CD-recensie

 

© Emanuel Overbeeke, juli 2016

 

Weinberg: Sonates voor viool solo nr. 1 op. 82 - nr. 2 op. 95 - nr. 3 op. 126

Sjostakovitsj/Glickman: Drie fantastische dansen voor viool en piano op. 5

Linus Roth (viool), José Gallardo (piano)

Challenge Classics CC 72688 • 74' •

Opname: Mechelen, april-mei 2015

   

De ongekende populariteit in het westen sinds 1980 van de muziek van Sjostakovitsj heeft op den duur ook geleid tot meer westerse aandacht voor andere sovjet-componisten die het slachtoffer waren van hun regime. Een van hen was Mieczyslaw Weinberg die zijn huidige westerse faam waarschijnlijk mede te danken heeft aan het feit dat zijn muziek weliswaar lijkt op die van Sjostakovitsj maar ook een veel zachtaardiger inslag heeft. Weinberg is vooral bekend om zijn kamermuziek, met name zijn strijkkwartet, waarin een sterk dramatisch karakter eerder wordt gesuggereerd dan getoond. Net als bij Sjostakovitsj, die Weinbergs kwaliteiten onderkende en hem probeerde te steunen, lijkt de atonaliteit voor hem een vorm van dramatiek en abnormaliteit, afgezet tegen 'het tonale paradijs', om te spreken met Schnittke, die het liefst naar dit paradijs terugverlangde. Die toon van verlangen spreekt ook uit Weinbergs drie sonates voor vioolsolo waarvan tot nu toe alleen de Derde was opgenomen. De derde is een ééndelig werk van ruim 25 minuten met een zeer grillige opbouw waarin de overdosis lyriek een tekort aan architectuur moet maskeren. De lyriek krijgt iets stuurloos en de schoonheid is te eenzijdig om een half uur lang te kunnen boeien. De eerste twee daarentegen zijn meerdelig, veel samenhangender, afwisselender en spannender. Als Weinberg een voorbeeld had, dan de Sonate voor vioolsolo van Bartók die in gestiek en beethoveniaanse dramatiek nooit ver weg is. Maar terwijl Bartóks muziek door het beethoveniaanse iets gespannens heeft, blijven Weinbergs sonates altijd iets lyrisch houden. Dat de mildheid nooit ontaardt in slapheid, is vooral te danken aan violist Linus Roth bij wie toonvormig en ritmische precisie altijd in balans zijn. Waar de meeste commentatoren de neiging hebben Weinberg om zo te zeggen te beschrijven in termen van Sjostakovitsj, doet Roth met zijn spel het omgekeerde. Bij deze fantastische dansen kan dat uitstekend en de pianist werkt van harte mee.

In twee opzichten is deze cd een tijdsdocument. Tien jaar geleden, en zeker voor 1980, was Weinberg onbekend bij het grote publiek en alleen een naam voor slavisten en kenners van de moderne muziek. Daarnaast is het spel van Roth exemplarisch voor een wijze van musiceren die de laatste dertig jaar meer en meer terrein wint, vooral onder pianisten: benadruk de romantisch aandoende vrijheid en de verrassing in de vorm en de klank boven de klassiek aandoende ritmische continuïteit (deze benadering van muziek is ook het handelsmerk van ECM). Bij de beste representanten van deze aanpak is van een spanning tussen die twee speelwijzen weinig sprake omdat hun intuïtie voor vorm zo sterk is dat zij de ritmische continuïteit niet nodig lijken te hebben. En omdat musici indien mogelijk het repertoire kiezen dat het beste past bij hun muzikale persoonlijkheid, is het geen toeval dat we dit spel vooral tegenkomen in uitvoeringen van Russische muziek van voor en na het communisme en veel minder bij vertolkingen van westerse en zeker westers-klassieke muziek. Die voorkeur verklaart ook waarom de belangstelling voor Russische muziek en muziek uit de Russische invloedsfeer uiterst selectief is. De hang naar lyriek, quasi-los van vaste vormen uit de teutoonse traditie, maakt Rachmaninov en Skrjabin tot geliefde prooien, terwijl Tsjaikovski, Medtner en Prokofjev er veel te klassiek voor zijn. Pärt en andere Balten profiteren, althans voor westerse oren, sterk van hun spirituele inslag die resulteert in vormen en daarmee vrijheden die in westerse religieuze muziek veel zeldzamer zijn. Westerse muziek die deze on-klassieke vrijheid in de aanpak slecht kan hebben, is natuurlijk niet slecht, maar krijgt iets minder aandacht (we weten immers wel dat Bach, Haydn en Mozart heel goed zijn), of ze wordt op de podia vaak gebracht met een vrijheid die herinnert aan de oude muziekpraktijk rond 1970 die qua intentie uitermate on-klassiek was. Het is dus geen toeval dat uitgerekend onze tijd, die nog net als die van rond 1970 zeer hecht aan authenticiteit, niets kan en doet met de opnamen van Rachmaninov, Prokofjev en Sjostakovitsj in eigen werk. Hun interpretaties van hun werk staan immers haaks op de thans modieuze. De drie componisten waren misschien Russisch in hun gemoed, maar westers-klassiek in hun spel.

Deze nieuwe, zeer tijdgebonden wijze van muziek benaderen zie ik vooral bij strijkers en pianisten en minder bij zangers en andere instrumentalisten. Ligt dat aan hun instrument of hun repertoire? Het antwoord daarop is eenvoudig: ook bij hen is deze benadering natuurlijk mogelijk, al worden we natuurlijk pas volledig overtuigd als er een zanger(es) of instrumentalist opstaat die overtuigt met zijn of haar persoonlijkheid en niet met stijl.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links