CD-recensie

 

© Gerco Schaap, maart 2016

 

Marcel Dupré - The Mercury Living Presence Recordings

Werken van Franck, Dupré, Messiaen en Saint-Saens

Voor een gedetailleerde werkenopgave klik hier

Marcel Dupré op orgels in Parijs (St.-Sulpice), Rouen (St.-Ouen) en Detroit (Ford Auditorium)

Decca 0289 478 8388 3 (10 cd's + tekstboek)

Verkrijgbaar bij de Association des Amis de l'Art de Marcel Dupré, www.marceldupre.com  

 

 
 
Dupré voor zijn huisorgel in Meudon

Decca Classics heeft in samenwerking met de Association des Amis de l'Art de Marcel Dupré een belangrijke heruitgave op cd gerealiseerd van alle opnamen die de Parijse organist-componist Marcel Dupré (1886-1971) in de jaren tussen 1957 en 1965 voor Mercury en Philips heeft gemaakt. De meeste verschenen indertijd op lp onder het label Mercury Living Presence en werden voor het grootste deel opgenomen op Dupré's 'eigen' orgel in de Saint-Sulpice in Parijs. De laatste twee lp's, met respectievelijk werken van J.S. Bach en Dupré zelf, werden voor Philips opgenomen in de Abbatiale Saint-Ouen in Rouen - Dupré was al toen al 79 jaar oud - met de jonge Henk Jansen als opnametechnicus. De cd-box bevat naast 10 cd's een begeleidend booklet van maar liefst 130 pagina's met alle oorspronkelijke hoesteksten, aangevuld met interessante hoofdstukken over Dupré's leven, de opnamesessies, dagboekfragmenten van Jeanne Dupré betreffende zijn Amerikaanse reis van 1957 en tal van historische foto's.

Mercury Living Presence
In 1951 introduceerde het Amerikaanse label Mercury onder leiding van Bob Fine (opnametechnicus) en David Hall (hoofd klassieke muziek) een nieuwe opnametechniek die tot - voor die tijd - spectaculaire resultaten leidde. In plaats van diverse solo-microfoons gebruikte hij slechts één microfoon om een symfonieorkest op te nemen. De middels deze techniek opgenomen Schilderijententoonstelling van Moesorgski door het Chicago Symphony Orchestra onder leiding van Rafael Kubelík werd een enorm verkoopsucces. Een muziekcriticus van The New York Times omschreef de 'Mercury sound' als "being in the living presence of the orchestra" en het label maakte dankbaar gebruik van die quote door hun klassieke opnamen de streamer Mercury Living Presence mee te geven. De opnamen werden geproduceerd door Wilma Cozart, die vanaf 1953 het werk van Bob Fine overnam en later ook met hem trouwde. Toen in de jaren '90 van de vorige eeuw een groot deel van de Mercury-opnamen op cd werd uitgebracht, was het Wilma Cozart die voor de productie tekende.
Vanaf de herfst van 1955 begon men bij Mercury gebruik te maken van drie rondom-gevoelige microfoons waarmee stereo-opnamen werden gerealiseerd: een centrale microfoon voor het mono-geluid - tot in de jaren '60 werden lp's nog zowel in mono als in stereo uitgebracht - en twee 'side'-microfoons voor de stereo-informatie. Later stapte men over van geluidsband op 35 mm magnetische film, die een dikkere emulsielaag had (dus minder last van 'pre-echo's) en een grotere spoorbreedte. Aldus werd een uitgebreide Mercury Living Presence -catalogus opgebouwd van hoogwaardige opnamen door gerenommeerde orkesten (Detroit, Chicago, Minneapolis, Londen), dirigenten (Antal Doráti, Fritz Reiner, Paul Paray e.a.) en solisten als Byron Janis (piano), Janos Starker (cello) en ... Marcel Dupré.

 
 
