CD-recensie

 

© Emanuel Overbeeke, mei 2015

 

Anton Webern - Vocal and Chamber Works

Liederen op. 3, 4, 12, 23 en 25*
Bagatellen op. 9 - Strijkkwartet op. 28 **
Cantate nr. 1 op. 30 ***

Schönberg (arr. Webern): Kammersinfonie nr. 1 ****

*Tony Arnold (sopraan), Jacob Greenberg (piano)
**Fred Sherry String Quartet
***Claire Booth (sopraan), Simon Joly Chorale,
Philharmonia Orchestra o.l.v. Robert Craft
****Ensemble o.l.v. Robert Craft

Naxos 8557516 • 74' •

Opname: juli 2008-juni 2013, Londen & New York

 

Robert Craft neemt in het naoorlogse muziekleven een bijzondere plaats in. Hij was veel meer dan alleen de assistant van Stravinsky, ook al is Stravinsky's partituren ordenen, diens werken dirigeren, vele gesprekken met hem voeren en die ook uitgeven en na diens dood zijn correspondentie en dagboeken gedeeltelijk uitgeven en veel over hem schrijven al geen kleinigheid. Reeds voor 1951, toen Schönberg nog leefde en Stravinsky naar buiten toe niets van Schönberg en zijn twee beroemdste leerlingen moest hebben, was Craft geïnteresseerd in hun werk en voerde hij hun werken uit. Nadat Stravinsky vanaf begin jaren vijftig het gevoel kreeg dat zijn neoclassicistische stijl zijn langste tijd had gehad en hij in een creatieve crisis raakte, bracht zijn contact met Craft (die sinds 1948 bij Stravinsky in huis woonde) hem ertoe zich meer te verdiepen in dit repertoire en zich Schönbergs twaalftoonstechniek eigen te maken. In de jaren vijftig was Craft een van de eersten die op concerten oude en nieuwe muziek combineerde en zo beide oeuvres interessant maakte voor een publiek dat niet direct geporteerd was van romantische muziek. Zijn eigen carrière bereikte een voorlopig hoogtepunt in 1957 toen van hem een lp-doos verscheen met alle werken met opusnummer van Anton Webern. Weberns muziek was voor de avantgardisten van dat moment uiterst belangrijk en Craft was de eerste die hiermee vele werken voor het eerst op lp bijeen bracht. Pas eind jaren zeventig verscheen een tweede complete editie (op SONY, onder Boulez), begin jaren negentig een derde (op DGG, ook onder Boulez) en rond 2000 begon Craft aan de vierde die hij onlangs voltooide met de verschijning van het derde deel.

Voor dit pionierswerk kan hij niet genoeg geprezen worden, maar zijn uitvoeringen zijn van wisselende kwaliteiten, zoals Craft ook zelf erkende. Ook in zijn uitvoeringen van oude muziek (Gesualdo, Monteverdi, Bach en Schütz) en nieuwe muziek (Berg, Schönberg, Stravinsky en Antheil) is hij ongelijk. Ronduit schitterend zijn de twee lp's met stukken van Varèse plus enkele late stukken van Stravinsky. Als hij de spanning tussen expressionistische Ausdruck en een formeel neoclassicistisch pantser moet verklanken, komt hij goed los.
Die instelling, die reeds bekend was uit de jaren toen Stravinsky nog leefde en hij veel voor SONY mocht opnamen, is ook aanwezig in zijn Webern-opnamen voor Naxos.

Voor Naxos beperkte Craft zich vrijwel volledig tot de werken met opusnummer. Op dit derde deel is de hoofdrol niet weggelegd voor Craft, maar voor sopraan Tony Arnold die alle liederen met piano met opusnummer zingt (opus 3, 4, 12, 23 en 25). In 3 en 4 staat Webern nog met een half been in de tonaliteit, opus 12 is om zo te zeggen volstrekt atonaal en 23 en 25 zijn twaalftoonscomposities. Arnol zoekt eerder de overeenkomsten dan de verschillen: de lange lijn (ook in de schijnbaar gefragmenteerde werken) en de lyriek. Verstaanbaarheid is duidelijk het doel van de zangeres (Webern werkt niet altijd mee) en de romanticus in Webern krijgt alle ruimte. Die hand van Craft spreekt ook uit de twee werken voor strijkkwartet (door vier uitstekende solisten die een uitstekend kwartet vormen). In de Cantate nr. 1 lijkt Craft bevangen door een zekere ijzigheid die de dramatiek eerder stimuleert dan onderdrukt. In Weberns bewerking van Schönbergs Kammersinfonie opus 9 lijkt de oude, ongelijke Craft weer om de hoek te komen.

Tegenover dit minpuntje staat het tekstboekje waarin Craft zoals gewoonlijk strooit met musicologische lekkernijen, bijvoorbeeld deze zin. 'Ernest Ansermet once told me of a visit he made to Webern during the war.' Aan de vervolgzin is opmerkelijk dat Craft zowaar zijn aartsvijand Boulez gelijk geeft: niet de reekstechniek, maar de omgang met klank is voor Weberns muziek essentieel. Gezet naast Boulez is Craft ruiger, minder verfijnd en iets minder explosief (mag het bij een negentigjarige? - toen hij de Cantate opnam, was hij pas 85). Maar hij snapt de muziek nog steeds uitstekend en zijn pleidooi voor intrigerend repertoire dat men tegenwoordig helaas zelden hoort, is zeer toe te juichen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links