CD-recensie

 

© Emanuel Overbeeke, oktober 2019

Schumann: Symfonie nr. 1 in Bes, op. 38 (Frühling) - nr. 4 in d, op. 120 - Ouverture Julius Cäsar op. 128 - Celloconcert op. 129 in a (Pierre Fournier) - Vioolconcert WoO 23 in d (Henryk Szeryng) - Pianoconcert op. 54 in a (Annie Fischer)

Südwestfunk-Orchester Baden-Baden o.l.v. Hans Rosbaud
SWR 19085 • 2.34' • (3 cd's)
Opname: maart 1957 – december 1961, Baden-Baden (Studio 5 des SWF – Hans Rosbaud Studio SWF)

   

Deze uitgave is het jongste deel van een serie van SWR, gewijd aan Hans Rosbaud. Eerder verschenen al delen gewijd aan Mozart, Bruckner (reeds besproken op deze site), Tsjaikovski, Brahms en Wagner. Die keuze is uiteraard beleid. Omdat Rosbaud vooral bekend staat als een superieur pleitbezorger van de moderne muziek waarvan reeds veel op cd is uitgebracht, leek het de samenstellers interessanter hem te presenteren in repertoire dat men wellicht niet meteen van hem verwacht. In dit repertoire staat hij in theorie dichter bij zijn generatiegenoten, maar in de praktijk hoort men zijn eigen geluid. Hoewel Duitser en geboren voor 1900 was Rosbaud geen Duitse romanticus die met nadrukkelijke gebaren en een soms vette klank de romantici over het voetlicht bracht. Zijn Rosbauds uitvoeringen van Mozart en Brahms voor hedendaagse oren misschien iets te massief (zelfs Harnoncourts opponenten zijn door hem beïnvloed), voor pre-authentieke oren voor 1960 waren het voorbeelden van schoonheid en transparantie met behoud van intensiteit en innigheid, twee karakterduo's die jarenlang voor velen een tegenstelling vormden.

Met die instelling benadert hij ook de werken van Schumann in deze box. Het best geslaagd zijn die werken waarin de dirigent het rijk alleen had. Van de werken zonder solist krijgt het minst bekende werk (de ouverture tot Shakespeares Julius Ceasar) de minst geslaagde uitvoering omdat Schumann hierin zijn gevoel voor dramatiek het minst objectiveert waardoor de ouverture, veel meer dan de symfonieën, verzandt tot gebaren, waarbij Rosbaud, in zekere zin tot overmaat van ramp, meer respect heeft voor een half gelukte Schumann (de muziek lijkt eerder op die van clichématige tijdgenoten) dan dat hij probeert de muziek beter te maken dan ze is. In de twee symfonieën overheerst een schijnbare gelijkmatigheid, maar Rosbaud heeft aan kleine gebaren genoeg om de muziek te articuleren. Zelfs als Schumann gelukzalig en heroïsch uitpakt, laat Rosbaud zich maar een beetje gaan, juist omdat hij weet dat een beetje al voldoende is bij muziek die uit zichzelf al zeer onklassiek en uitgelaten is. Rosbaud overtuigt door de dosering en schuwt de overdosis.

De opname van de concerten hebben een ding gemeen: Rosbaud is veel te aardig voor de solisten. Liggen dirigent en solist ver uit elkaar, dan doet Rosbaud geen moeite het verschil te verbloemen, ook omdat er in de stukken voldoende momenten zijn waarin de twee het rijk alleen hebben. De meeste affiniteit heeft Rosbaud met de cellist Pierre Fournier en de minste met de pianiste Annie Fischer. Fournier blijft ook op de dramatische hoogtepunten geserreerd (het is geen toeval dat Rosbaud als een der weinige Duitse musici van zijn tijd overweg kon met Franse muziek). Fischer schuwt niet stevige veranderingen in tempo en grote contrasten in dynamiek waardoor de lyriek in het concert meer komt van de dirigent dan van solist. De dramatiek van het Vioolconcert is een soort ingedikte versie van de dramatiek van de ouverture. Szeryng en Rosbaud brengen eenheid in een licht fragmentarisch werk, dat wil zeggen dat Rosbaud heeft iets meer oog heeft voor het grote betoog, terwijl Szeryng iets meer stilstaat bij de momenten en ze elkaar goed aanvullen.

Ooit zag ik een lijst met alle opnamen die Rosbaud in de loop der jaren maakte met diverse orkesten. Een blik op die lijst is een kwelling voor de liefhebber (en sommige opnamen uit het Nederlandse omroeparchief staan er nog niet eens bij). Wie beseft hoe bijzonder Rosbauds aanpak was (en nog steeds is!), hoezeer het ene repertoire (vooral het Duitse en moderne) profiteerde van zijn ervaring met het andere (Mozart en het Franse), wordt alleen maar nieuwsgierig naar zijn opnamen met Mahler (gelukkig gedeeltelijk verkrijgbaar), Boulez, Beethoven en diverse Nederlanders. Hoe meer ik van hem hoor, hoe meer ik besef hoe onterecht zijn dreigende vergetelheid is. Francis Poulenc, een muziekliefhebber met een open oog voor de kwaliteit ook van die dingen die hem als componist vreemd waren, noemde hem in 1954 wat men nu een geheimtip zou noemen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links