Wilma Cozart

De eerste opnamen
De eerste opname die Dupré voor Mercury maakte, was in samenwerking met het Detroit Symphony Orchestra onder leiding van Paul Paray in 1957. In die tijd maakte Dupré, die inmiddels 62 was, al geen concerttournees meer naar de Verenigde Staten. Reeds tienmaal was hij vanaf 1922 in Amerika geweest; de tournees waren dermate vermoeiend - onder meer door het 's nachts reizen - dat hij na de tournee van 1948-'49 besloot dat dit de laatste was. In 1957 ontving hij echter een brief van zijn jeugdvriend Paul Paray waarin deze hem dringend verzocht naar Amerika te komen om het nieuwe Aeolian-Skinner-orgel in het Ford Auditorium in Detroit in te spelen. Paray was drie weken jonger dan Dupré, als jongens hadden ze samen gespeeld in Le Tréport (Normandië) toen de familie Dupré daar met vakantie was. Later volgde Paray orgellessen bij vader Albert Dupré in Rouen. Dupré ging overstag en verzorgde op 6 oktober van dat jaar de inspeling van het orgel, waarbij hij onder meer zijn Tryptique op. 51 ten doop hield. Enkele dagen later werkte hij mee aan twee concerten door het Detroit Symphony Orchestra onder leiding van Paray; toen werd ook de Derde Symfonie met orgel van Saint-Saëns opgenomen en uitgebracht in het kader van de Living Presence Series. Opmerkelijk genoeg zag men Dupré zowel tijdens de repetities als bij de uitvoering zonder partituur spelen en op elk gewenst moment de draad van het stuk oppakken. Dupré kende de partituur van buiten - hij had immers zelf nog de bladzijden omgeslagen voor Saint-Saëns toen de componist de orgelpartij speelde tijdens een uitvoering ter gelegenheid van diens jubileum ... Na afloop van de opnamen merkte de dirigent verheugd op: 'Wie had dat gedacht dat wij, oude vrienden, na al die jaren onze eerste gezamenlijke opname zouden maken?'
Hierna zou Dupré ook enkele solo-opnamen met werken van Franck, Widor en van hemzelf maken op het nieuwe orgel. Men kwam echter tot de conclusie dat dit geen succes zou worden in de droge akoestiek van het Ford Auditorium en ging op zoek naar een orgel in een betere ruimte. Aangezien William Self, organist en koordirigent in de St Thomas Church in New York, Dupré had uitgenodigd voor een concert in zijn kerk, werden ook de opnamen daarnaartoe verplaatst. Het waren uiterst vermoeiende opnamesessies omdat men vanwege het drukke verkeer pas om acht uur 's avonds kon beginnen en om de zoveel minuten moest stoppen vanwege de rumble van de metro die onder de kerk doorliep. Dupré raakte natuurlijk gefrustreerd door al dit oponthoud maar bleef ondanks alles een heer, zoals Wilma Cozart zich herinnert.

Opnamen in Parijs en Rouen
De eerste drie Mercury-albums met Dupré kwamen in 1958 op de markt. De respons was zo groot dat Dupré werd uitgenodigd nóg eens vijf platen op te nemen op 'zijn' orgel in de Eglise Saint-Sulpice in Parijs. En zo werd eind juni 1959 een opnamewagen van Mercury verscheept naar Frankrijk om daar opnamen te maken in de Sulpice. Nadat opnameleider Robert Eberenz een converter had geleend bij de Barclay-studio's om de netstroom van 240 volt te transformeren naar 120 volt en werkelijk al zijn kabels nodig had om de microfoons met zijn apparatuur te verbinden, speelde Dupré tussen 3 en 12 juli werken van J.S. Bach, César Franck, Olivier Messiaen en hemzelf. Ook deze opnamen waren een beproeving voor Dupré omdat hij in die tijd al behoorlijk te kampen had met reumatische aandoeningen. Achterop de platen kwam steevast te staan: Recorded on the Gallery Organ in the Church of Saint-Sulpice, Paris, wat voor niet-Engelssprekende kopers soms aanleiding was te denken dat het orgel niet door Cavaillé-Coll was gebouwd maar door een zekere Gallery...
Zes jaar later speelde Dupré op uitnodiging van Philips, dat inmiddels het Mercury- label had overgenomen, nog twee langspeelplaten vol met koralen van J.S. Bach en zijn eigen Symphonie-Passion op het Cavaillé-Coll-orgel in de Abbatiale Saint-Ouen in Rouen. De keuze voor dat orgel was niet toevallig. De familie Dupré kwam uit Rouen en Dupré's vader Albert had hem als driejarige meegenomen naar de opbouw van het orgel in 1890. In een onbewaakt ogenblik was de kleine Marcel naar boven geslopen, waar Charles-Marie Widor zich op het inspelingsconcert aan het voorbereiden was. Van 1911 tot 1939 was Albert Dupré organist van de Saint-Ouen; na zijn overlijden had Marcel Dupré het orgel in 1941 opnieuw ingespeeld nadat het vanwege het uitbreken van de oorlog gedemonteerd was geweest.
Bij de opnamen van 1965 was de jonge Nederlandse opnametechnicus Henk Jansen betrokken. Hij stond aan het begin van zijn carrière bij Philips en werkte samen met grote musici. Na zijn pensionering verzorgde hij diverse opnamen voor Edition Festivo op Franse orgels.

