CD-recensie

 

© Emanuel Overbeeke, september 2017

 

BACH - Keyboard Works - Klavierwerken - Helmut Walcha

Bach: Inventionen BWV 772-786 - Sinfonien BWV 787-801 - Engelse suites BWV 806-811 - Franse suites BWV 812-817 - Partita's BWV 825-830 - Franse ouverture BWV 831 - Das wohltemperierte Klavier BWV 846-893 - Chromatische fantasie en fuga BWV 903 - Italiaans concert BWV 971 - Goldbergvariaties BWV 988

Helmut Walcha (klavecimbel)
Warner Classics 190295849818 (13 cd's)
Opname: 1958-1962, Hamburg

Delen van deze box zijn in eerdere edities te vinden op Spotify

 

De pianist Artur Schnabel, nooit verlegen om een bon mot, verklaarde ooit dat hij eigenlijk alleen geïnteresseerd is in muziek die groter is dan ze kan worden uitgevoerd. Die opmerking is soms afgedaan als uiting van snobisme, maar ze is vooral en wellicht onbedoeld een omschrijving van grootheid. Als grootheid al te omschrijven is, dan is een van de kenmerken ervan veelzijdigheid. Soms redt eenduidige en daarmee vaak eenvoudiger muziek het nog door de uitvoering (veel barokmuziek door de beste musici uit ‘het authentieke kamp' en ook Sjostakovitsj door Kondrashin en het Borodin Kwartet), maar op lange termijn, als deze muziek uit de mode raakt, is een goede uitvoering in wezen uitstel van executie. Het omgekeerde is aan de hand bij de bewoners van het pantheon. Ook mindere uitvoeringen kunnen de topcomponisten niet van hun status beroven. Uiteraard zijn Bach en zijn congeniale collega's niet los te denken van latere modes en interpretaties, maar dat men zich met hem wil verstaan, spreekt boekdelen over het tijdloze karakter ervan.

Neem deze cd-doos met bijna alle grote werken van Bach voor klavecimbel (alleen de toccata's ontbreken), gespeeld door de Duitser Helmut Walcha (1907-1991). Bij zijn dood noemde de New York Times (Walcha had vele Amerikaanse leerlingen) hem een van de grootste Bach-vertolkers van de twintigste eeuw. Die constatering was niet alleen volkomen juist, maar ook noodzakelijk. Bij zijn dood was Walcha (hij was blind) inmiddels een historische figuur, niet zozeer omdat hij een aantal jaren daarvoor gestopt was met concerten geven en opnamen maken, maar omdat zijn speelstijl doorging voor ouderwets, zeker in Nederland. Walcha, behalve klavecinist ook organist, was een van de beste exponenten van de richting die opkwam na de romantiek en die in Bachs muziek vooral de doorgaande ritmische beweging en energie benadrukte. Soms wordt deze stijl afgedaan als naaimachinestijl: mechanisch en metronomisch, alsof elke vrijheid en emotie uit het spel verbannen zou zijn. Het valt inderdaad niet te ontkennen dat deze doorgaande beweging voor deze musici essentieel was, maar de besten onder hen (naast Helmut Walcha ook Ralph Kirkpatrick) waren in staat met kleine gebaren in frasering en dynamiek de val van de onpersoonlijkheid te ontlopen en daardoor te boeien van begin tot einde. Het lot van deze twee grootheden is echter het lot van de superieuren in elke stijl: de besten worden veelal gedegradeerd tot representanten van een school, de minderen worden vergeten, zeker in de ogen van hen die meer oog hebben voor de geschiedenis en de hype dan voor de kunst. Het tekstboekje meldt dat Kirkpatrick meer uit was op ritmische energie (en daarmee een voorloper was van Glenn Gould die veel tijdgebonder is dan velen denken) terwijl Helmut Walcha meer lette op klank en contrapunt, maar dit verschil vind ik betrekkelijk, al is het soms juist, bijvoorbeeld bij de Inventionen en de Goldbergvariaties. Beiden konden doordraven (Walcha het vaakst in de Engelse suites), schuwden de virtuositeit niet (bijvoorbeeld in de Franse ouverture) en waren meesters in subtiele, bijna onopvallende details in de frasering (in de Partita's en Das wohltemperierte Klavier). Bij Walcha kwam daarbij zijn benadering als organist, op diverse manieren; zijn Ammer-klavecimbel, voor hem gebouwd, was rijker van klank dan de Neupert waarop de jonge Kirkpatrick speelde en de Skowroneck waarop later Leonhardt zou spelen, en leende zich voor zowel de intieme delen (dat wil zeggen die delen die zich volgens Walcha leenden voor die aanpak, want Bach heeft dit niet aangegeven) als de meer majesteitelijke (waarin, wat bij een organist niet verbaast, de allure meer zit in de klank dan in het spel).

Vergelijkt men Walcha en Kirkpatrick met hun belangrijkste opvolger, Gustav Leonhardt, dan is het verschil gigantisch. Leonhardt en nog veel meer zijn leerlingen en de musici in zijn geest, nemen veel meer tempovrijheden, benadrukken eerder de intimiteit dan de grandeur van veel muziek (de grote uitzondering op deze regel was Leonhardt), spelen op instrumenten met een kleiner klankpalet waardoor de associatie met het orgel naar de achtergrond raakt en hechten veel minder waarde aan een doorgaande ritmische beweging (een puls is soms eerder onderhuids dan bovenhuids). (Het is trouwens opmerkelijk dat Taruskin in zijn vele, overigens uitstekende geschriften over het moderne element in de historische uitvoeringspraktijk veel zegt over de in principe strakke benadering van Walcha en geestverwanten, waaraan hij de naam verbindt van Stravinsky, en niets over de veel lossere van Leonhardt c.s., waarbij de naam past van een archetypische jaren zestig figuur als Berio.) Omdat we nog steeds in deze plooi van de uitvoeringsgeschiedenis zitten (na Leonhardt is er nog geen nieuwe revolutie gekomen die Leonhardt vrees ik zou hebben gedegradeerd tot de status die Walcha nu bij velen heeft, nl. als een achterhaald musicus), zal het nog even duren voordat we hier bereid zijn te erkennen dat de New York Times volkomen gelijk had. Wellicht pas na die nieuwe revolutie ziet men eindelijk goed dat Walcha niet oud, laat staan verouderd is, maar iets belicht dat even essentieel voor Bachs muziek is als wat wij er nu graag uithalen en waarvan wij niet weten hoe Bach over een hiërarchie tussen deze aspecten dacht, als er al een hiërarchie is. Voor liefhebbers van deze brede kijk (Bach als een soort componerende Shakespeare, net als Mozart) is het aardig te melden dat de Walcha-box verscheen in een serie boxen van Warner Classics met uitvoeringen die allemaal tijdloos en tijdgebonden zijn: Haydn door het Pro Arte kwartet, Beethoven door Schnabel, Debussy door Gieseking, onder andere. Net als bij deze musici zit de kracht van Walcha in de compromisloosheid en de onvoorspelbaarheid waarmee hij zijn visie overbracht. De grootste musici zijn immers niet volledig, maar zijn meesters in het cultiveren van hun beperkingen. Schnabels bon mot is de spijker op de kop.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links