CD-recensie

 

© Emanuel Overbeeke, december 2015

 

Tanejev: Strijkkwintet nr. 1 in G, op. 14 - nr. 2 in C, op. 16

Utrecht String Quartet m.m.v. Pieter Wispelwey, cello (op. 14) en Alexander Zemtsov, altviool (op. 16)

MDG 603 1923-2 • 78' •

Opname: februari en juni 2015

 

Sergei Tanejev (1856-2015) is helaas in Nederland een vrij onbekende componist. Valeri Gergiev heeft ooit bij het Radio Filharmonisch Orkest een orkestwerk van hem gedirigeerd, maar veel meer dan dat heeft er vermoedelijk de laatste jaren hier niet geklonken. Oorzaak hiervan is behalve soms de kwaliteit ook en misschien wel primair het feit dat Tanejev nu doorgaat voor een verliezer in de geschiedenis. Bij Russische muziek denken velen aan die muziek die demonstratief is gebaseerd op de volks- dan wel kerkmuziek en die even demonstratief zich afzet tegen de Duits-romantische traditie. Die opvatting van Russische muziek kwam op kort na 1860 toen de vraag opkwam wat er typisch Russisch is aan Russisch muziek. Een belangrijk exponent van die richting was Moesorgski die tot aan zijn dood in 1881 in eigen land betrekkelijk populair was, daarna vrijwel onbekend was, totdat Diaghilev in 1908 hem in het westen presenteerde en met hem deze visie het westerse beeld van Russische muziek tot nader orde bepaalde. Tussen de dood van Moesorgski en het westerse debuut van Diaghilev had een andere opvatting de overhand: de muzikaal nog onontwikkelde Russen moesten een voorbeeld nemen aan het westen (eerder de Duitsers dan de Fransen) en de niet-klassieke muziek van eigen bodem was daarbij niet meer dan een inspiratiebron dan de hoofdzaak en zeker niet prominent zichtbaar. Een van de aanhangers van dit idee was Tanejev (anderen waren onder meer Blumenfeld, Rachmaninov, Liadov, Borodin, Glazoenov en Sokolov). Zijn twee kwintetten op deze cd zijn goede voorbeelden van deze stijl. Ze zijn een intrigerende mix van invloeden van Brahms, Borodin, Glazoenov; de melodiestijl van Brahms (waardoor Glazoenov zeer werd beïnvloed), de stijlcitaten van Borodin (vooral uit zijn kamermuziek), de hang naar sterke emoties zonder populair te willen worden, de neiging tot constante verwerking van thema's alsof de doorwerking in elk deel al begint in maat één en de zucht voortdurend te willen breken uit een tonaal keurslijf terwijl de klassieke mores dat verbieden. De werken lijken soms op een ongemakkelijk huwelijk van Wagner en Brahms waarbij de relatie niet springt omdat de musici de robuuste continuïteit duidelijk laten prevaleren boven de expressie van het moment. De musici benadrukken de klassieke ondergrond met een strengheid die het niveau van de gehele uitnodiging zeer ten goede komt. Allerlei losse eindjes waartoe de muziek volop aanleiding geeft, gaan gelukkig op in de lange lijn.

De cd is daarmee niet alleen een welkome aanvulling van het repertoire, maar ook een bevestiging van de speelwijze van het kwartet. Hoe meer het de nadruk legt op de continuïteit en de losse eindjes in het hok weet te houden, hoe beter het speelt. Vooral de ritmische energie en de balans tussen de instrumenten hebben er baat bij. Misschien is een oorzaak dat het kwartet samenwerkt met gasten die, hoewel ze goede solisten zijn, zich in dit geval bij voorkeur voegen naar het geheel (solistisch zijn de partijen zelden) waardoor de vaart en de eenheid in de uitvoering meer gewaarborgd zijn. Vergeleken met eerdere cd's met soms goede maar geen ongenaakbare muziek (van bijvoorbeeld Verhulst en Glazoenov) laten de musici zich in hun spel gelukkig niet meetrekken in de val van het niet ongenaakbare van deze muziek.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links