CD-recensie

 

© Emanuel Overbeeke, november 2015

 

Janácek: Sinfonietta

Dvorák: Symfonie nr. 9 in e, op. 95 (Uit de Nieuwe Wereld)

Anima Eterna Brugge o.l.v. Jos van Immerseel

Alpha Classics 206 • 70' •

Opname: maart 2015, Brugge

   

De historische uitvoeringspraktijk rukt steeds meer op richting heden en krijgt steeds meer voet aan de grond. Het begon met muziek uit de late barok en de term spijkerbak voor klavecimbel is al veertig jaar niet meer vernomen. Inmiddels vinden we Mozart en Chopin op piano's uit de tijd waarin de componisten leefden normaal en dirigenten als Gardiner en Norrington waagden zich reeds aan orkestwerken van Berlioz en Brahms. Nu ook de twintigste eeuw onder het authenticiteitsmes gaat, treden twee fundamentele problemen op. Het eerste is dat na 1900 sommige instrumenten een enorme ontwikkeling hebben doorgemaakt (met name blazers) en andere veel minder (strijkers). Dat betekent dat dirigenten van nu soms grote balansproblemen hebben die honderd jaar veel minder nijpend waren. De keerzijde hiervan is dat nieuw gecomponeerde muziek, geschreven met het oog op deze veranderde balans deze problemen minder kent en alleen al daarom uitstekend kan klinken. Het tweede is dat we vanaf 1900 beschikken over opnamen en dat in de eerste decennia van de opnametechnieken (in feite totdat de welvaart massaal werd) om economische redenen vaak alleen de allerbesten de kans kregen hun interpretatie vast te leggen. En die besten lieten op verpletterende wijze horen dat in de strijd tussen reconstructie en interpretatie de superieure vertolker het altijd wint van zelfs de meest historisch verantwoorde uitvoering. En die waarheid is voor musici nu pijnlijk genoeg om maar liever te vergeten. Geen enkele pianist en dirigent van nu kan zich in de pianoconcerten van Rachmaninov en de orkestwerken van Strauss meten met de componisten op de bok. En was de vertolker op de bok niet de componist, maar een bevriende musicus uit de omgeving, dan was hetzelfde aan de hand. Alleen Haitink en Boulez kunnen zich in Debussy en Ravel nu meten met Monteux en Coppola en de beste dirigent in de orkestmuziek van Dvorák en Janácek is nog steeds Talich. Jos van Immerseel ondervond dit toen hij zich een paar geleden waagde aan orkestwerken van Debussy, Ravel en Berlioz en nog veel sterker toen hij eerder al pianowerken van Debussy op cd zette (zijn opname van liederen met Debussy door Sandrine Piau is veel beter, niet omdat hij historisch meer verantwoord is, maar muzikaal veel sterker speelt). In zijn jongste cd met werken van Dvorák en Janácek vervalt hij in zekere zin in zijn oude fout, al is zijn vertolking van Janáceks Sinfonietta veel interessanter dan die van de Negende symfonie. Door te kiezen voor blaasinstrumenten van rond 1900 maakt hij duidelijk, dat de nieuwere instrumenten die een veel groter volume en fellere contrasten mogelijk maakten de totstandkoming van een speelwijze hebben bevorderd die enerzijds het expressionistische van deze muziek veel meer aan het licht brengt en anderzijds de worteling van deze muziek in Dvorák (zeker qua klank) naar de achtergrond drukt. Dvoráks Negende symfonie wordt door die instelling minder agressief gespeeld dan tegenwoordig vaak gebeurt en de melodische lijnen winnen het in aandacht van alerte ritmen. Maar niettemin blijft Van Immerseel op respectabele afstand staan van Talich en Mackerras. De laatste mag dan door zijn expressionistische aanpak breken met de speeltraditie waaruit hij voortkwam, qua niveau is hij, ook nu hij al enige jaren dood is, nog steeds de toetssteen voor elke Janácek-interpreet. En de cd illustreert ook een tendens die al jaren aan de gang is: hoe meer 'de authentieke musici' hun instrumenten beheersen, hoe beter ze lange lijnen kunnen trekken en vasthouden, hoe meer hun spel gaat lijken op de speelwijze die ze veertig jaar geleden zo fanatiek bestreden. 'Ouderwetse' dirigenten als Mackerras hebben begrepen hoe zij de winst van de historische uitvoeringspraktijk, met name een veel genuanceerdere klank, hebben kunnen integreren in een niet-authentieke klank. Nu nog het omgekeerde: een authentieke klank met de zeggingskracht van Monteux en Talich, of liever: van een dirigent van vandaag. Gardiner en Harnoncourt komen het dichtst in de buurt, Immerseel en Norrington staan verder weg.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links