Hyde Park. Het was gebouwd in victoriaanse stijl en bestond uit hout, gietijzer en glassegmenten en had een totaaloppervlak van 92.000 m². Na de wereldtentoonstelling werd het gehele gebouw verplaatst naar Sydenham Hill. De firma Gray & Davison bouwde in 1857 een nieuw orgel voor de concertzaal van het paleis dat in later jaren werd uitgebreid, laatstelijk in 1920 door J.W. Walker & Sons. In 1871 gaf Anton Bruckner een aantal orgelconcerten in Crystal Palace die dermate succesvol waren dat hij aansluitend op de schouders werd genomen en door de zaal gedragen werd! Vanaf de jaren '20 was Holloway Resident Organist van het Crystal Palace, vanaf 1932 ook dirigent van de Choral and Orchestral Society. Hij bleef dat tot november 1936, toen paleis en orgel – en waarschijnlijk ook een deel van Holloways muziekcollectie – in vlammen opging. Holloway overleed op 20 januari 1954, het jaar waarin de firma Harrison & Harrison het voor Engeland revolutionaire orgel in de Royal Festival Hall voltooide.

Hoewel Holloway door zijn functie op één lijn stond met organisten als William Thomas Best, Alfred Hollins en Edwin Lemare, raakte zijn orgelœuvre in de vergetelheid. Je zoekt zijn naam tevergeefs in Engelse concertprogramma's en op cd's; alleen Thomas Trotter nam het Scherzo uit zijn Organ Symphony in C minor op, en Markus Eichenlaub nam de gehele sonate al een keer eerder op. Holloway componeerde zijn muziek voornamelijk voor eigen en concertant gebruik; koraalgebonden repertoire zit er niet bij. Het idioom van zijn muziek is te vergelijken met dat van Edward Elgar, Alfred Hollins en William Wolstenholme. Maar je hoort ook Franse invloeden die bekendheid met de orgels van Cavaillé-Coll verraadt, zoals in de beide deeltjes uit de Suite ancienne op. 58, de Cantilène op. 33 en het Allegro leggiero uit de Suite arabesque op. 57. Holloway laat zich kennen als een vakkundig componist die goed thuis is in de muzikale vormenleer; hij schrijft even makkelijk fuga's als ‘verhalende' stukken – en weet die vormen ook nog te combineren in het tweede deel van zijn Symphony in C minor. Het Scherzo uit die symfonie is trouwens een juweeltje. De hoekdelen maken het geheel echt tot een samenhangende compositie.

Je vraagt je af waarom dit repertoire zo lang ‘onder een steen heeft gelegen'. Is het niet ‘Engels' genoeg voor de Britten? Markus Eichenlaub weet er echter wel raad mee; hij houdt een overtuigend pleidooi voor Holloways muziek en registreert een en ander zeer smaakvol en doeltreffend op het fraaie, orkestraal klinkende orgel. De akoestiek helpt een handje mee en de opname is zoals gewoonlijk bij Aeolus van hoge kwaliteit. Ook de presentatie, met verschillende paginavullende historische foto's van het Crystal Palace, documentatie over het bespeelde orgel en interessante achtergrondinformatie, is zeer bevredigend.

Een aanrader voor hen die op zoek zijn naar minder bekend orgelrepertoire.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links