CD-recensie

 

© Emanuel Overbeeke, december 2017

 

Sándor Veress: Strijkkwartet nr. 1 (1931) - nr. 2 (1937) - Strijktrio (1954)

Sándor Veress: lezing over Hongaarse volksmuziek + interview met Claudio Veress (beide in het Duits)

DoelenKwartet
Cybele Records KiG 009 • 2.38' • (2 sacd's)
Opname: 1975 (Keulen, lezing), 2012 (Keulen, DoelenKwartet), 2016 (Bern, interview)

 

Deze titel presenteert meerdere kanten van de Hongaars-Zwitserse componist Sándor Veress (1907-1992). Op cd 1 speelt het DoelenKwartet zijn twee strijkkwartetten uit 1931 en 1937 plus het Strijktrio uit 1954. CD 2 en het grootste deel van CD 3 brengen een lezing van Veress over Hongaarse volksmuziek, uitgezonden door de SDR in 1975. Het slot van CD 3 bevat een interview met de zoon van de componist, afgenomen in 2016 in Bern door Mirjam Wiesemann ten behoeve van deze uitgave. Vergelijking van al deze documenten leert niet alleen veel over de componist, maar ook over onze kijk op een componist, zijn inspiratiebronnen en zijn ontvangst. Veress' lezing voor de Duitse radio over de Hongaarse volksmuziek getuigt van een grote kennis van dit repertoire. Hij behandelt achtergronden, varianten en de ontwikkeling van teksten en liederen. Liederen zijn zowel verklankingen van een tekst als muzikale uitingen. Zijn lezing, vermoedelijk van papier (voor een niet-native speaker is zijn Duits zeer goed), wordt gelardeerd met vele voorbeelden en doet nog het meest denken aan het voormalige radioprogramma ‘Onder de Groene Linde', waarin Ate Doorenbosch tussen 1957 en 1994 het Nederlandse volkslied in al zijn verschijningsvormen wist vast te leggen. Nog veel meer dan Doorenbosch doet Veress dat nuchter, analytisch, vrijwel zonder een woord over expressie, zonder enige romantisering van ‘het volk' en ‘de volksmuziek' en behandelt hij de techniek als een vanzelfsprekend onderdeel van de muziekbeschouwing. Wie gelooft in die romantiek, wordt met de voorbeelden rigoureus uit de droom geholpen. De zangers en zangeressen, meestal geen stadsmensen en zo te horen reeds op leeftijd, zijn keihard, voor zichzelf en voor anderen, direct en onverbiddelijk. De teksten hebben soms iets idyllisch, maar de muziek heeft dat voor ons moderne westerlingen absoluut niet. Een aflevering van het programma van Doorenbosch duurde als ik mij goed herinner hooguit een half uur, Veress sprak honderd minuten op een volstrekt neutrale collegetoon. Je moet zeer in het onderwerp geïnteresseerd zijn en accepteren dat zo'n programma ook veel zegt over het sindsdien veranderde beleid van de omroep inzake cultuur, maar dan is het voor zowel etnomusicologen als omroephistorici zeer leerzaam, ook omtrent onze tijd waarin dit programma bij elke omroep ondenkbaar is en waarin ‘het volk' (wie dat ook moge zijn) heel andere muziek maakt.

Sándor Veress

De combinatie van die lezing met de twee kwartetten en het trio roept de vraag op wat Veress met de volksmuziek deed. Het antwoord is hetzelfde als bij de mazurka's van Chopin: hij schreef kunstmuziek gebaseerd op volksmuziek, kortom muziek die soms lijkt op volksmuziek, niet meer. Wat hij van volksmuziek overneemt, zijn melodische wendingen en afwisselende ritmen (waarmee hij en passant de mythe ontkracht dat complexe muziek zo moeilijk te begrijpen en te vertolken zou zijn omdat ze complex is; deze volksmuziek doet qua complexiteit immers niet onder voor sommige westerse avant-garde). Wat hij daaraan toevoegt en wat, althans in mijn beleving, de hoofdzaak wordt en ver van volksmuziek afstaat, is de mix van harmonie, vorm en frasering. Soms staat hij relatief dicht bij het neoclassicisme en soms meer bij Bartók. De website aan hem gewijd, opgezet door Claudio Veress, noemt hem een van de belangrijkste Hongaarse componisten van de generatie na Bartók en Kodaly. Veress studeerde piano bij Bartók en is als componist zeer door hem beïnvloed. Hongaren horen zijn muziek waarschijnlijk als Hongaars, wat vermoedelijk verklaart waarom in de discografie op deze site vooral Hongaren te vinden zijn. (Dit is geen exclusief Hongaars verschijnsel.) Zijn muziek klinkt meer nationaal dan internationaal, iets dan hem bindt met het overgrote deel van de componisten in alle andere landen. Ook de beste Nederlandse componisten zijn eerder heel goed dan nationaal. Bartók was veel internationaler van instelling en had mede daarom een problematische relatie met zijn vaderland, ook na zijn dood. Veress leefde vanaf 1949 weliswaar in Zwitserland, maar al leefde hij dan niet meer in zijn Heimat met alle politieke en stilistische beperkingen van dien, zijn muziek was niet sterk genoeg om hem een glansrijke reputatie elders te bezorgen. Onaardig gezegd: hoe meer Veress op Bartók lijkt, hoe beter zijn muziek is – en hoe beter het DoelenKwartet speelt. De verwantschap met Bartók stimuleerde Veress kennelijk meer tot het ontwikkelen van een eigen geluid dan de eigen onafhankelijkheid. De Bartók-achtige elementen zitten vooral in de botsing van eigenzinnige expressionistische harmonieën en een quasi-klassieke harmonie en creëren een weerbarstigheid die doet denken aan Bartóks Derde en Vierde kwartet en aan de kwartetten van Rihm en Xenakis waarmee het DoelenKwartet terecht furore maakte. Daarmee vergeleken is het Strijktrio een donkere variant van een soms folkloristisch gekleurd neoclassicisme dat tijdens de koude oorlog bepaald niet alleen in de polder leefde. Met name het derde deel heeft een ritmische regelmaat en cadensering die traditioneel aandoen; het trio als geheel is goed, maar iets minder sterk dan de kwartetten, ondanks de referenties naar Bartók. Klaveciniste Annelie de Man noemde dit ooit ‘niks-aan-de-hand-muziek'. Dit soort kunst is de keerzijde van vrede buiten de kunst. In de kwartetten is om zo te zeggen alles aan de hand (drama, om niet te zeggen oorlog en vooral de bijbehorende instelling waren voor zijn en Bartóks generatie eerder regel dan uitzondering) en Veress reageert daarop met dezelfde onverbiddelijkheid die we met andere middelen ook horen in de volksmuziek die hij voor de Duitse radio liet horen.

Zo bezien toont de zoon zich in het interview een vriendelijker versie van zijn vader. Hij is nuchter, zakelijk, to the point, laat amper iets los over zijn vaders drijfveren, aarzelt bij het geven van biografische informatie (de interviewster probeert hem wel in het anekdotische te trekken, maar de zoon houdt zijn poot stijf en zij accepteert dat gelukkig), zegt niet veel over de relatie tussen leven en werk, maar is op één punt zeer onthullend, waarschijnlijk onbedoeld: de expressie en intentie zijn duidelijk dus onnadrukkelijk, ambacht is essentieel want zonder dat is er geen kunst maar alleen emotie en de context kan de kunst wel kleuren maar in wezen niet bepalen. Die houding, waar veel voor te zeggen valt, ging van vader op zoon en leverde diverse goede stukken op en drie zeer goede uitvoeringen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links