De AAAMD
Nadat in de jaren '90 de Philips-opnamen uit Rouen al eens op cd werden uitgebracht, heeft de in 1970 opgerichte Association des Amis de l'Art de Marcel Dupré (AAAMD) zich beijverd om de Mercury- en Philips-opnamen integraal uit te geven in de vorm van een rijk gedocumenteerde cd-box. Het was de Fransman Georges Humbrecht, de laatste Maître de Chapelle van de Saint-Sulpice, die Dupré elke zondag van achter zijn koororgel hoorde improviseren en het betreurde dat die improvisaties in het niets verdwenen zodra het laatste akkoord geklonken had. Hoewel Dupré er niet van hield dat zijn improvisaties werden vastgelegd, gaf hij Humbrecht toestemming om zijn improvisaties op te nemen; ze mochten uitsluitend door vrienden worden beluisterd. Uit dat oogpunt werd in oktober 1970 de AAAMD opgericht en werd elke muzikale verrichting van Dupré tot aan zijn dood op geluidsband vastgelegd. Na zijn overlijden bracht de Association tien lp's met improvisaties uit die ware collectors items werden. Naderland werden ook zes cd's uitgebracht, twee boeken en zelfs een dvd met historische filmopnamen uit Saint-Sulpice en Meudon.

 

De cd-box
De cd-box Marcel Dupré - The Mercury Living Presence Recordings is een document van de eerste orde. Uw recensent heeft uit ervaring ondervonden hoe moeilijk de grote platenmaatschappijen ertoe te bewegen zijn om archiefopnamen van belangrijke organisten opnieuw uit te brengen. Dikwijls is het een doodlopende weg. Dat het de AAAMD wél gelukt is bij de Decca Music Group, en nog wel als één (lp) op één (cd) uitgave, is een compliment waard.
In dit bestek is het onmogelijk om de tien cd's allemaal afzonderlijk te bespreken. Daarom wil ik me beperken tot drie hoogtepunten uit deze box.
Allereerst de Triptique Op. 51, gespeeld in St Thomas Church in New York. Het is een sensatie om dit werk, waarvan de inkt nauwelijks droog was in 1957, door de componist zelf te horen uitvoeren. Het eerste deel, Chaconne , is een variatiereeks waarin het St Thomas-orgel eigenlijk het beste tot zijn recht komt. In de Franck- en Widor-opnamen verlang je toch naar een Fransere klank maar het idioom van Dupré is het Amerikaanse orgel op het lijf geschreven. Ook de volgende delen, Musette en het grillige Dithyrambe , komen goed uit de verf.
Het tweede hoogtepunt staat op de eerste cd uit de Sulpice met drie grote preludia en fuga's van Bach, en wel de 'grote' e-moll (BWV 548). Dupré registreert zowel het preludium als de fuga met uitsluitend gekoppelde 8-voets prestanten, wat een ongekend orkestraal klankbeeld oplevert. Ewald Kooiman besprak de lp-heruitgave in 1976 in het toenmalige platenblad Disk en karakteriseerde deze voor hem "verrassende" uitvoering als "een zeer 'einheitliche', prachtig voortstromende weergave in een zeer karakteristiek-zatte Cavaillé-Coll klank, die me, ook na herhaald luisteren blijft boeien." Zo verging het ook mij, vanaf het moment dat ik de lp luisterde tot deze heruitgave aan toe.
In het verlengde daarvan noem ik graag Bachs Fantasie in c (BWV 562), ook geregistreerd met louter 8-voets prestanten en te vinden op Volume IV uit de Saint-Sulpice. In geen enkele mij bekende uitvoering komt de dramatiek van het stuk zo overtuigend over als in deze versie.
Als derde hoogtepunt noem ik Volume II van Dupré at Saint-Sulpice - The music of Marcel Dupré. Op deze cd staan enkele van Dupré's belangrijkste werken, door hemzelf vertolkt: Cortège et Litanie, de Variations sur un Noël , het Lamento Op. 24 en Carillon en Final uit de Sept Pièces Op. 27. Vooral het Carillon spreekt mij altijd weer tot de verbeelding; het kost weinig moeite om hierin industriële bedrijvigheid en voortsnellende stoomtreinen te horen. Alleen al voor deze uitvoeringen van eigen werk is de cd-box de aanschafkosten meer dan waard.

Wie een goed beeld van het spel van Marcel Dupré wil krijgen, kan niet om de aanschaf van deze box heen. Weliswaar werd zijn spel in die tijd al behoorlijk beïnvloed door de reuma, het zegt genoeg over zijn speelopvattingen en over de manier waarop hij zijn eigen composities vertolkte. Dat de orgels van St.-Sulpice en St.-Ouen niet optimaal gestemd zijn, moet de luisteraar maar voor lief nemen.
De kartonnen cd-houders zijn exacte reproducties van de oorspronkelijke lp-hoezen. De hoesteksten achterop zijn natuurlijk niet leesbaar in deze grootte en zijn daarom in het cd-booklet opgenomen, compleet met alle gegevens over opnamedata, locatie en de verantwoordelijke opnamestaf. De tweede helft van het booklet bevat een korte biografie van Dupré, verhalen over de opnamen en een hoofdstuk met dagboekfragmenten van Mme Jeanne Dupré, opgetekend tijdens hun bootreis naar Amerika in 1957. Kostelijke lectuur waarin we een kijkje in het privéleven van de Dupré's krijgen. Achterin staan de disposities van de orgels zoals ze er op het moment van de opname bij stonden.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links