CD-recensie

 

© Emanuel Overbeeke, mei 2024

Paul Dukas Editie

Pianosonate (1)
Variations, Interlude et Finale d'après Rameau (2)
Prélude élégiaque (2)
La plainte, au loin, du faune (2)
L'apprenti sorcier (3, 4)
Villanelle (5)
Sonnet (6)
Polyeucte (4)
Symfonie in C (4)
La Péri (7)
Ariane et Barbe-Bleue (8)

(1) François-René Duchable (piano)
(2) Jean Hubeau (piano)
(3) Martha Argerich & Alexandre Rabinovitch (piano)
(4) Orchestre National de l'O.R.T.F. o.l.v. Jean Martinon
(5) Pierre del Vescovo (hoorn), Jean Hubeau (piano)
(6) Pierre Jaroussky (countertenor), Jérôme Ducroo (piano)
(7) Orchestre de la Suisse Romande o.l.v. Armin Jordan
(8) Vocale solisten, Chœurs de Radio France, Nouvel Orchestre Philharmonique o.l.v. Armin Jordan

Warner 5054197808715 • 4.55' • (4 cd's)
Opname: 1972-2008, Parijs, Berlijn, Genève

 

Paul Dukas is zeker geen onbekende, maar echt bekend is hij ook niet. Bij zijn naam denkt bijna iedereen aan slechts één compositie: het orkestwerk L'apprenti sorcier uit 1897. Wie dat goed vindt en geïnteresseerd raakt in de rest van zijn oeuvre, ontdekt ten eerste dat dit oeuvre zeer klein is (in de besproken box van Warner ontbreekt vrijwel niets: afwezig zijn slechts enkele te verwaarlozen kruimels) en dat dit ene overbekende stuk niettegenstaande de omvang van het oeuvre niet helemaal representatief is. De kleinheid van het oeuvre is mede te danken aan zijn vergaande zelfkritiek: The New Grove Dictionary geeft een flinke lijst van verworpen en vernietigde composities. Uiteraard weet niemand precies waarom Dukas allerlei stukken achterhield want de componist liet zich hier niet over uit, maar afgaande op de box kan iedereen iets vermoeden. Hij koesterde een klassiek gevoel voor proporties (op kleine en grote schaal), een in de grond tonale harmonie met sporen van modale en wagneriaanse harmonie plus een voorkeur voor Duits ontwikkelingsdenken en Franse omgang met klankkleur. (L'apprenti sorcier is zo bezien een symfonisch gedicht met de retoriek van Richard Strauss, de Franse klankkleur van eind negentiende eeuw en de bondigheid en directheid van de ‘Eerste Weense School'.) Als ik met dat vermoeden naar zijn muziek luister, springen er twee werken uit: de Symfonie en La P éri. Een twijfelgeval is de Pianosonate. De korte stukken, zoals Sonnet, Villanelle, Prélude élégiaque en La Plainte hebben iets onafs, alsof de ideeën schreeuwen om een uitwerking op grotere schaal. Het omgekeerde heb ik bij Ariane et Barbe-Bleue. Ondanks de prachtige en prachtig uitgevoerde orkestklanken is het werk (de opera duurt twee uur) wijdlopig. Ondanks de lengte zijn er amper melodieën die beklijven. Ik hoor wel zeer persoonlijke orkestklanken en mooie solisten in de opname (met name de sopraan Katherine Ciesinski als Ariane en de bariton Gabriel Bacquier als Barbe-Bleue), maar ik zat niet op het puntje van mijn stoel. Dat was anders bij de Symfonie en de Pianosonate. Het materiaal is in overeenstemming met de lengte, de Duitse omgang met vorm en de Franse benadering van klank zijn gelukkig met elkaar getrouwd en de persoonlijkheid wint het van de context, ook al zijn er in de Symfonie duidelijke sporen te horen van de Symfonie van Franck en in de Pianosonate invloeden van Brahms.

Voor de uitvoeringen deed Warner een goede greep in het eigen archief waardoor we (opnieuw) kunnen genieten van uitstekende musici als Duchable, Martinon en Jordan. Ze hebben een neus voor instrumentaal drama op grote schaal en hebben oog voor de mix die Dukas' muziek kenmerkt. Als er bij hun uitvoeringen nog iets te wensen overblijft, dan is dat een genadeloze doortastendheid met het missionaire van de gelovige dan wel polemist. Daarom (en misschien ook omdat de gewenste vertolkingen niet tot de stal van Warner behoren) mis ik de beste uitvoeringen die ik van Dukas' muziek ken: L'apprenti sorcier onder Cantelli (op Testament) en La péri onder Boulez (op Sony). Duchable en Jordan hoop ik als ambtenaar te treffen als je naar het stadhuis moet (de eerste schijnt nu zijn jaren te slijten als musicus in bejaardenhuizen), Cantelli behandelde een studio-opname als een concert en Boulez was geknipt voor de barricaden (en schreef muziek die, om met Paul Griffiths te spreken, is als een atoombom die zestig jaar later nog steeds ontploft). Auden zei het zo: Isolde wil je op het podium maar niet als buurvrouw. Hubeau, Vescovo en een empathische CDA-buurvrouw misstaan op de planken. (Dat is het verschil tussen kunst en ‘het leven'; de kunst imiteert het leven maar ten dele.) Dit gemis aan extremisme voor de goede zaak knaagt gelukkig het meest bij de stukken net een fractie onder de top.

Van alle werken in de box bestaan weliswaar soms voortreffelijke alternatieven (Villanella door Dennis Brain, Polyeucte door David Zinman, La Péri door Jean Fournet en de Pianosonate door Marc-André Hamelin), maar de beste werken krijgen de beste uitvoeringen van de box en de box is daarmee de beste en meest uitgebreide collectie ooit van Dukas' muziek uitgebracht.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links