CD & DVD-recensie

De Tweede Weense School op de Bühne

 

© Emanuel Overbeeke, februari 2017

 

Berg: Wozzeck

Roman Rekel (Wozzeck), Anne Schwanewilms (marie), Marc Molomot (Hauptmann), Nathan Berg (Doktor), Gordon Gietz (Tambourmajor), Robert McPherson (Andres), Katherine Ciesinski (Margret), Calvin Griffin (Erster Handwerksbursche), Samuel Schultz (Zweiter Hardwerksbursche), Brenton Ryan (Der Narr), Houston Symphony, Members of Houston Grand Opera Children's Chorus, Chorus of Students and Alumni, Shepherd School of Music o.l.v. Hans Graf

Naxos 8660390-91 • 98' • (2 cd's)

Live-opname: 1 en 2 maart 2013, Houston

Schönberg: Moses und Aron

Hans Herbert Fiedler (Moses), Helmut Krebs (Aron), Ilona Steingruber-Wildgans (Ein junges Mädchen), Ursula Zollenkops (Eine Kranke), Helmut Kretschmar (Ein junger Mann), Horst Günter (Ein anderer Mann), Hermann Rieth (Der Ephraimit), NDR Sinfonieorchester und Chor o.l.v. Hans Rosbaud

Sony 88985397972 • 110' • (2 cd's)

Live-opname: 12 maart 1954, Hamburg (wereldpremière)

Schönberg : Gurre-Lieder

Burkhard Fritz (Waldemar), Emily Magee (Tove), Anna Larsson (Waldtaube), Markus Marquardt (Bauer), Wolfgang Ablinger-Sperrhacke (Klaus Narr), Sunnyi Melles (verteller), Koor van De Nationale Opera, Kammerchor des Chorforum Essen, Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Marc Albrecht

Opus Arte 809478012276 • 158' (excl. bonus) • (dvd)

Live-opname: 7 en 23 september 2014, Amsterdam

   


De Tweede Weense School lijkt in het verdomhoekje te zitten. Op de concertpodia en in de cd-winkels schittert dit repertoire door afwezigheid. Een overzicht van nieuwe cd's met werken van Schönberg, Berg en Webern geeft vooral enkele werken uit hun pre-atonale periode: van Webern de Passacaglia opus 1 en soms een vroeg werk voor strijkkwartet, van Berg met name zijn Pianosonate en ook van hem iets voor strijkkwartet en van Schönberg vooral Verklärte Nacht, het summum van laat-romantische kamermuziek dat recht overeind blijft bij de uitvergroting tot orkestmuziek. Tegelijk staan deze drie componisten met hun gehele oeuvre al vanaf hun debuut te boek als enkele van de toppers van de twintigste eeuw. Opera's als Wozzeck en Moses und Aron stonden meteen vanaf hun première in de canon en elk kwartet met een brede blik speelt stukken van deze drie.

Die spanning tussen onbetwiste kwaliteit en betwiste stijl heeft volgens mij niet zozeer te maken met de afkeer van de twaalftoonstechniek, ook al vinden velen die nog steeds eng en ondoordringbaar. Afkeer en onbegrip waren ook de dominante reacties op de vroege, nog tonale composities, terwijl Verklärte Nacht nu bij elke uitvoering in de zaal een succes is! Het grootste obstakel voor velen is de houding. Dit is, om een dichter te parafraseren, muziek zonder opperhuid, muziek voor achter de façade met alle denkbare en ondenkbare mentale en morele complexiteiten van dien. Waar bij Mozart, Verdi, Monteverdi en Shakespeare de kunst nog dient om de gruwelen van het leven enigszins draaglijk te maken door hen een beschaafd aanschijn te geven, is het bij deze drie in hun werk constant oorlog. Het is dan ook geen toeval dat zij voor 1914 tot de weinigen behoorden die de oorlog zagen aankomen, tussen 1914 en 1919 de oorlog niet zagen als een heroïsche exercitie voor natie en god maar als een catastrofe en na Versailles vrede ervoeren als een voortzetting van oorlog met andere middelen. En omdat iedereen destijds wist wat oorlog was en deze muziek begreep als expressie uit de hel, was er na 1920 enig begrip voor deze klanken, al was dat waarschijnlijk meer uit realiteitszin dan uit kunstliefde.

Wozzeck
Ook al vermijdt natuurlijk bijna iedereen de hel als het maar even kan, dit zijn geen onbekende werken, sterker nog, er is zelfs een uitvoeringstraditie. De nieuwste uitvoering van Wozzeck is minstens de tiende op geluidsdrager en bevestigt diverse ervaringen, opgedaan bij eerdere uitvoeringen. Uitgerekend de dirigenten die bekend staan als pleitbezorgers van moderne muziek (Mitropoulos, Boulez en Abbado) dirigeren het stuk veel klassieker dan zij die liever ouder repertoire verkiezen, waardoor ook de grote vorm beter uitkomt. Daarmee zijn hun uitvoeringen spannender dan die van dirigenten die een wat lossere aanpak prefereren en soms schoonheid verkiezen boven heftigheid (Barenboim, Segerstam). Hans Graf behoort tot de tweede groep. Bij climaxen houdt hij zich enigszins in, cesuren passeren eerder vloeiend dan gearceerd en de stemmen blijven beschaafd ondanks alles wat hen overkomt. Exemplarisch wat dit betreft is Anne Schwanewilms in de rol van Marie. Ze excelleert in vooral Duits, laatromantisch, zeer dramatisch repertoire en geeft met haar aanpak meteen aan waarom expressionisme bij velen slecht valt: wat de romantiek met moeite in de fles houdt, komt hier onverbloemd aan de oppervlakte. De vocalisten bij Abbado en Boulez zijn ongegeneerd plat en vilein, wat de deugdzame luisteraar veel ongevraagde zelfkennis geeft. Graf hoort tot die vele musici die het expressionisme sympathieker willen maken door de scherpe kantjes ervan af te halen en de schoonheid zoveel mogelijk aan bod te laten komen. Anders gezegd, houdt men van een symfonie of lied met extra intensiteit, dan is dit een uitstekende uitvoering.

