CD-recensie

 

© Emanuel Overbeeke, mei 2014

 

Poulenc: Stabat Mater - Sept Répons de Ténèbres

Carolyn Sampson (sopraan), Estonian Philharmonic Chamber Choir, Estonian National Symphony Orchestra o.l.v. Daniel Reuss

Harmonia Mundi 902149 • 62' •

Opname : juni 2012, Tallin

   

Daniel Reuss wordt een steeds betere koordirigent. Vergelijkt men deze cd met Reuss' meest recente uitgaven, dan is hij nog beter in staat lange lijnen te maken en vast te houden en grote dynamische contrasten in te voegen in een dramatisch betoog. De laatste jaren werkte hij veel met het Estlands Philharmonisch Kamerkoor en daarvoor met het RIAS-kamerkoor. De wisselwerking tussen deze koren en deze dirigent levert een zeer volle en dramatische klank op die men vooral associeert met Duitse romantiek (en de cd's van Reuss met het RIAS in Brahms en met het Ests koor in Mendelssohn zijn geweldig), maar die zich ook uitstekend leent voor deze stukken van Poulenc. De vraag, of die 'Duitse' klank past bij deze Franse muziek, is in wezen niet te beantwoorden en gaat voorbij aan de betrekkelijkheid van zulke clichés. Toen Poulenc de meeste van zijn koorwerken schreef, in de jaren dertig en veertig, vond hij dat Franse koren zijn werk in wezen niet aankonden - de eerste die het wel konden, in de jaren veertig en vijftig, waren diverse Engelse en Amerikaanse koren en het Nederlands Kamerkoor. De Sept Répons de Ténèbres schreef Poulenc rond 1960 op verzoek van Leonard Bernstein, destijds dirigent van de New York Philharmonic. Poulenc componeerde het voor mannenkoor en orkest, maar Reuss voert het hier uit met gemengd koor. Die afwijking werkt zeer gunstig, omdat ze het dramatisch karakter van het werk versterkt. Een groot voordeel vergeleken met eerdere uitvoeringen, met name van het Stabat Mater, is ook dat de dirigent een koordirigent is en geen orkestdirigent (zoals Georges Prêtre en Charles Dutoit). De muziek stroomt meer, het koor staat voorop en de toevoeging van het orkest bij het koor geeft de koorklank een volheid waarmee het duidelijk verschilt van veel van Poulencs werken voor koor a cappella die qua harmonie en transparantie meer clichématig Frans zijn. Zoals wel vaker bij Reuss is de tekst niet altijd goed te verstaan (de klank wint het van de verstaanbaarheid), maar dit lichte tekort wordt ruimschoots gecompenseerd door de intensiteit en de dramatiek, waarmee Poulenc veel dichter bij de Duitse romantiek blijkt te staan dan in zijn eerdere werken voor koor a cappella en zeker dan in zijn vooroorlogse orkestwerken. Dat Reuss de lange lijn beter beheert, lijkt een vreemde opmerking omdat de vormen in de Répons en het Stabat Mater nauwelijks langer zijn dan in Poulencs oudere werken voor koor en orkest, maar Reuss behandelt ze als groots opgezette episoden die niet zouden misstaan in een avondvullende opera, alsof de twee eerder aansluiten bij het Gloria (waarin De Heer uitermate bourgondisch wordt toegezongen) en vooral de opera Dialogues des Carmelites . Dat verklaart weer waarom Reuss op zijn best is in die stukken die enigszins staan tussen de nationale en tijdgebonden clichés, zoals werken van Ligeti, Janácek, Heppener, Martin en Krenek. Die nadruk op muziek uit de twintigste eeuw, waarin vormen vaak onclichématig zijn, is geen toeval. De schijnbaar grillige en onvoorspelbare vormen prikkelen Reuss' hang naar coherentie en dramatiek.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links