Moses und Aron
De opname van Moses und Aron onder Rosbaud is de eerste ooit gemaakt. Ze verscheen eind jaren vijftig op lp en is nu eindelijk op cd overgezet. Vergelijkt men Rosbaud met alle latere dirigenten in dit werk (Scherchen, Gielen, Solti, Boulez, Cambreling, Gatti, Kluttig), dan verenigt Rosbaud de heftigheid met de schoonheid, en de dramatiek met de precisie, waar anderen (Boulez nog het minst) eerder geneigd zijn een keuze te maken. Extra interessant is het aandeel van de vocalisten die op het breukvlak staan van twee tradities: voor hen, en zeker voor de oorlog, hadden velen meer oog voor het ritme dan voor de toonhoogte, na hen oftewel nu eerder andersom, terwijl de vocalisten hier het beste van beide verenigen. Ze combineren een schijnbare objectiviteit en zakelijkheid met een grote dramatiek die vaak eerder wordt gesuggereerd dan getoond. Rosbaud is de enige dirigent in dit gezelschap die niet kiest tussen het klassieke en het moderne en de enige voor wie maximale heftigheid even normaal en realiseerbaar is als maximale schoonheid (en dat bij een concertante uitvoering – de eerste scenische was pas in 1957, ook onder Rosbaud). Verfijning en kracht vormen geen tegenstelling, maar versterken elkaar. Zoals Otto Ketting zei: hij dirigeerde Schönberg met het gemak van een Schubert-symfonie. Dat wonder maakt elke kritiek op de ouderdom irrelevant. De verdoeking is overigens uitstekend.

Gurre-Lieder
Hoezeer de tijden veranderd zijn sinds Rosbaud, bewijst de dvd met Schönbergs Gurre-Lieder van zestig jaar later. Voor de komst van de neoromantiek en in de hoogtijdagen van het modernisme gold dit stuk als een laatste stuiptrekking van de romantiek en daarom niet helemaal als de echte Schönberg. Nu het modernisme helemaal uit heet te zijn en romantiek weer officieel mag, staan de Gurre-Lieder echter volop in beeld. Dat het een gigantische bezetting vraagt, is kennelijk zelfs geen bezwaar in tijden van recessie (sinds het begin van de bankencrisis maar liefst vijf nieuwe opnamen). Daarvan is deze de meest curieuze: de Gurre-Lieder als opera, geregisseerd door Pierre Audi. Omdat het stuk meer een liederencyclus is, blijkt het verhaal soms lastig te volgen. Daarbij komt dat Audi ons niet echt helpt: bijna voortdurend zien we personages met nadrukkelijke gestileerde bewegingen die grote emotionaliteit moeten aangeven terwijl vaak niet duidelijk is wat hen bezielt. De vocalisten, vooral de heren, doen alle moeite van de liederen een opera te maken en worden daarbij gehinderd door de onduidelijke vormen. Ook al kennen we van de jonge, nog tonale Schönberg vooral twee orkestwerken (Verklärte Nacht en Pelleas und Melisande), hij was in deze periode in de eerste plaats een liederencomponist (van de eerste tien opusnummers zijn er zes met stem). De beste liederen (delen uit de Gurre-Lieder en uit de orkestliederen opus 8) beklijven vooral door de orkestratie, minder door de noten en de frasering. In deze periode was Schönberg veel onklassieker dan in zijn dodecafonische periode. Met dat onklassieke gaan de zangers anders om dan de dirigent. Marc Albrecht stelt zeer klassiek de vormen voorop en geeft daarbinnen de klank alle ruimte. De zangers daarentegen willen vooral dramatisch zijn wat bij heel veel demonstratief gedoe het drama eerder vertroebelt dan verheldert. Dirigent en orkest zijn de aantrekkelijkste onderdelen van deze productie. Bij het slotkoor, waarin het licht wordt bezongen in Rode Garde-kostuum, moest ik erg denken aan het Noord-Koreaans staatskoor.

Het resultaat bij Graf en Audi heeft ook iets positiefs: hoe meer uitvoeringen van een werk er komen die niet van het hoogste niveau zijn, hoe beter het gesteld is met de reputatie van een werk. En bij Berg en Schönberg is die reputatie zeer terecht, ook zonder eigen ervaring met de hel. Trouwens, de huidige roerige tijden zijn in theorie een schitterende voedingsbodem voor nieuwe expressionistische kunst.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links